Werdler, Theresia (1929-2012)

 
English | Nederlands

WERDLER, Theresia Johanna, vooral bekend als Theresia Vreugdenhil-Werdler (geb. Amsterdam 18-8-1929 – gest. Amsterdam 11-7-2012), couturière. Dochter van Joseph Werdler (1895-1974), chauffeur, en Jannigje Teuntje den Otter (1898-1985). Theresia Werdler trouwde op ?-?-1951 met Hugo Vreugdenhil (1920-2011), zakenman. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren.

Over de jeugd van Theresia Werdler (Threes) is weinig bekend. Zij groeide als achtste van tien kinderen op in een katholiek gezin in Amsterdam. Haar vader was afkomstig uit Utrecht, haar moeder uit Meerkerk. Als jong meisje – zij was twaalf – kreeg Threes haar eerste baan als naaister. Na een bescheiden begin als speldenopraapster ging zij in de leer bij een aantal vooraanstaande ontwerpsters. Threes leerde bijvoorbeeld mouleren – het op het lichaam vormgeven van kleding – van ontwerpster Cécile Boas, die in dienst was van het Belgische modehuis Hirsch & Cie, dat onder meer kleding leverde aan koningin Wilhelmina. Vervolgens werkte ze enkele jaren voor ontwerpster Catharina Kruysveldt de Mare, eigenares van een couturehuis aan de Amsterdamse Keizersgracht.

Een eigen modehuis

In 1951, zij was begin twintig, trouwde Werdler met de negen jaar oudere Hugo Vreugdenhil, een kleinzoon van Catharina Kruysveldt-de Mare. Het echtpaar zou twee dochters krijgen: Machteld (1958) en Saskia (1961). Toen Threes Vreugdenhil in 1955 het modehuis Couture Theresia opende in Amsterdam, nam haar echtgenoot de zakelijke kant van het bedrijf op zich. De boetiek, met een ruim atelier op de begane grond, was gevestigd aan de Jan Luykenstraat. Het gezin Vreugdenhil woonde vanaf dat jaar in hetzelfde pand.

Couture Theresia, een zogeheten gesloten salon, waar klanten alleen op afspraak terecht konden, verwierf in de jaren vijftig en zestig een welgestelde klantenkring. Vreugdenhil reisde twee keer per jaar naar Parijs, waar zij bij vooraanstaande couturiers als Dior, Balenciaga en Balmain patronen aankocht die zij in haar atelier op maat maakte voor haar clientèle. Een van haar klanten was Gillia gravin Frowein-Wolff Metternich. Zij bracht Vreugdenhil begin jaren zestig met prinses Beatrix in contact. Naar verluidt deed zij dat na enige aarzeling, omdat zij een botsing vreesde tussen deze twee sterke persoonlijkheden.

De ontmoeting tussen Beatrix en Vreugdenhil op kasteel Drakesteyn verliep echter voorspoedig. Vreugdenhil zou daar later over zeggen: ‘Het klikte, en het is altijd blijven klikken tussen ons. [...] En het was vanaf het begin duidelijk dat we op een lijn zaten’ (de Volkskrant, 23-4-2005). Na die eerste ontmoeting – Vreugdenhil gaf een korte modeshow – kocht de prinses een aantal kledingstukken. Het eerste ensemble dat Vreugdenhil in opdracht van Beatrix ontwierp was een mantelpak van lichtblauwe tweed, in de stijl van het Franse modehuis Chanel. Beatrix droeg het op 17 februari 1966, de dag dat zij in ondertrouw ging met Claus von Amsberg.

Couturière voor de vorstin

Beatrix zou Vreugdenhils belangrijkste klant worden. Veertig jaar lang, van 1965 tot 2007, was zij de officiële modeontwerper van de prinses en latere koningin. Beatrix bezocht nooit de Amsterdamse salon: het passen en bespreken vond ongeveer één keer per week plaats op kasteel Drakesteyn, later op Huis ten Bosch. In nauw overleg ontwikkelden de twee – die elkaar al die jaren bleven aanspreken als ‘mevrouw’ – in de loop der tijd het silhouet van Beatrix. Vreugdenhil: ‘Kleren en persoon van de koningin zijn één. Dat is natuurlijk niet in een keer tot stand gekomen. We hebben er jaren aan gewerkt en zijn er langzaam naar toe gegroeid’ (NRC Handelsblad, 17-8-1995). In 1970 opende Vreugdenhil een nieuwe boetiek in de Amsterdamse P.C. Hooftstraat: Theresia P.C., waar zij onder meer Franse en Italiaanse confectie verkocht.

Voor talloze Prinsjesdagen, Koninginnedagen, staatsbezoeken en andere koninklijke gelegenheden ontwierp Vreugdenhil Beatrix’ kleding. De belangrijkste opdracht was het ontwerpen van de japon die Beatrix droeg bij haar inhuldiging als vorstin, op 30 april 1980. Het werd een creatie van ivoorkleurige zijden dubbelcrêpe, met een opvallende klokvormige mouw. Daarnaast moest Vreugdenhil al haar creativiteit aanwenden om de koningsmantel van Juliana te restaureren, die vanwege onzorgvuldige opslag in erbarmelijke staat bleek te verkeren. Ze restaureerde de mantel met oud hermelijn, afkomstig van een jasje van de echtgenote van een topman van C&A (de Volkskrant, 18-3-2013).

Vreugdenhil was een perfectioniste. ‘Het was niet gauw goed genoeg’, zei een van haar dochters later (Ode aan de doden, 31-10-2012).Vooral de ontwerpen voor de vorstin bezorgden haar menigmaal hoofdbrekens. ‘Het kost heel, heel veel geduld’, zei ze daar later over. ‘Ik lig nog geregeld wakker van hoe ik dingen technisch moet oplossen. Iedere keer ben ik weer opgelucht dat het gelukt is’ (de Volkskrant, 23-4-2005). Dat zij vrijwel ieder probleem kon oplossen, dankte Vreugdenhil aan haar ongeëvenaarde technische vaardigheid. Ontwerper Paul Schulten zei daar later over: ‘Vreugdenhil was een couturière in de ware zin van het woord. Perfecte schouderpartijen, mooi geconstrueerde kragen, simpel lijkende jurkjes: altijd perfect uitgevoerd. [...] Waar Theresia buitengewoon goed in was, was de techniek. Dat kon ze als geen ander’ (NOS Journaal, 14-7-2012).

In de veertig jaar dat zij voor de vorstin werkte meed Vreugdenhil iedere vorm van publiciteit. Zij gaf geen interviews. Alleen De Telegraaf mocht op gezette tijden een kijkje komen nemen in het atelier. Haar mediastilte betekende dat zij zich niet verweerde tegen kritiek van Nederlandse ontwerpers als Frans Molenaars en Frank Govers, die haar ontwerpen niet modieus vonden. Later zei Vreugdenhil dat haar critici met hun uitspraken voorbijgingen aan het feit dat de kleding van een vorst een ander doel dient: ‘Het ging helemaal niet om mode. Het ging erom haar zo goed mogelijk te begeleiden in haar functie’ (Smit, 7). Pas vanaf eind jaren negentig gaf Vreugdenhil interviews zoals aan NRC Handelsblad (1995), de Volkskrant(2005) en de NOS (2005).

In 1994 droeg Vreugdenhil haar Amsterdamse couturezaak over aan haar dochters, die beiden een internationale modeopleiding hadden gevolgd. Zelf bleef ze ontwerpen voor de vorstin en een handjevol andere klanten. Vijf jaar later, in de zomer van 1999, werd ze onderscheiden met het Erekruis in de Huisorde van Oranje. In 2006 ging Theresia Vreugdenhil officieel met pensioen, nadat Beatrix op Prinsjesdag 2006 haar laatste creatie had gedragen: een goudkleurige japon met een ronde hals en wijde mouwen. Na haar pensionering besteedde ze haar tijd aan schilderen en reizen. Een jaar na haar echtgenoot, in de zomer van 2012, overleed Theresia Vreugdenhil-Werdler, 82 jaar oud.

Reputatie

Theresia Vreugdenhil-Werdler heeft een niet te onderschatten rol gespeeld bij de totstandkoming en het bewaken van het imago van koningin Beatrix als zakelijke, onberispelijk geklede vorstin. Zij maakte daarbij gebruik van haar technische vaardigheden, creativiteit en vasthoudendheid. In haar ogen moest een ontwerpster vooral dienend zijn: ‘Je moet in kleren uitdrukken wat iemand belangrijk vindt in het leven. Ik heb dat al die jaren bij ál mijn klanten geprobeerd’ (Vorsten, 2007, afl.10).

Literatuur

  • Dieuwke Grijpma, [Interview], NRC Handelsblad, 17-8-1995.
  • Dieuwke Grijpma, Kleren voor de elite. Nederlandse couturiers en hun klanten 1882-2000 (Amsterdam 1999).
  • Milou van Rossum, [Interview], de Volkskrant,23-4-2005.
  • [interview], De staat van Beatrix, NOS-tv, 17-12,2005.

  • Els Smit, [Interview], Vorsten (2007) afl. 10, 18-26.
  • Els Smit, Ontwerpers van Oranje (Amsterdam 2008).
  • [tv-portret], Blauw bloed, 15-9-2012 en 22-9-2012.
  • [tv-portret], Ode aan de doden, KRO.
  • Remco Meijer, ‘De koningsmantel van Willem-Alexander: een slechte kopie met 'C&A -bont’, de Volkskrant, 18-3-2013.

Illustratie

Theresia Vreugdenhil-Werdler, door Raymond Rutting, 1999 (ANP Photo).

Auteur: Liesbeth Sparks

laatst gewijzigd: 08/06/2017