Winter, Lucretia Johanna van (1785-1845)

WINTER, Lucretia Johanna van (geb. Amsterdam 15-4-1785 – gest. Amsterdam 28-2-1845), kunstverzamelaarster. Dochter van Pieter van Winter (1745-1807), koopman, en Anna Louisa van der Poorten (1742-1800). Lucretia Johanna van Winter trouwde op 13-2-1822 in Amsterdam met Hendrik Six (1790-1847). Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren, van wie de dochter jong overleed.

Lucretia Johanna van Winter, in de wandeling Creejans genoemd, was het oudste kind van de zeer gefortuneerde Pieter van Winter en diens tweede vrouw, Anna Louisa van der Poorten. Ze had een broer, Josua Jacob (1788-1840), en een zuster, Anna Louisa Agatha (1793-1877), meestal Annewies genoemd. Ze had ook twee halfzusjes, kinderen uit haar moeders eerdere huwelijk. Haar vader, zoon van de koopman-dichter Nicolaas Simon van Winter en Johanna Muhl (dochter van de dichteres Agatha Sena), voerde samen met zijn oom Jacob Muhl de directie over een florerende handelscompagnie. Lucretia Johanna was vernoemd naar haar grootmoeder Muhl en haar vaders stiefmoeder, de dichteres Lucretia Wilhelmina van Merken. Zij en haar broer en (half)zussen groeiden op in rijkdom en temidden van vooral zeventiende-eeuwse schilderijen. Hun vader bracht een verzameling van uitzonderlijk hoge kwaliteit bijeen, waaronder werken van Rembrandt, Johannes Vermeer, Jan Steen, Frans van Mieris en vele andere meesters. Deze collectie, die uiteindelijk zo’n 180 werken zou omvatten, was ondergebracht in een galerie achter het huis waar de familie Van Winter woonde: Saxenburg aan de Amsterdamse Keizersgracht (nr. 224).

Creejans van Winter was vijftien toen eind december 1800 haar moeder overleed. Aangezien haar halfzuster Cornelia Christina (Ceetje) van Orsoy (1778-1816) dat jaar getrouwd was met David Jacob van Lennep, telde het gezin nu vier kinderen. Vader Van Winter is niet hertrouwd. Hij stierf enige jaren later, in april 1807. Volgens zijn testament moest zijn schilderijenverzameling intact blijven totdat de jongste van zijn eigen drie kinderen meerderjarig (25 jaar) was dan wel getrouwd. Daarna mochten ze de verzameling naar eigen goeddunken onder elkaar verdelen. Enkele familieleden kregen de voogdij over de drie nog minderjarige kinderen, en hun halfzuster Hillegonda Josina (Gonne) van Orsoy (1775-1830) nam de dagelijkse zorg voor hen op zich. In 1808 werd de 23-jarige Lucretia Johanna ‘venia aetatis’ (verklaring van meerderjarigheid) verleend. Het jaar daarop trouwde haar broer Josua en vooruitlopend op de definitieve afwikkeling van hun vaders erfenis kreeg hij Saxenburg toegewezen. Creejans, Annewies en Gonne verhuisden naar het buitenhuis Voorland, een familiebezit in de Watergraafsmeer.

Verzamelaarster

Het buitenleven beviel Lucretia van Winter niet en in 1809 kocht ze een huis aan de Herengracht (nr. 440). Ze overreedde Gonne, die Voorland zeer prettig vond, en haar zus Annewies om bij haar te komen wonen. Er brak een leven aan van visites, uitstapjes, bezoeken aan muziek- en toneeluitvoeringen, en bezoeken aan Ceetje en David van Lennep op hun landhuis bij Haarlem. Ook ging Lucretia regelmatig een kijkje nemen bij haar vaders schilderijencollectie, die zich nog steeds – onverdeeld – in huis Saxenburg bevond. Blijkbaar had ze daar een meer dan voorbijgaande belangstelling voor, want in 1810 ging ze zelf kunst kopen. Totdat haar vaders erfenis geregeld was, deed ze dat in het geheim (Priem, 140, 145). Als haar agent en adviseur trad Jeronimo de Vries op die als directeur van het Koninklijk Museum (nu Rijksmuseum) vele connecties in de kunstwereld had. Waarschijnlijk was hij al lange tijd bevriend met de familie Van Winter.

Tussen 1810 en 1820 verwierf Creejans van Winter enkele tientallen schilderijen, waaronder werken van Nicolaas Berchem en Johannes Vermeer (‘Het melkmeisje’). Behalve belangstelling voor schilderkunst had ze volgens haar broer ook ‘veel verstand [en] kunde van printen, schilderijen, poëzie en literaturen’ (gecit. Priem, 168). Eind 1814 had zus Annewies trouwplannen en dat betekende dat hun vaders erfenis definitief verdeeld kon worden. Broer Josua liet zijn deel (eenderde) van de schilderijencollectie aan zijn zusters tegen een uitkoopsom van vijftigduizend gulden. Eind 1815 trouwde Anna Louisa van Winter met jonkheer Willem van Loon, maar pas in de loop van 1817 kwamen de zusters Van Winter tot een vergelijk over de verdeling van hun vaders kunstverzameling. In 1818, toen de verdeling van Pieter de Winters nalatenschap rond was, liet Creejans al haar schilderijen overbrengen naar haar eigen huis op de Herengracht.

In de daaropvolgende jaren bleef ze werken toevoegen aan haar collectie. De laatste aankoop op haar naam vond plaats in 1820 en betrof een bloemstilleven van Rachel Ruysch (Priem, 188). In februari 1822 trouwde Lucretia van Winter, 37 jaar oud, met jonkheer Hendrik Six (van Hillegom). Haar collectie van 171 schilderijen – waarvan 76 door haarzelf gekocht – werd bij de verzameling van haar man gevoegd, en nieuwe aankopen staan sinds hun huwelijk altijd op Six’ naam.

Het echtpaar Six-van Winter ging in het huis van de bruidegom aan de Herengracht (nr. 509-511) wonen. Hun eerste kind, een dochtertje, stierf in 1823 vijf dagen na de geboorte. In 1824 volgde een zoon, Jan Pieter, en in 1827 een tweede, Pieter Hendrik. Als kunstverzamelaarster verdween Creejans van Winter uit het publieke oog, maar het is meer dan waarschijnlijk dat ze een belangrijke rol is blijven spelen bij de kunstaankopen van haar man. Lucretia Johanna van Winter overleed in 1845, nog vóór haar zestigste verjaardag.

De collectie Van Winter valt uiteen

Twee jaar na zijn vrouw overleed Hendrik Six, waarna de kunstcollectie Six-van Winter vererfde op hun twee zoons. De collectie bleef in haar geheel in het huis aan de Herengracht. Jan Six, zoon van de in 1899 overleden Jan Pieter en dus kleinzoon van het echtpaar Six-van Winter, liet in 1900 een deel van de familiecollectie tentoonstellen in het Amsterdamse Stedelijk Museum. Bij 46 van de 170 nummers die de door hem samengestelde catalogus telt, staat aangegeven dat ze afkomstig zijn uit de collectie Van Winter. Volgens Priem gold dat voor zeker 106 nummers (Priem, 189). Hoe dat ook zij, Jan Six verdoezelde het Van Winter-aandeel in de collectie niet. Dat blijkt ook uit zijn korte inleiding waar hij het aandeel van Lucretia Johanna van Winter – en haar vader – uitdrukkelijk vermeldt.

Na de dood in 1905 van de tweede zoon van het echtpaar Six-van Winter, Pieter Hendrik, wilden de erven Six zestig schilderijen uit de verzameling verkopen. De Nederlandse kunstwereld tekende daartegen protest aan, wellicht indachtig de teloorgang, voor Nederland, van de andere helft van de Van Winter-collectie. Het door Annewies van Winter geërfde deel was immers na haar dood in 1877 door haar tien kinderen voor anderhalf miljoen gulden aan Gustave baron de Rothschild in Parijs verkocht. In ieder geval kwam de Vereeniging Rembrandt nu in actie om ten minste ‘Het melkmeisje’ van Vermeer – ooit door Creejans van Winter zelf gekocht – in Nederland te houden. De erven Six zetten de vereniging voor het blok: of de Vermeer plus 38 andere schilderijen (voor 750.000 gulden) of niets. Zo zorgde ‘Het melkmeisje’ in 1907 voor heftige debatten in en buiten het parlement: was ze het waard en moest de staat wel zoveel geld voor haar uitgeven? Uiteindelijk is daartoe besloten en alle 39 schilderijen kwamen terecht in het Rijksmuseum. Daarvan waren er liefst 32 afkomstig uit de Van Winter-collectie, zoals de ‘Serenade’ van Judith Leyster (Priem, 189-190).

In 1921 en 1928 kwam de rest van de Six-van Winter verzameling onder de hamer. Uiteindelijk bleven slechts enkele schilderijen uit de verzameling van vader en dochter Van Winter achter in de Six-verzameling (nu Six Foundation). In 1990 doneerden de erven van Pieter Jan van Winter, achterkleinzoon van Creejans broer Josua, twee portretten aan de Six Foundation, namelijk van Creejans’ ouders, Pieter van Winter en Anna Louisa van der Poorten.

Naslagwerken

Van Eijnden en Van der Willigen.

Archivalia

  • Stadsarchief Amsterdam: DTB, Dopen 135 (Waalse kerk), 530 [Van Winter]. BS, Huwelijken 1822, dl. 2, 44r [Van Winter en Six]. BS, Overlijden 1845, dl. 2, 38r [Van Winter].
  • Het privé-archief van de familie Six (Amsterdam) bezit een schat aan documenten (brieven, inventarissen, enz.) betr. Lucretia Van Winter. Zie verder het artikel van Priem.

Literatuur

  • J. Six, Catalogus der verzameling schilderijen en familieportretten van de heeren jhr. P.H. Six van Vromade, jhr. dr. J. Six en jhr. W. Six (Amsterdam 1900).
  • Ben Broos, Great Dutch paintings from America. Tentoonstellingscatalogus Mauritshuis, Den Haag / Fine Arts Museums of San Francisco (Zwolle 1990) 153-156, 295-296.

  • Arthur K. Wheelock jr. ed., Johannes Vermeer. Tentoonstellingscatalogus Mauritshuis, Den Haag / National Gallery of Arts, Washington D.C. (Zwolle 1995) 105, 111-112.
  • Ruud Priem, ‘The “most excellent collection” of Lucretia Johanna van Winter: the years 1809-1822, with a catalogue of the works purchased’, Simiolus 25 (1997) 103-235 [op 197-217 een catalogus van door Lucretia van Winter gekochte oude meesters].

Illustratie

Portret door Alexandre Jean Dubois Drahonet, 1825 (coll. Six Foundation, Amsterdam). Uit: Priem, ‘The most excellent collection’.

Redactie

laatst gewijzigd: 13/01/2014