Wolffers, Rebecca (1891-1961)

 
English | Nederlands

WOLFFERS, Rebecca, vooral bekend als Betsy Kiek-Wolffers (geb. Rotterdam 14-6-1891 – gest. Amsterdam 9-1-1969), actrice, zakenvrouw, presidente Unie van Vrouwelijke Bedrijfshoofden. Dochter van Maurits Wolffers (1864-1937), handelsreiziger, en Sara Schnitzler (1864-1942). Betsy Wolffers trouwde op 27-8-1914 in Amsterdam met Jacob Hijman Kiek (1870-1951), horlogemaker. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren.

Betsy Wolffers groeide op als enig kind in een joods gezin aan de Johan van Oldebarneveldtstraat in Rotterdam. Ze kreeg privéles van de actrice Alida Tartaud-Klein en werd in 1908 aangenomen op de Toneelschool in Amsterdam. Een jaar later debuteerde ze al bij het Rotterdamsch Toneelgezelschap: ze speelde de titelrol van Mariëtta, een komedie van Giacinto Gallina, en oogstte grote bewondering voor haar levendige en frisse spel. Daarna bleef ze voornamelijk komisch repertoire spelen. In de zomer van 1912 stapte Wolffers over naar het Nederlandsch Tooneel, dat in Den Haag zijn thuisbasis had. Ze verhuisde naar een woning in de Johannes Verhulststraat (nr. 9) in Amsterdam, waar het Nederlandsch Tooneel ook regelmatig optrad. Wolffers speelde onder meer in Marguerite Gauthier (naast hoofdrolspeelster Theo Mann-Bouwmeester), Gijsbrecht van Aemstel en De fabrieksbaas (beide met Rika Hopper), en Een florentijnsche tragedie, waarin oud-lerares Tartaud-Klein een van haar tegenspeelsters was.

Oorlog

In augustus 1914 trouwde Betsy Wolffers met de eveneens joodse Jaap Kiek, die samen met zijn vader een horlogezaak dreef in de Amsterdamse Leidsestraat – een jaar later werd zoon Robert Herman Jacq geboren. Door haar huwelijk kwam de toneelcarrière van Kiek-Wolffers op een laag pitje te staan. Ze nam de administratie op zich van de firma H. Kiek & Zn en vergezelde haar man bij zijn bezoeken aan horlogebeurzen in Zwitserland. Toch bleef Kiek-Wolffers naast haar werk voor het bedrijf van haar man betrokken bij de toneelwereld. In 1921 had ze een rol bij het Hollandsch Toneel in De wandelende jood en in 1923 toerde ze met een gezelschap rond actrice Rika Hopper door Nederland met het Tolstoi-stuk Opstanding. Verder trad Kiek-Wolffers in de jaren twintig regelmatig op met het amateurgezelschap van de rederijkerskamer Jan van Beers uit Utrecht. In de jaren dertig vertaalde ze toneelstukken voor toneelgezelschap Het Masker.

In 1940 vluchtte Kiek-Wolffers met man en zoon voor de Duitse bezetter naar Londen, waar Robert ging werken als oorlogsverslaggever voor Radio Oranje en het ANP. Betsy Kiek-Wolffers maakte er kennis met Caroline Haslett, initiatiefneemster van de International Women Service Groups: organisaties van gevluchte vrouwen die zich vanuit Engeland wilden inzetten voor hulp aan de geallieerden en de bevrijding van hun eigen land. De Nederlandse minister van Sociale Zaken, Jan van den Tempel, stelde haar aan als vertegenwoordigster van Nederland in het bestuur van de International Women’s Service Groups. In deze kringen van Engelandvaarders werd in 1942 de Bond van Nederlandsche Vrouwen in Groot-Brittannië opgericht – Kiek-Wolffers was een van de negen bestuursleden. Of ze wist dat haar moeder datzelfde jaar in Auschwitz werd vermoord, is onbekend.

Unie van Vrouwelijke Bedrijfshoofden

Toen het echtpaar Kiek-Wolffers na de Bevrijding naar Amsterdam terugkeerde, heropende ze hun horlogewinkel, die ze geplunderd hadden aangetroffen. In 1951 overleed Jaap Kiek en kreeg Betsy Kiek-Wolffers de leiding over de firma. Een vrouw aan het roer van een onderneming was weliswaar nog vrij ongebruikelijk, maar al sinds de jaren dertig kende Nederland een Bond van Werkende Vrouwen (later de Nederlandse Bond van Vrouwen werkzaam in Bedrijf en Beroep), die zich inzette voor de belangenbehartiging van werkende vrouwen. Kiek-Wolffers werd hiervan afdelingsbestuurslid en ook raakte ze betrokken bij de in 1950 opgerichte Unie van Vrouwelijke Bedrijfshoofden, de Nederlandse tak van het internationaal opgezette netwerk Femmes Chefs d’Entreprise Mondials (FCEM): eerst als bestuurslid en van 1958 tot 1969 als presidente. Ook was ze jarenlang lid van het bestuur van de FCEM.

Als hoofd van de Unie streed Kiek-Wolffers onder meer voor gelijkberechtiging van werkende vrouwen, een betere opleiding voor meisjes (met name in de technische en economische sector) en voor een grotere arbeidsparticipatie van gehuwde vrouwen. Zelf zei ze over het lobbywerk: ‘Als vereniging zijn wij natuurlijk niet zo verschrikkelijk machtig, dat wij alles meteen naar onze hand kunnen zetten. Het is meer een kwestie van “frappez toujours”, blijf er op hameren! Hoe meer mensen gaan uitdragen waarin wij geloven, hoe meer kans er bestaat dat onze wensen eens werkelijkheid worden’ (De Telegraaf, 4-11-1960). Betsy Kiek-Wolffers bleef tot aan haar dood actief voor de Unie van Vrouwelijke Bedrijfshoofden. Ze stierf op 9 januari 1969 op 77-jarige leeftijd in Amsterdam.

Betekenis

Betsy Kiek-Wolffers ontwikkelde zich in Engeland en later ook in Nederland tot een voorvechtster van de vrouwenzaak. Door haar vanzelfsprekende vakkundige leiding van de horlogefirma van haar man maar vooral door haar inzet voor een (inter)nationale vrouwenorganisatie was ze van grote betekenis voor de acceptatie van de zelfstandige, werkende vrouw in Nederland. In 1962 werd ze vanwege haar werkzaamheden voor de Unie van Vrouwelijke Bedrijfshoofden benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau en twee jaar later tot Chevalier de l’Ordre de l’Economie Nationale Française.

 

Naslagwerken

Honig; Coffeng; Joden in Nederland.

Literatuur

  • Rotterdamsch Nieuwsblad, 21-10-1909.
  • Geldersche en Nijmeegsche Courant, 2-4-1912.
  • Het Nieuws van den Dag. Kleine courant, 18-3-1914.
  • Nieuw Israelitisch Weekblad, 30-1-1920.
  • Arnhemsche Courant, 19-4-1920.
  • Amersfoortsch Dagblad/De Eemlander, 21-4-1923.
  • ‘Vrouwen werkzaam in bedrijf en beroep congresseren te Scheveningen’, Algemeen Handelsblad, 21-6-1951 [interview].
  • ‘De vrouw zwaait de scepter’, De Telegraaf, 4-11-1960 [interview].
  • ‘Meisjes in de techniek. Sexe bestaat niet meer voor beroepen in Europa’, Zeeuwsch Dagblad, 5-3-1962 [interview].
  • ‘Van gehuwde vrouwen heeft 3 pct een baan’, Nieuwe Leidsche Courant, 28-5-1962.
  • W.H. Posthumus-van der Goot en Anna de Waal red., Van moeder op dochter. De maatschappelijke positie van de vrouw in Nederland vanaf de Franse tijd (Nijmegen 1977 [herdr.])  315-316.

Illustratie

 Betsy Wolffers, door onbekende fotograaf, 1913 (Joods Historisch Museum).

 

 

Auteur: Marieke Smulders

 

 

laatst gewijzigd: 30/03/2021

De datum onder dit biografisch lemma geeft aan wanneer er voor het laatst aanvullingen en/of correcties in het stuk zijn doorgevoerd. Met ingang van 2023 is het project afgesloten.