Wilde, Maria de (1682-1729)

WILDE, Maria de (geb. Amsterdam 7-1-1682 – begr. Amsterdam 11-4-1729), tekenares en dichteres. Dochter van Jacob de Wilde (1645-1721), hoofdcommies bij de Amsterdamse Admiraliteit, en Hendrina Veen (1658-1710). Maria de Wilde trouwde op 20-2-1710 in Amsterdam met Gijsbert de Lange (1677-1758?), commandeur-kapitein bij de Amsterdamse Admiraliteit. Uit dit huwelijk werden 2 kinderen geboren, van wie 1 dochter de volwassen leeftijd bereikte.

Maria de Wilde groeide op in een gezin met acht kinderen; twee kinderen zijn zeer jong overleden. Haar ouders waren niet onbemiddeld. In 1682 huurde haar vader Keizersgracht 333, tegenover de toenmalige schouwburg. In 1708 kocht hij het pand plus twee belendende percelen. Hun financiële armslag bleek ook uit de bedragen die de kinderen als voorschot op hun erfenis kregen: vóór 1713 ontvingen ze samen meer dan honderdduizend gulden. Bij haar huwelijk zou Maria nog negenduizend gulden meekrijgen.

Via haar moeder stamde Maria de Wilde af van Jacobus Arminius (1560-1609), naamgever der arminianen. Ook in het gezin De Wilde golden de remonstrantse beginselen. Johannes Brandt (1660-1708), predikant der remonstrantse gemeente op de Keizersgracht, was een huisvriend; zijn verjaarsgedichten geven enige informatie over Maria’s leven waarover verder nauwelijks iets bekend is. Maria heette vooral getalenteerd in tekenen, graveren en schilderen, maar zij bezat ook een gave voor zangkunst, clavecimbelspel en dichtkunst. Brandt prees haar op haar zeventiende om haar ‘zucht’ naar wetenschap. Wél raadde hij haar aan zich niet zo heftig af te zetten tegen leeftijdgenoten die zich liever bezighielden met wereldser zaken. Maria bracht veel tijd door in het kunstkabinet van haar vader, die een internationaal befaamd verzamelaar van oudheden was. Van de ruim zevenhonderd bezoekers die tussen 1690 en 1720 zijn collectie kwamen bekijken was tsaar Peter de Grote wel de beroemdste. Maria legde diens eerste bezoek, op 13 december 1697, vast in een gravure, die haar tot op de dag van vandaag beroemd maakte. Toen zij de tsaar bij zijn tweede bezoek, op 13 december 1716, een exemplaar van de gravure aanbood, schonk hij haar op zijn beurt een (ongetraceerd) juweel.

Maria de Wilde legde belangrijke delen van haar vaders collectie vast in etsen. Een eerste reeks, 55 etsen van Egyptische, Griekse en Romeinse sculpturen, werd gepubliceerd in 1700, in Signa antiqua e museo Jacobi de Wilde. Deze catalogus bezorgde haar veel eigentijdse lof. Bekende tijdgenoten als Petrus Francius, Joan Pluimer en Johannes Brandt bezongen in het Latijn of in het Nederlands haar talenten; Pieter van den Berge etste haar portret waarvoor David van Hoogstraten een bijschrift maakte. Een tweede reeks etsen van Maria’s hand, deze keer 188 afbeeldingen van antieke munten uit haar vaders verzameling, verscheen in 1703 in Gemma selecta antiqua e museo Jacobi de Wilde.

Op 7 februari 1705 trof de Duitser Andreas Lange haar tekenend aan in het kunstkabinet van haar vader. Zijn fascinatie voor haar legde hij vast in een Latijns gedicht, evenals zijn teleurstelling dat Maria niet in hem geïnteresseerd leek. Hij sprak de hoop uit dat een eventuele echtgenoot haar capaciteiten voldoende zou waarderen en respecteren. Dankzij de Nederlandse vertaling van Johannes Brandt zijn deze verzen overgeleverd (Brandt, p. 60-62). Vooralsnog leek Maria echter niet aan een huwelijk te denken. In een gedicht voor haar 25ste verjaardag in 1707 adviseerde Brandt iedereen om tegenover Maria niet over trouwen te spreken: zij was verloofd met Apollo en bracht ‘volwassen papieren kinderen’ voort. Op 20 februari 1710 evenwel trouwde Maria met Gijsbert de Lange, ter gelegenheid waarvan door David en M. van Hoogstraten, François Halma en anderen dichterlijke Bruiloftkransen gevlochten werden, met op de titelpagina afbeeldingen van Pallas’ kunstattributen voor de bruid en een krijgsuitrusting voor de bruidegom.

In datzelfde jaar 1710 verscheen anoniem het treurspel Abradates en Panthea, dat blijkens de bijgevoegde lofdichten – waarin ook haar etskunst werd bezongen – geschreven was door Maria de Wilde. Later is vooral in naslagwerken gesuggereerd dat het treurspel, geschreven in de Frans-classicistische stijl van die tijd, een vertaling was van Panthée (1637) van Tristan l’Hermite, maar het is goed mogelijk dat Maria zich (ook) had laten inspireren door de ‘Geschiedenis van Abradates en Panthea’ zoals die verspreid over de boeken 5-7 voorkomt in Cyrus’ leerjaren van Xenophon. Op de titelpagina van het treurspel prijkt een vignet met de woorden 'Sine Pallade Nihil' (niets zonder Pallas), een zinspreuk die men tot op heden aan haar toeschrijft.

Na haar huwelijk heeft Maria niets meer gepubliceerd. Haar eerste kind moet zeer kort na de geboorte, in 1716, zijn overleden want het werd naamloos begraven. In 1719 werd een dochter geboren, Jacoba Woutrina. Maria stierf toen haar dochter tien jaar was en werd bijgezet in de kooromgang van de Amsterdamse Oude Kerk, in graf 55, dat haar bij de verdeling van haar vaders nalatenschap op 11 september 1722 toegevallen was.

Postume publicaties?

Dertien jaar na haar dood, in 1742, verscheen Het swervende portret, een kluchtspel dat op de titelpagina de naam van Maria de Wilde droeg, vergezeld van haar vignet en de zinspreuk ‘Sine Pallade Nihil’. De klucht draait om een man die verliefd wordt op een gevonden portret en zijn eerdere relatie (tijdelijk) op het spel zet. Samen met Abradates en Panthea was nu het toneelwerk van Maria de Wilde compleet, zo beweert de drukker in zijn voorwoord. Er lijkt vooralsnog geen reden aan haar auteurschap te twijfelen.

De zinspreuk ‘Sine Pallade Nihil’ komt ook voor onder een bruiloftsgedicht voor Jacobus Oosterdijk en Maria Oxfort, die trouwden op 3 januari 1731 – bijna twee jaar na de dood van Maria de Wilde. Dat gedicht kan dus onmogelijk door haar geschreven zijn. Eveneens op grond van de zinspreuk zijn haar nog twee toneelstukken toegeschreven: Don Domingo Gonzales, of De man in de maan en De bekroonde boere rymer, beide uit 1755. In het laatste – dat een vertaling zou zijn van Die Poeten nach der Mode van de in 1726 (!) geboren C.F. Weisse – staan toespelingen op het eerste stuk. Al is het gebruikte titelvignet dat van Maria de Wilde, ook de spelfouten in de zinspreuk, Sine Palade Nihil respectievelijk Sine Palade Niehil, wijzen toch in de richting van een andere auteur.

Naslagwerken

Van der Aa; Elck zijn waerom; Frederiks/Van den Branden; Van Gool; Houbraken; Immerzeel; Kobus/De Rivecourt; Kramm; Lauwerkrans; Lexicon Noord-Nederlandse kunstenaressen; NBAC; NNBW; Regt; Scheen; Thieme; Verwoert; Waller; Weyerman; Wurzbach; Van Eijnden en Van der Willigen.

Werk

  • Gravure van het bezoek van tsaar Peter de Grote op 13-12-1697 aan het kunstkabinet van Jacob de Wilde, o.m. bijgebonden in Signa antiqua (1700).
  • 55 etsen van antieke sculpturen in: Signa antiqua e museo Jacobi de Wilde veterum poetarum carminibus illustrata et per Mariam filiam aeri inscripta (Amsterdam 1700).
  • 188 etsen van antieke munten in: Gemma selecta antiqua e museo Jacobi de Wilde (Amsterdam 1703).

Van de schilderijen van Maria de Wilde – portretten, historische taferelen, italianiserende landschappen – is (nog) niets teruggevonden en evenmin zijn er tot nog toe dergelijke werken aan haar toegeschreven.

Dichtwerken

  • [Maria de Wilde], Abradates en Panthea. Treurspel (Amsterdam [1710]).
  • Maria de Wilde, Het swervende portret. Kluchtig blijspel (Delft 1742).

(Ten onrechte) aan Maria de Wilde toegeschreven:

  • Don Domingo Gonzales, of De man in de maan. Klucht-spel (Amsterdam 1755).
  • De bekroonde boere rymer. Blij-spel (Amsterdam 1755).

Literatuur

  • Bruiloftkransen gevlochten voor […] Gysbert de Lange […] en Mejuffrouw Maria de Wilde, In den echt vereenigt den 20 van sprokkelmaand 1710 (Amsterdam [1710]).
  • J. Brandt, Poëzy 2 (Amsterdam 1725) 60-63, 91-92, 96-97, 105-109, 122.
  • J. Scheltema, Rusland en de Nederlanden beschouwd in derzelver wederkerige betrekkingen 2 (Amsterdam 1817) 220-221, 392.
  • I.H. van Eeghen, ‘De verzameling van Jacob de Wilde of het Museum Wildeanum op Keizersgracht 333’, Jaarboek Amstelodamum 51 (1959) 72-92.
  • J.G. van Gelder, ‘“Beelden en rariteiten” in de verzameling Valerius Röver’, Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 31 (1980) 341-354, 349-350.
  • R. van Gelder, ‘Liefhebbers en geleerde lieden. Nederlandse kabinetten en hun bezoekers’, in: E. Bergvelt en R. Kistemaker red., De wereld binnen handbereik. Nederlandse kunst- en rariteitenverzamelingen, 1585-1735 (Zwolle 1992) 259-292, 278-279 en de nrs. 204, 206, 210.
  • J. Driessen, Tsaar Peter de Grote en zijn Amsterdamse vrienden (Utrecht/Antwerpen 1996) 41-42.
  • A. de Jeu, ‘’t Spoor der dichteressen. Netwerken en publicatiemogelijkheden van schrijvende vrouwen in de Republiek (1600-1750) (Hilversum 2000).

Illustraties

  • Portretgravure, door Pieter van den Berge, onderschrift D. van Hoogstraten, ongedateerd (Rijksmuseum, Amsterdam).

  • Bezoek van tsaar Peter de Grote op 13 december 1697. Uit: Signa Antiqua (1700) (Foto: UB Utrecht).

Auteur: W.R.D. van Oostrum

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 419

laatst gewijzigd: 13/01/2014