Pee, Henriëtta van (1692-1741)

PEE, Henriëtta van, vooral bekend als Henriëtta Wolters-Van Pee (geb. Amsterdam 5-12-1692 – gest. Haarlem 3-10-1741), miniatuurschilderes. Dochter van Theodorus van Pee (1668-1746), schilder en kunsthandelaar, en Cornelia Pieters van Bassevelde. Henriëtta van Pee trouwde op 20-4-1719 in Amsterdam met Hermanus Wolters (1682-1755), een schildersleerling van haar vader. Het huwelijk bleef kinderloos.

Henriëtta was afkomstig uit een familie die al drie generaties kunstschilders en -handelaars had voortgebracht: ook haar grootvader Jan van Pee (ca. 1640-1710) en overgrootvader Emanuel van Pee (ca. 1600-1657) waren werkzaam geweest als kunstschilder en kunsthandelaar. Al op haar zevende jaar, zo schrijft Van Gool, zou Henriëtta ‘trek tot de schilderkunst’ hebben gehad, wat niet verwonderlijk was omdat ‘de geneigdheid tot kunsten en wetenschappen veelmaals overgaat van ouder tot kinderen’. Een onbekende ‘liefhebber’ van Henriëtta van Pee werpt echter een ander licht op deze zaak: de kleine Henriëtta werd op haar zevende door haar vader tegen haar wil aan de tekentafel gezet, met weinig resultaat. Henriëtta ging meestal huilend aan het werk en had al op haar tiende alle lust tot tekenen verloren. Haar talent werd ‘gered’ doordat een van haar vaders schildersleerlingen, Hermanus Wolters, dit gehuil niet kon aanhoren en haar net zolang hielp tot zij er toch plezier in kreeg (Archief Van der Willigen). Jaren later trouwde Henriëtta met deze Herman Wolters, die zich hierna voornamelijk bezighield met de kunst- en schilderijenhandel van zijn schoonvader. Ook zou hij Henriëtta hebben geholpen met het ‘bijwerk’ - het schilderen van de ‘grovere’ delen van de kleding - op haar portretten.

Miniaturen in opdracht

Behalve van haar vader zou Henriëtta ook les gehad hebben van de beeldhouwer en schilder Jacob Christoffel LeBlon (1670-1741). Nadat zij enkele van zijn miniaturen had gezien, wilde zij zich die kunst ook eigen maken. Henriëtta begon met het maken van kopieën in miniatuur van bestaande schilderijen. Later legde zij zich toe op het miniatuurschilderen naar levend model. In opdracht van verschillende juweliers schilderde zij miniatuurportretten voor broches en braceletten. Daarvoor moest men twintigmaal twee uren voor haar poseren en volgens Van Gool nam zij niemand aan die niet bereid was om zo lang model te zitten. Haar miniaturen vielen in de smaak bij de notabelen uit de omgeving, van wie zij er velen heeft geschilderd. De prijzen van haar portretten waren voor die tijd enorm hoog, variërend van zestig tot vierhonderd gulden. Hoe kleiner het portretje, hoe hoger de prijs.

Henriëtta Wolters-Van Pee was uitzonderlijk omdat zij als professionele kunstenares in opdracht van klanten schilderde en daar veel geld mee verdiende. Door haar portretkunst verwierf zij zoveel bekendheid dat zelfs vorstelijke personen van buitenlandse hoven naar haar atelier kwamen om hun beeltenis te laten schilderen. Als we Van Gool mogen geloven, deed de Russische tsaar Peter de Grote in 1717 haar bij zijn bezoek aan Amsterdam het aanbod om hofschilderes te worden tegen een jaarloon van zesduizend gulden. Henriëtta wees zijn voorstel van de hand omdat zij haar vaderland niet wilde verlaten en omdat haar godsdienstige overtuiging – zij was doopsgezind – niet ‘gepaard kon gaan met het woelige en slaafse hofleven’. Ondanks deze weigering liet de tsaar haar drie prinsen uit zijn gevolg portretteren.

Eenzelfde verhaal wordt verteld over een bezoek van Frederik Willem, koning van Pruisen. Deze had een door Henriëtta geschilderd portret van de graaf van Lottum gezien dat hem zo beviel dat hij tijdens zijn verblijf in Amsterdam incognito bij haar op bezoek ging. Hij vroeg haar om aan het hof te Berlijn te komen schilderen, maar zij weigerde. Zij zou hem hebben gezegd dat zij en haar man slechts eenvoudige lieden waren die niet konden dienen aan een hof: ‘omdat rondborstige waarheid daar geen plaats had en dat noch zij noch haar man de kunst van vleien verstonden, noch bekwaam waren zich met hoofse streken te behelpen, en, om al deze onvermijdelijke zeden van het slaafse hofleven te ontgaan, een vast besluit genomen had nooit haar dagen te eindigen aan enig hof, aangezien zij haar vrijheid veel te lief had’ (Van Gool, De Nieuwe Schouwburg 185).

Omstreeks 1734/35 verbleef Henriëtta een jaar in Den Haag, waar zij aanzienlijke lieden portretteerde. Daarna keerde zij terug naar Amsterdam. In 1739 nam het echtpaar Wolters-Van Pee zijn intrek in een huisje in het Vergrote of St-Joris proveniershuis te Haarlem. Schilderen was nu voor Henriëtta slechts een tijdverdrijf geworden, want vanwege haar zwakke gezondheid had zij veel rust nodig. Op 3 oktober 1741 stierf Henriëtta aan een oude kwaal, ‘een benauwde hoest, veeltijds de algemene ziekte der al te vlijtige letteroefenaars, kunstschilders en kunstschilderessen’, aldus Van Gool. Zij was 49 jaar oud geworden.

Waardering

Vele lofdichten zijn er door tijdgenoten geschreven op Henriëtta. Weyerman schrijft in zijn Levensbeschrijvingen over haar als ‘een wonder’ en is vol lof over haar schilderkunst: ‘Haar penseel is licht, vloeiend en mals, en een groot karakter van geest, waarheid en verhevenheid, straalt door alle haar welgetroffen personages’. Van Gool noemt haar schilderstukjes ‘kunstjuwelen’. Bovendien was zij ‘van een bijzonder vriendelijke aard’. In het archief van Adriaan van Willigen bevindt zich een schrift met lofdichten op ‘de weergaloze kunstenares’ Henriëtta Wolters-Van Pee, waarin zij niet alleen wordt geprezen om de levensechtheid van haar werk, maar ook om haar deugdzaamheid. Deze dichters laten verwondering blijken over het feit dat een vrouw zo goed kan schilderen: ‘Sta vreemdeling, en met verwondering aanschouw! Natuur door konstgewrocht, der handen van een vrouw’ en ‘Dit’s mannenwerk van vrouwenhanden’.

De roem van Henriëtta Wolters-Van Pee heeft tot in de negentiende eeuw voortgeduurd, al moet hierbij vermeld worden dat zij voornamelijk wordt gememoreerd om haar contacten met buitenlandse vorsten, de hoge prijzen van haar werk en haar deugdzaamheid, en niet zozeer om haar schilderkunst. Haar portretten werden door latere kunstkenners minder gewaardeerd dan door haar tijdgenoten. Het feit dat A. Staring in 1922 haar werk kwalificeerde als ‘angstig nauwkeurig afgewerkt’ en ‘slecht geproportioneerd’ is in dat opzicht veelzeggend genoeg (‘Het portret in Nederland’, Oud-Holland 40 (1922) 80).

Naslagwerken

Van der Aa; Descamps; Van Gool; Immerzeel; Kobus/De Rivecourt; Kramm; NNBW; Regt; Thieme; Verwoert; Weyerman; Würzbach.

Archivalia

Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, Den Haag: Archief van Adriaan van der Willigen, Aantekeningen betreffende diverse meesters, o.a. betreffende Henriëtta Wolters-Van Pee.

Werken

Werken van Wolters-Van Pee bevinden zich onder andere in het Rijksmuseum, het Amsterdams Historisch Museum, Kasteel Sypesteyn, het Prentenkabinet van de Universiteit van Leiden en het Rijksprentenkabinet.

Literatuur

  • J. van Reyn, ‘Henriëtte Wolters, geboren Van Pee’, in: Idem, Nederlandsche vrouwen van vroeger en later tijd (Rotterdam 1863) 127-134.
  • Peter Ringoir, ‘Henriëtte Wolters-van Pee, een Amsterdamse die geen blad voor de mond nam’, Ons Amsterdam (1928).
  • Astrid de Beer, ‘Henriëtta Wolters-Van Pee (1692-1741), schilderes van miniaturen’, in: E. Kloek, C. Peters Sengers en E. Tobé red., Vrouwen en kunst in de Republiek. Een overzicht (Hilversum 1998) 89-96.

Illustratie

Zelfportret, 1732 (Rijksmuseum Amsterdam).

Auteur: Astrid de Beer

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 442

laatst gewijzigd: 13/01/2014