Werken, Margareta Geertruid van der (1734-na 1796)

 
English | Nederlands

WERKEN, Margareta Geertruid van der, vooral bekend als Margareta Geertruid de Cambon-van der Werken (ged. Gouda 29-9-1734 – gest. in Engeland? na 1796), schrijfster. Dochter van Johannes van der Werken (1699-1759), remonstrants predikant, en Alida Holthenus (gest. na 1754). Margareta van der Werken trouwde op 29-11-1759 in Voorburg met Jacques Louis Ricateau Boncam de Cambon (1711-1781), gepensioneerd kapitein in het Staatse leger. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren.

Van de vijf kinderen Van der Werken was Margareta Geertruid het oudste kind en het enige dat de volwassen leeftijd bereikte. De jeugd van Margareta moet zeer moeilijk zijn geweest. Haar vader, in 1731 te Gouda beroepen, legde in 1753 zijn ambt neer na een leven vol conflicten en klachten over zijn alcoholisme. Hij had het familiekapitaal en dat van zijn vrouw erdoor gejaagd. Te laat had zijn zuster Dirkje (gest. 1753) haar nicht Margareta tot erfgenaam benoemd, want behalve een obligatie van achttienhonderd gulden en driehonderd gulden in contanten erfde deze slechts de schuldbekentenissen van haar vader aan zijn zus Dirkje.

In 1753 vestigde het berooide gezin zich in Leiden. Daar publiceerde Margareta van der Werken in 1756 haar eerste werk: Willem de IV (tweede druk 1762). Kennelijk onderhield zij in deze jaren contacten met het Utrechtse genootschap Tempore et Studio, want de toneelschrijvers Gerard Muyser, Philip Zweerts en andere leden van dit genootschap eerden haar in de uitgave van dit epos met drempeldichten. Van dit episch debuut waardeerde zij zelf later vooral ‘de oprechtheid, de waarachtige eerbied en liefde voor het Doorluchtig Huis van Orange die mij […] onwrikbaar zijn bijgebleven’ (gecit. Vuyk, ‘Scherpe contrasten’, 125-126).

Kort na haar vaders dood in 1759 huwde Margareta, inmiddels ‘woonachtig onder Voorburg’, in de Waalse kerk aldaar met de 23 jaar oudere, gepensioneerde kapitein Boncam de Cambon. Het paar vestigde zich in ’s-Hertogenbosch, waar in 1763 hun zoon Jean Jacques werd geboren. Waarschijnlijk verhuisde het gezin na korte tijd al naar Den Haag. In 1762 publiceerde Margareta, nu onder haar getrouwde naam, een nieuw werk: Brief van Abélard aan Eloïza, een dramatische behandeling in verzen van de geschiedenis van hun ongeoorloofde liefde.

Beroepsschrijfster

Vanaf 1767 schreef De Cambon-van der Werken veel voor de Haagse Schouwburg, die in die jaren door Marten Corver en zijn gezelschap werd bespeeld. Het waren gelegenheidsstukjes bij blijde gebeurtenissen van het Oranjehuis. Deze moeten haar in Den Haag en bij het Hof een goede naam hebben bezorgd. Echt succes oogstte zij in Corvers schouwburg met haar bewerkingen van Franse toneelstukken. Tussen 1767 en 1790 kwamen zestien producties op basis van haar werk tot stand, beginnend bij De zegepraal der min (1767) en eindigend met Oedipus aan het hof van Admetus (1790). Enkele van haar toneelstukken, zoals De koopman van Smirna, Hamlet, Het huwelijk van Figaro en King Lear, werden herdrukt.

Opvallend waren Van der Werkens vertalingen van Franse versies van Shakespeare’s Hamlet en King Lear, vervaardigd door Jean-François Ducis, die Shakespeares stukken aanpaste aan de heersende Frans-classicistische smaak. Bij Ducis/Van der Werken ging Hamlet met Ophelia aan het slot een gelukkige toekomst tegemoet in plaats van bloedig zijn leven door het zwaard te beëindigen. Margareta dichtte na de laatste voorstelling een lofzang op de acteurs waarin zij zich verdedigde tegen de kritiek dat Shakespeare geen stof voor vrouwelijke auteurs zou kunnen leveren. Zij repliceerde niet te kunnen begrijpen waarin het verschil ‘tussen ene vrouwelijke en ene mannelijke pen’ bestaan zou. Alleen al met haar werk voor de schouwburg lijkt zij haar lidmaatschap van het Haagse Kunstliefde Spaart Geen Vlijt ruimschoots te hebben verdiend. Haar Hamlet-tekst werd nog in 1810 door A. Fokke Szn. gebruikt voor een parodie op Napoleon.

Behalve toneel publiceerde Margareta de Cambon-van der Werken nog veel ander werk. Godsdienstig waren de Zededichten op het leven en werk van Jezus Christus (1771); historisch materiaal verwerkte zij in het gedenkboek over de Franse inval in 1672, Herdenking der bloedige wreedheden (1772); maatschappelijk geïnspireerd was het door het Leidse Kunst Wordt door Arbeid Verkregen met zilver bekroonde opstel Het nut van den handwerksman (1783). Het jaar hierna, in 1784, werd zij prompt als lid van dit genootschap ingeschreven. Baanbrekend werd het naar Duits voorbeeld geschreven tijdschrift De Algemeene Oeffenschool der Vrouwen (1785). Dit ‘Damenjournal’ kennen wij slechts uit recensies. Margareta bleek van alle markten thuis en verdiende er haar brood mee. Toch werd haar man in 1781, zeventig jaar oud, in Den Haag pro deo begraven. Voortaan tekende zij als ‘Weduwe de Cambon, gebooren van der Werken’.

Prinsgezinde pamfletten

Remonstranten waren doorgaans staatsgezind en patriots, maar Margareta ontwikkelde zich tot een fervent aanhangster van het Oranjehuis. Dat bleek uit Willem de IV en haar korte gelegenheidsstukken voor de Haagse schouwburg. Naarmate de tegenstellingen tussen patriotten en prinsgezinden in de jaren tachtig heftiger werden, ontpopte zij zich als een ijverig pamflettenschrijfster die elk jaar met emotionele verzen haar aanhankelijkheid aan stadhouder Willem V en zijn echtgenote Wilhelmina van Pruisen betuigde. De plechtige classicistische stijl van haar vroege werk maakte nu plaats voor de meer impressionistische, dialogische spreekwijze van de gevoelige Verlichting.

Haar politieke belijdenis schreef Margareta in haar Gedenkschrift ter huldiging van de oprechte Vaderlandsche Sociëteiten (1788). Zij begon dit boek tijdens de ballingschap der Oranjes in Nijmegen, maar barstte in september 1787 in gejubel uit toen zij bij de voltooiing hoorde dat de stadhouderlijke familie naar Den Haag was teruggekeerd. Tegelijk schreef zij een lofdicht op Bentinck, bevelhebber van de garde, die het Oranjevolk het plunderen had willen beletten. Al die jaren bleef zij lid van de Haagse remonstrantse gemeente, die door de burgeroorlog sterk verdeeld was. Haar zoon liet zich uitschrijven. Was het om politieke redenen? Of verloor hij zijn geloof en was het ongewoon heftige manuscript van zijn moeder, De ongodist (1792), waarin zij waarschuwde voor atheïsme, voor hem bestemd? Eerder had zij voor hem een zedelijk kompas geschreven, Schets der zeden (1784), waarin zij uiteenzette hoe de verhouding tussen moeder en kind verandert wanneer een zoon volwassen wordt. In 1790 had Jean Jacques voor zijn moeder nog het titelblad van haar roman De kleine Klarissa ontworpen.

Romans voor kinderen

De pedagogische werken van Margareta Geertruid de Cambon-van der Werken vormen het hoogtepunt in haar oeuvre. Evenals Betje Wolff en Aagje Deken was zij onder de indruk van Samuel Richardsons brievenromans. In 1782, het jaar dat Wolff en Deken kwamen met hun Sara Burgerhart, publiceerde Margareta haar tweedelige De kleine Grandisson of de Gehoorzame zoon, in eene reeks van brieven en samenspraaken. Vier jaar later voegde zij er twee delen aan toe en nog later verscheen er een verkorte versie voor het onderwijs. In later werk richtte zij zich met haar voorbeelden voor deugdzaam leven vooral op meisjes. Invloed van het natuurrecht werd verwerkt in het respect tonen voor alle geledingen der samenleving en in relativering van aardse rijkdom en geluk. De Verlichting sprak uit de verheldering van het Godsgeloof door uitleg te geven over natuurverschijnselen. Onweer was geen straf van God! Het stoïcijnse beeld dat alles als in een keten der dingen met elkaar samenhing, hielp om het probleem van Gods aanwezigheid in de geschiedenis te verwoorden. Behalve aan het redelijk inzicht droegen haar boeken allereerst bij aan de vorming van het kinderlijk gevoelsleven. De brievenromans werden een groot succes. Haar Rotterdamse vriend, de Engelse predikant John Hall, vertaalde De kleine Grandisson in het Engels en Arnaud Berquin vertaalde haar werk in het Frans. In Frankrijk hield De kleine Grandisson zelfs repertoire tot 1885 en ook in Engeland verschenen er vele herdrukken. Datzelfde gold in iets mindere mate voor de Engelse vertaling, uit 1791, van haar latere roman De kleine Klarissa (1790). Ook is werk van haar vertaald in het Duits en het Zweeds.

Het is niet duidelijk waar de weduwe De Cambon na de Bataafse Revolutie en de vlucht van Willem V naar Engeland (januari 1795) terecht is gekomen. In Frankrijk en vooral in Engeland had zij contacten, maar het is onbekend waar zij zich heeft gevestigd. Bij uitgever Leeuwestijn in Den Haag verscheen in 1796 haar Tafereelen van armoede en tegenspoed, op Engeland geïnspireerde verhaaltjes over de wisselvalligheid van het lot. In Leipzig verscheen in 1797 een anoniem drukwerkje De Achtste Maart, verjaardag van Zijne Doorluchtige Hoogheid, Prins Willem V in Londen (UBL port. 13), waarin een vergrijsd auteur zich herinnert vroeger veel van dit soort gelegenheidsverzen te hebben geschreven. Was dit haar laatste levensteken? Het heeft deze in haar tijd gevierde schrijfster niet voor een snelle vergetelheid kunnen behoeden.

Naslagwerken

Van der Aa; Basse; Buijnsters; Van Doorninck; Frederiks/Van den Branden; Ter Laan; Lauwerkrans; Witsen Geysbeek.

Archivalia

  • Gemeentearchief Rotterdam: Ooud Notarieel Archief, nr. 2837, 623; nr. 2973, 393; nr. 3023, 530.
  • Haags Gemeentearchief: Archief van de Remonstrantse Gemeente, inv. nr. 205; Archief van Kunstliefde Spaart geen Vlijt, inv. nrs. 51 en 52 (brieven MGvdW).
  • Universiteitsbibliotheek Leiden: BPL 246 (brief MGvdW.
  • Bilderdijkmuseum, Amsterdam: Hs A 32 (De Ongodist), H 42.3 (brief van MGvdW aan Kunstliefde Spaart Geen Vlijt.

Publicaties

Slechts één werk (Willem IV) verscheen onder de naam Margareta van der Werken. Na haar huwelijk publiceerde zij als ‘M[argareta] G[eertruid] de Cambon, gebooren Van der Werken’, en na de dood van haar man in 1781 als ‘M.G. weduwe de Cambon, gebooren Van der Werken’.

Behalve de in het lemma genoemde werken publiceerde zij (zie ook de bibliografie van Groot):

  • Le bouquet volé (Den Haag 1768) [divertissement t.b.v. de Franse Comedie in Den Haag].
  • Adeline, of Aangeteekende byzonderheden eener jonge juffer op haare driejaarige reize door Vrankrijk door haarzelve beschreven 3 delen (Den Haag 1783/84).
  • Schets der zeden (Den Haag 1784).
  • Gedenkschrift ter huldiging van de oprechte Vaderlandsche Sociëteiten, opgedragen aan alle vaderlanders bij het vierde staatsherstel (Den Haag 1788).
  • Pligtoffer der Leidsche weezen aan den burgerije bij den aanvang van den jaare 1790 (z.p. 1790).
  • Maria en Carolina of de Opvoeding door voorbeelden in eenige eenvoudige, doch belangrijke gesprekken, geschiedenissen en verhaalen (Den Haag z.j.).
Voor haar pamfletten: zie de catalogus van Knuttel; voor haar toneelstukken: www.let.leidenuniv.nl/Dutch/ceneton. Onuitgegeven: De ongodist (z.j.) (Bilderdijkmuseum, Amsterdam, Hs. A 32).

Literatuur

  • J.P.M. Groot, ‘Voorlopige bibliografie van M.G. de Cambon-van der Werken’, Documentatieblad Werkgroep Achttiende Eeuw 30 (1976) 1-37.
  • G. Tigges-Drewes en J.P.M. Groot, ‘Een eeuw Kleine Grandisson’, Documentatieblad Werkgroep Achttiende Eeuw 45 (1980) 21-64.
  • W.A.P. Smit, ‘Willem IV van M.G. van der Werken 1756’, in: Idem, Kalliope in de Nederlanden, deel 2 (Groningen 1983) 479-494.
  • P.J. Buijnsters, ‘Nederlandse kinderboeken uit de achttiende eeuw’, in: Harry Bekkering e.a. red., De hele Bibelebontse berg. De geschiedenis van het kinderboek in Nederland en Vlaanderen van de Middeleeuwen tot heden (Amsterdam 1989) 212-215.
  • Simon Vuyk, ‘Scherpe contrasten bij Margareta Geertruid van der Werken (1734-na 1796)’, in: Idem, Verlichte verzen en kolommen, remonstranten in de letterkunde en tijdschriften van de Verlichting (1720-1820) (Amsterdam 2000) 122-145.
  • Lotte Jensen, ‘Bij uitsluiting voor de vrouwelijke sekse geschikt’. Vrouwentijdschriften en journalistes in Nederland in de achttiende en negentiende eeuw (Hilversum 2001) 41.
  • Simon Vuyk, ‘Twee vrouwen over vaderland en voorzienigheid: Lucretia Wilhelmina van Merken (1721-1789) en Margareta Geertruid van Werken (1734-na 1796)’, De Achttiende Eeuw 34 (2002) 33-48.
  • Simon Vuyk, ‘Zwarte bladzijden uit de geschiedenis van remonstrants Gouda’, in: Idem, De dronken Arminiaanse dominee, over de schaduwzijde der verlichte remonstranten (Amsterdam 2002) 119-131.

Illustratie

Portret, door Hendrik Roosing, 1792 (Universiteit van Amsterdam, Bijzondere Collecties).

Auteur: Simon Vuyk

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 513

laatst gewijzigd: 13/01/2014