Woesthoven, Maria Petronella (1760-1830)

WOESTHOVEN, Maria Petronella (geb. Dantumawoude, Friesland 25-10-1760 - gest. Amsterdam 26-1-1830), dichteres. Dochter van Johannes Woesthoven (1722-1794), kornet in het Staatse leger, en Wiepke Jacobs (gest. 1766). Maria Petronella trouwde in 1785 in Amsterdam (ondertrouw 4-3-1785) met Samuel Elter (1757-1808), notaris. Op 18-3-1803 werd de echtscheiding uitgesproken. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren.

Maria Woesthoven bracht haar jongste jaren door in Dantumawoude (ook: Damwoude), waar haar ouders sinds 1756 woonden. Zij had een oudere broer, Johannes Jacobus, en een jongere zus, Catharina Rebecca; een tweede, ook ouder broertje was jong gestorven. In 1764 vertrok het gezin naar het westen van de Republiek. Drie jaar later – Maria was zes – overleed de moeder, in verwachting van haar vijfde kind. Vanwege vaders militaire loopbaan verhuisde het gezin Woesthoven regelmatig. Het woonde achtereenvolgens in Den Haag, Oostzanen en Wageningen, waar vader Johannes in 1772 majoor werd.

Maria’s vader hertrouwde in 1767 met de Haagse Hendrika Bloemendaal. Deze vrouw zorgde ervoor dat Maria en Catharina huisonderwijs kregen in Engels, Frans en Duits en tevens in geschiedenis en letterkunde. Maria, aanvankelijk een trage leerlinge, bekwaamde zich later in Amsterdam in de wiskunde. Waarschijnlijk woonde zij toen in bij familie van haar vader. Haar leraar was Gerrit Brender à Brandis, oprichter van het Amsteldamse Dicht- en Letteroefenend Genootschap, waarvan zij in 1786 lid zou worden. Van de Utrechtse hoogleraar wiskunde, Jan Frederik van Beeck Calkoen, kreeg zij onderwijs in de sterrenkunde.

Huwelijk

Maria Woesthoven trouwde in 1785 met de Amsterdamse notaris Samuel Elter, ruim drie maanden voordat haar zuster Catharina met Willem Bilderdijk zou trouwen. Het echtpaar Elter-Woesthoven was welgesteld, getuige het feit dat zij bij hun ondertrouw in de hoogste belastingklasse werden aangeslagen. Het huwelijk werd in gemeenschap van goederen gesloten. De eerste twaalf jaar van haar huwelijk bleef Woesthoven kinderloos. Vanaf 1795, toen haar zwager Bilderdijk – zonder zijn vrouw – in ballingschap was gegaan, droeg zij de zorg voor de opvoeding van Louise Sibilla, de dochter van Catharina Woesthoven en Willem Bilderdijk. De redenen voor dit arrangement zijn onbekend. In het najaar van 1797 liet Bilderdijk het meisje echter naar Brunswijk overkomen.

In mei 1797 kreeg Maria Woesthoven een zoon, Frederik Joannes Bruinvis (gest. 1871), over wie zowel de vader als de moeder opgetogen brieven schreven aan Bilderdijk. Zo schreef zij over het kraambezoek van Jan van Heekeren, een jonge arts die ze vermoedelijk kende van het Leidse dichtgenootschap Kunst Wordt door Arbeid Verkregen. In de jaren dat Woesthoven de jaarvergaderingen van dit genootschap bezocht, was hij honorair lid. De vreugde over de geboorte van dit kind duurde voor Samuel Elter slechts enkele jaren. In 1800 begon hij een echtscheidingsproces waarin hij zijn vrouw betichtte van overspel. In de vele stukken die in het proces een rol speelden, verweten de echtgenoten elkaar over en weer allerlei zeer slecht en schandelijk gedrag. Samuel zou Maria veel hebben mishandeld en Maria zou omgang met andere mannen hebben gehad. Uiteindelijk werd op 18 maart 1803 de echtscheiding uitgesproken – met Samuel als onschuldige partij. Maria moest onder ede verklaren dat ze geen relatie met Jan van Heekeren had gehad, maar zo’n eed heeft zij niet afgelegd. Zoon Frederik, bijna zes jaar oud, bleef bij zijn moeder, hetgeen opmerkelijk is aangezien zij bij de echtscheiding was aangewezen als de schuldige partij en deze meestal niet de kinderen mocht opvoeden. Maria Woesthoven is nooit hertrouwd.

Werk en maatschappelijk engagement.

Maria Woesthoven was in haar tijd een gevierd dichteres. Ze werd door haar tijdgenoten geroemd en won met haar gedichten verschillende prijzen. Van het Amsteldamse Dicht- en Letteroefenend Genootschap werd ze in 1786 samen met haar man lid. Aan de bijwoning van haar eerste vergadering wijdde ze het gedicht ‘Zangerin’, waarin ze haar aanwezigheid beschrijft als ‘heldenmoed’ – een vrouw op een vergadering was nog allerminst gangbaar. Van het genootschap Kunst Wordt door Arbeid Verkregen (KWDAV) was ze zelfstandig lid. Tussen 1790 en 1794 bezocht Woesthoven er diverse jaarvergaderingen en in 1793 en 1794 bracht ze het tot lid van de beoordelingscommissie. Waarschijnlijk is zij de enige vrouw van haar tijd die zo hoog in de hiërarchie van een Nederlands genootschap is doorgedrongen. Op dat moment had ze haar sporen al verdiend en waren velen ervan overtuigd dat zij niet alleen kon dichten maar ook in staat was zich als vrouw een mening te vormen over maatschappelijke kwesties. In 1787 had ze in dat opzicht haar visitekaartje reeds afgegeven met het gedicht ‘De lof der vaderlandsche zeevaart’, waarin ze idealen als vrijheid, rijkdom, religie, heldenmoed en beschaving bejubelde. Het ‘Amsteldamse’ dichtgenootschap bekroonde deze inzending in datzelfde jaar met goud.

Woesthoven zou zich steeds bij de politieke zaak en de lotgevallen van haar land betrokken voelen. Naar aanleiding van een Duits krantenartikel over een gravin Ross die zich in 1812 in Warschau zou hebben beijverd voor ‘de Hollandse zaak’, schreef ze in 1817 in het tijdschrift De Recensent ook der Recensenten een lang artikel over haar en wijdde ze ook een gedicht aan haar heldhaftig leven. Mogelijk voelde Woesthoven enige verwantschap met deze gravin, die net als zij gescheiden was en alleen met haar zoon leefde. Woesthovens antwoord op de prijsvraag ‘De invloed van een vast geloof aan de voorzienigheid’ (1789) werd door KWDAV bekroond met een zilveren penning. In 1788 had het genootschap Kunstliefde Spaart Geen Vlijt haar gedicht ‘De mens geschikt voor de eeuwigheid’ ook al met zilver beloond. In de doopsgezinde bundel Christelijke gezangen voor de openbare godsdienst (1796) werden zeventien geestelijke liederen van haar hand opgenomen. Verder schreef zij regelmatig gedichten voor diverse almanakken, waaronder de Almanak van Vernuft en Smaak, de Almanak voor Vrouwen door Vrouwen en de Almanak voor Jonge Heeren en Juffrouwen.

Woesthoven onderhield uitgebreide briefwisselingen. Soms schreef ze die brieven in rebusvorm. Sommige brieven zijn in geheimschrift dat, voor zover de brieven uitgegeven zijn, is ontraadseld. Bekend zijn vooral haar brieven aan haar zwager Bilderdijk over allerlei familiezaken, zoals de opvoeding van Louise Sibilla. Met hem correspondeerde ze over letterkundige aangelegenheden en tijdens zijn verblijf buitenslands corrigeerde ze zijn drukproeven. Andere bekende achttiende-eeuwse literatoren met wie zij correspondeerde waren Johannes Kinker, die tevens haar advocaat was, en Pieter Nieuwland. Met de dichteres Johanna Elisabeth van de Velde-Helmcke was zij goed bevriend.

Na haar dood in 1830 raakte het werk van Maria Petronella Woesthoven, zoals zij zich na haar echtscheiding weer was gaan noemen, vergeten. Haar zoon, die als ‘onnozel’ (simpel) bekend staat, was niet bij machte voor zijn moeders poëtische nalatenschap te zorgen. Het was een goede bekende van Woesthoven, de notaris en dichter uit liefhebberij J.M. Pfeil, die in 1859 een bundel van haar dichtwerk bezorgde. In het woord vooraf wees de dichter J.J.L. ten Kate erop dat Woesthovens poëzie steeds in verzamelbundels tussen werk van anderen terecht was gekomen en daardoor gevaar liep in de vergetelheid te geraken. Daarom beval hij de bundel in ieders aandacht aan. Het feit dat zij in 2005 werd genomineerd als een van de ‘grootste Dantumadelers’ bewijst dat Maria Petronella Woesthoven niet geheel vergeten is.

Naslagwerken

Van der Aa; Lauwerkrans; NNBW.

Archivalia

Stadsarchief Amsterdam: toegang 5061 (Rechterlijk Archief), inv. nr. 1539, procureur Testas d.d. 9-9-1800; inv. nr. 1540 procureur Testas d.d. 7-11-1800, inv. nr. 1986, fol. 117v-118;  inv. nr. 2061, fol. 114v.

Werk

  • Maria Petronella Woesthoven, ‘De verlossing van ons vaderland. Krachtdadig door eene edele Hollandsche vrouw buiten ’slands bevorderd’, De Recensent ook der Recensenten dl. 7, 2e stuk (1814) 273-278.
  • Gedichten van mevrouw Maria Petronella Elter, geboren Woesthoven, J.M. Pfeil ed. (Utrecht 1859).

Literatuur

  • J.M. Pfeil, ‘Maria Petronella Elter, geboren Woesthoven’, Astrea 2 (1857) 256-260.
  • J.G. Frederiks, ‘Woesthoven’, De Nederlandsche Spectator 38 (1888) 1-8.
  • Mr. W. Bilderdijk’s briefwisseling 1795-1797, J. Bosch, H.W. Groenevelt en M. van Hattum ed. (Utrecht 1988).
  • Marleen de Vries, ‘Dichten is zilver, zwijgen is goud. Vrouwen in letterkundige genootschappen 1772-1800’, De Achttiende Eeuw 31 (1999) 187-213.

Illustratie

Portret, door Leonardus Temminck, ongedateerd (Bilderdijk Museum, Amsterdam / foto Alfred van Weperen).

Auteur: Dini Helmers

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 581

laatst gewijzigd: 13/01/2014