Wigerink, Margaretha Dorothea (1920-1992)

 
English | Nederlands

WIGERINK, Margaretha Dorothea, vooral bekend als Margaretha Ferguson, ook bekend als Margaretha Dorothea Fleischer-Wigerink (geb. Arnhem 5-9-1920 – gest. Haiphong, Vietnam 8-5-1992), journaliste, schrijfster en vertaalster. Dochter van Bernardus Wilhelmus Wigerink (1892-1958), bakker en boekhandelaar, en Benjamina Lezer (1893-1954), gemeenteraadslid. Margaretha Wigerink trouwde (1) op 21-12-1939 in Batavia, Nederlands-Indië met Frits Fleischer (1908-1977), zeeman, gezagvoerder Koninklijke Pakketvaart Maatschappij (KPM); (2) op 8-10-1973 in Den Haag met Thomas Willem Ferguson (1902-1988), agent KPM. Uit huwelijk (1), dat eindigde in een scheiding, werden 2 zoons en 1 dochter geboren.

Margaretha Wigerink werd geboren als enig kind in een fel SDAP-milieu. Haar Joodse moeder was in 1920 het eerste vrouwelijke gemeenteraadslid van Arnhem. Vanwege de politieke ambities van haar moeder voelde Margaretha zich verwaarloosd en was ze eenzaam. De Wigerinks verhuisden in 1929 naar Bandoeng in Nederlands-Indië. Margaretha’s vader werkte er in de boekwinkel van zijn zwager en opende na korte tijd een eigen boekhandel in Batavia (Jakarta). Margaretha begon op de hbs in Semarang en maakte die in Batavia af aan achtereenvolgens de Prins Hendrikschool en de blanke eliteschool van de Carpentier Alting Stichting. Daar was literatuuronderwijs belangrijk en Margaretha leerde er de schrijfster Aya Zikken kennen, met wie ze levenslang bevriend is gebleven.

Japanse bezetting

Margaretha Wigerink was zestien toen ze een baantje kreeg als redactiesecretaresse van het weekblad d’Oriënt. Op haar negentiende trouwde ze met de zeeman Frits Fleischer. Ze woonden in Makassar en kregen in 1941 een zoon, Eric, die het jaar daarop overleed aan dysenterie. Begin 1942 evacueerden de Japanse bezetters hen naar Java. Margaretha Fleischer-Wigerink kwam terecht in interneringskamp Tjideng. In maart 1943 werd haar dochter Marjan geboren. Als Joodse vrouw werd ze met haar dochter in december 1944 overgeplaatst naar kamp Tangerang. Margaretha zag de overplaatsing als een vooruitgang: de Japanners traden er minder hard op, het eten én het werk waren er goed verdeeld en er was minder ruzie. Ook in Tjideng had ze al veel contact met Joodse vrouwen, vooral met intellectuelen met wie ze kon praten over andere dingen dan over recepten. In maart 1945 belandde ze in kamp Adek. Daar zat ze tot het eind van dat jaar gevangen. Tijdens haar gevangenschap hield ze een dagboek bij. Na de oorlog keerde Margaretha met dochter Marjan via Singapore terug in Nederland. In hun nieuwe woonplaats Utrecht begon ze aan een studie psychologie. Vanwege psychische klachten liep ze bij een psychiater, die haar adviseerde opnieuw een dagboek bij te houden. In oktober 1948 werd ze met haar man herenigd in Nederlands-Indië. Ze woonden in Belawan en later in Medan, waar Margaretha Fleischer-Wigerink als directiesecretaresse werkte op het Departement van Culturele Zaken, Onderwijs en Volksgezondheid.

Kort na de geboorte van zoon Evert (1950) strandde het huwelijk van Wigerink en Fleischer en keerde ze definitief terug naar Nederland. Samen met haar kinderen ging ze in Den Haag samenwonen met de achttien jaar oudere Thomas Ferguson, een collega van haar man die ook net uit Batavia was teruggekeerd. Al voor ze in 1973 met hem trouwde, droeg ze zijn naam. In 1959 debuteerde ze literair met de verhalenbundel Anna en haar vader. Drie jaar later volgde de roman Onmogelijke mensen (1962), over de vraag ‘Hoe te leven?’: een terugkerend thema in Fergusons oeuvre. Ze gebruikte fictie om haar visie op de wereld te uiten. Haar personages kregen vorm door hun ideeën en er was een beperkte rol voor gebeurtenissen. Critici stoorden zich aan de nadrukkelijke verhaalstructuur en geforceerde dialogen in Fergusons vroege romans.

Reizen en schrijven

Na haar repatriëring vertaalde Margaretha Ferguson uit het Engels, Duits, Frans en Russisch. Ook schreef ze over literatuur en over haar reizen. Van 1960 tot 1979 werkte ze voor Het Vaderland, vanaf 1968 voor de rubriek Kunst en Letteren. Onder het pseudoniem Fergu schreef ze tussen 1964 en 1968 cursiefjes in de Haagsche Courant. Andere media waarin ze geregeld publiceerde waren Bzzlletin, de Haagsche Post, De Nieuwe Stem en De Nieuwe Linie. Van korter duur was haar medewerking aan de NRC; ze voelde zich ondergewaardeerd omdat ze in deze krant slechts vrouwen- en meisjesboeken mocht recenseren. In de jaren zestig en zeventig besprak Ferguson voor de VARA en de AVRO boeken op de radio. Naast haar journalistieke werk zat ze in literaire commissies en besturen, zoals van het Fonds voor de Letteren en de Jan Campertstichting.

Halverwege de jaren zeventig werd Indië Fergusons hoofdthema. ‘Al ben ik dan niet “daar” geboren, hoe langer ik in Holland woon, hoe meer ik “uit Indië” kom’, bemerkte ze (gecit. in Levensberichten, 83). In Elias in Batavia en Jakarta (1977) kwamen alle facetten van die nieuwe thematiek samen: eurocentrisch denken, onderdrukking, doodsangst, de Bersiap en de vervreemdende terugkeer in Nederland. Dat ze politiek de kant koos van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijders, blijkt duidelijk in de roman Chaos (1983). Ook haar egodocumenten uit de oorlogsjaren en de naoorlogse periode zijn – in 1976 en 1985 – in druk verschenen. Haar werk over Indië werd goed ontvangen: voor Angst op Java (1991) ontving zij de Littéraire Witte Prijs.

Met haar reisboeken wilde Ferguson laten zien dat de wereld gecompliceerder in elkaar zit dan de verslaggeving deed geloven. Tegelijk realiseerde ze zich dat ook haar eigen ervaringen werden gekleurd door haar achtergrond. Ze maakte twee reizen naar de Sovjet-Unie, in 1966 en 1968. Bijna een kwart eeuw na haar vertrek reisde ze ook naar Indonesië en schreef daarover het persoonlijke Nu wonen daar andere mensen. Terug op Java (1974). Verder bezocht ze onder andere China, het land waar haar tweede man geboren was. In 1988 stierf hij.

Tijdens een bezoek aan Vietnam in 1992 overleed Margaretha Ferguson onverwacht, in de nacht van 7 op 8 mei. Op 16 mei werd een herdenkingsbijeenkomst gehouden in Sociëteit De Witte in Den Haag. Later, nadat Fergusons lichaam naar Nederland was overgebracht, is zij in familiekring gecremeerd.

Naslagwerken

Van Bork/Verkruijsse; Kritisch lexicon; Levensberichten.

Archivalia

  • Letterkundig Museum, Den Haag: niet nader gecatalogiseerde archivalia, brieven en handschriften.
  • NIOD, Amsterdam: toegang KC I (Knipselcollectie Nederlands-Indië en Indonesië – Margaretha Ferguson), inv. nr. 43.

Publicaties/werken

Een selectie (behalve bovengenoemde):

  • Mammie, ik ga dood. Aantekeningen uit de Japanse tijd op Java 1942-1945 (Den Haag 1976).
  • Zeven straten en een park (Den Haag 1977).
  • Brief aan niemand. Dagboekfragmenten 1948-1984 (Den Haag 1985).

Literatuur

  • Theo Wilton van Reede, Een draad van angst. Over Japanse vrouwenkampen op Java en het leven daarna (Den Haag 1984).
  • Margaretha Ferguson, ‘Ik weet nauwelijks wat er gaat gebeuren’, in: Anja Meulenbelt red., Wie weegt de woorden. De auteur en haar werk (Amsterdam 1985) 90-110.
  • Gerard Termorshuizen, ‘In memoriam Margaretha Ferguson’, Indische Letteren 7 (1992) 82-85.
  • Corina Engelbrecht, Onder de gebroken spanten. Kleine portretten uit het Album Indië/Indonesië (Wassenaar 2002) 31-36.
  • H. Ch. Van Bemmel, ‘De jeugd van Margaretha Ferguson in Arnhem van 1920 tot 1929’, Arnhem de genoeglijkste 27 (2007) 165-170.

Illustratie

Margaretha Ferguson, door Corinne Noordenbos, 1985.

Auteur: Elizabeth Kooman

laatst gewijzigd: 14/08/2017