Vorrink, Irene (1918-1996)

 
English | Nederlands

VORRINK, Irene (geb. Den Haag 7-1-1918 – gest. Leek 21-8-1996), PvdA-politica, minister, senator en eerste vrouwelijke wethouder van Amsterdam. Dochter van Jacobus Jan Vorrink (1891-1955), SDAP en PvdA-politicus en Irene Hendrika Elisabeth Bergmeijer-Vorrink (1892-1974), PvdA-politica. Irene Vorrink (1) trouwde op 11-12-1946 in Amsterdam met Johannes Hendrikus Zwart (1912-1991), politiek activist; (2) kreeg na scheiding (10-7-1948) vanaf de jaren vijftig een relatie met Petrus Hermannus Hugenholtz (1929-2014), rechter. Uit huwelijk (1) werd 1 zoon geboren.

Irene Vorrink werd in Den Haag geboren als dochter van de bekende SDAP-voorman Koos Vorrink – ook haar moeder was actief in de partij. Ze groeide op in Amsterdam, waar het gezin in 1919 naartoe verhuisde. In september 1921 werd een zusje geboren, maar zij stierf vier maanden later. In 1935 scheidden haar ouders van tafel en bed en Irene’s moeder kreeg de voogdij. Ze ging naar het Barlaeus Gymnasium en studeerde daarna Nederlands Recht aan de gemeentelijke universiteit.

In 1943 haalde Irene Vorrink haar doctoraal. In hetzelfde jaar werd haar vader door de bezetter vanwege verzetsdaden gearresteerd en naar Sachsenhausen gebracht. Na de oorlog trad hij opnieuw aan als partijvoorzitter en stelde hij zijn dochter aan als zijn secretaresse op het partijbureau. Hier leerde Vorrink Halbo C. Kool, een getrouwde man, kennen. Ze kregen een relatie en Vorrink werd zwanger. Binnen de partij werd gevreesd dat dit de reputatie van haar vader zou kunnen schaden. Om dit te voorkomen stemde Vorrink ermee in te trouwen met Joop Zwart, een vriend van haar vader uit Sachsenhausen. Deze verklaarde de vader van Vorrinks zoon te zijn, en hoewel het huwelijk niet lang stand hield, werd aan deze verklaring decennialang niet getwijfeld.

Minister

Irene Vorrink was eind jaren veertig korte tijd redactrice op het persbureau Associated Press. In 1949 ging ze weer voor de PvdA werken, ditmaal als medewerkster op het secretariaat. Van 1954 tot 1961 was ze juridisch medewerkster van het Gemeentelijk Administratie Kantoor (GAK) in Amsterdam. Daarna werkte ze tot 1973 als griffier en ondervoorzitter van de Raad van Beroep en Ambtenarenrecht. In dezelfde periode maakte Vorrink carrière in de PvdA. Als een van de vertegenwoordigers van de Nieuw Links beweging binnen die partij werd ze in 1969 gekozen in het partijbestuur. In hetzelfde jaar kwam ze in de Eerste Kamer. Twee jaar later maakte ze deel uit van het schaduwkabinet van Den Uyl, als staatssecretaris van Sociale Zaken.

In 1972 was Vorrink kandidaat-bewindspersoon voor het Deelkabinet Den Uyl/Van Mierlo. Een jaar later trad ze aan in het kabinet Den Uyl als minister van Volksgezondheid en Milieu. Ze was de enige vrouwelijke minister in dit kabinet en viel op met haar progressieve opvattingen en recht-voor-zijn-raap taalgebruik. Zo verklaarde ze bij haar aantreden dat ze het ‘zat was’ dat mannen hun mening gaven over abortus – mannen werden immers niet zwanger en kregen ook geen kinderen (Polman, 1973).

Dennendal en Bloemenhove

Een van de eerste grote affaires tijdens Vorrinks ambtsperiode was de kwestie rond Dennendal – de zwakzinnigeninstelling in Den Dolder die radicaal brak met de traditionele behandeling van geesteszieken en anti-autoritaire omgangsvormen en het gebruik van softdrugs aanmoedigde. Al gauw stonden de vernieuwers en het overkoepelende bestuur van de instelling lijnrecht tegenover elkaar en ontstonden er conflicten tussen de staf en de ouders van de patiënten. Nadat de Telegraaf een artikel had gepubliceerd over de ‘dolgedraaide’ situatie hield het hele land zich bezig met de kwestie: rechts Nederland wilde de instelling zo snel mogelijk ontruimen, links Nederland was hier faliekant op tegen. Ook Vorrink was tegen ontruiming, maar ze bleef op de achtergrond, omdat haar staatssecretaris voor Volksgezondheid, Jo Hendriks, verantwoordelijk was. Hij kon een ontruiming, in juli 1974, niet voorkomen. Vorrink ervoer deze ontknoping als een enorme nederlaag.

Een grotere rol speelde Irene Vorrink in een andere grote affaire: het conflict rond abortuskliniek Bloemenhove. In mei 1976 had KVP-minister van justitie Andries van Agt het openbaar ministerie gevraagd deze abortuskliniek in Heemstede te sluiten. Vorrink was hier fel op tegen. Tijdens een spoeddebat op 20 mei 1976 werd duidelijk dat Van Agt de behandelkamers van de kliniek die nacht door het OM wilde laten verzegelen, en niet wilde wachten op een beslissing van de rechter hierover. Vorrink verliet het overleg om te bellen met Bloemenhove en in allerijl werden abortusvoorstanders opgeroepen om de kliniek te bezetten. De aanpak had succes. De verzegeling kon niet doorgaan en korte tijd later deed de rechtbank een uitspraak: de kliniek mocht openblijven.

Minister Irene Vorrink viel ook op met haar standpunt pro legalisering van hasj en marihuana. Dit kreeg extra aandacht omdat haar zoon, Koos Zwart, in deze periode wekelijks de prijzen hiervan oplas in het VARA-radioprogramma In de Rode Haan. In 1976 kwam onder Vorrink een wijziging van de Opiumwet tot stand. Voortaan werd een juridisch onderscheid gemaakt tussen hard drugs en soft drugs: het bezit van softdrugs was niet langer een misdrijf, maar een overtreding.

Wethouder

In 1977, juist toen het kabinet Den Uyl was gevallen en demissionair was, werd er bij Irene Vorrink baarmoederhalskanker geconstateerd. Ze onderging een succesvolle operatie, maar nam niet voldoende tijd voor herstel. In 1978 trad ze aan als eerste vrouwelijke wethouder van Amsterdam, met een zware portefeuille: gezondheidszorg, ziekenhuiswezen, milieuhygiëne, Hinderwet, keuringsdiensten van waren en kunst- en vrouwenzaken waren haar toebedeeld. Het werd geen succes. Ze verklaarde dat het besturen van een grote stad veel zwaarder was dan het vervullen van een ministerspost. Amsterdam had in deze periode veel last van drugsverslaafden. Vorrink wilde hen opvangen in woonhuizen verspreid over de wijken en organiseerde daarover inspraakavonden. In niet mis te verstane bewoordingen lieten de bewoners weten tegen deze plannen te zijn. Op de zesde inspraakavond, op 24 mei 1979, was de situatie zo bedreigend dat ze de bijeenkomst overhaast en in tranen verliet. Een week later nam ze vakantie.

Op 14 augustus 1979, na een ‘nachtmerrieachtige episode’ (Wim Polak, 2003), trad Irene Vorrink af – anderhalf jaar was ze wethouder geweest. De officiële reden was haar zwakke gezondheid, maar het was voor iedereen duidelijk dat ze zich niet staande had kunnen houden in het keiharde klimaat van de Amsterdamse gemeentepolitiek. Met haar vertrek uit de politiek trok ze zich ook grotendeels terug uit het openbare leven. In 1982 werd ze nog kroonlid (onafhankelijk deskundige) van de Sociale Verzekeringsraad en plaatsvervangend kroonlid van de Sociaal-Economische Raad. Irene Vorrink overleed in 1996 onverwacht op haar vakantieadres in Leek, op de leeftijd van 78 jaar.

Betekenis

Irene Vorrink was een eigenzinnige representant van het ‘jaren zestig denken’ in de politiek. Ze bracht het juridisch onderscheid tussen soft en hard drugs tot stand en heeft zich altijd sterk gemaakt voor vrouwenrechten en het recht op zelfbeschikking. Het duidelijkst kwam dit naar voren in de Bloemenhove-affaire, toen ze voorkwam dat de kliniek werd gesloten. Vorrinks carrière kende echter ook grote tegenslagen. Het viel haar zwaar dat ze de ontruiming van Dennendal niet had kunnen voorkomen. Haar laatste politieke functie, als wethouder van Amsterdam, liep uit op een tragische mislukking.

Naslagwerken

BWN [Koos Vorrink]; PDC.

Literatuur

  • Marinus Polman, ‘Irene Vorrink. Geen Haagse slagen om de arm’, Het Vrije Volk, 23-5-1973.
  • Philip van Tijn, ‘Het leerzame afscheid’, Het Vrije Volk, 25-8-1979.
  • Frits Groeneveld, ‘Irene Vorrink (1918-1996). Eigenzinnig politica’, NRC Handelsblad, 23-8-1996.
  • Theo Klein, ‘Vorrink had het vaak zwaar in de politiek’, de Volkskrant, 23-8-1996.
  • ‘Irene Vorrink 1918-1996’, Trouw, 23-8-1996.
  • Wim Polak, ‘De dag van de inhuldiging’, in: Menno Polak en Gerrit van Herwijnen red., Wim Polak. Amsterdammer en sociaal-democraat (Amsterdam 2003) 191-221.
  • Peter de Waard, ‘Koos Zwart 1947-2014’, de Volkskrant, 27-5-2014.

Illustratie

Irene Vorrink, door onbekende fotograaf, 1978 (ANP Photo).

Auteur: Janneke Martens

laatst gewijzigd: 01/03/2016