Wondel, Louise (1971-2014)

 
English | Nederlands

WONDEL, Louise (geb. Paramaribo 19-1-1971 – gest. Paramaribo 15-7-2014), danseres en dichteres. Dochter van Hendriki Agufa Wondel (?-2011), contractarbeider, en Antoinette Harriette Asongo (geb. 1936), schoonmaakster en marktkoopvrouw. Louise Wondel bleef ongehuwd.

Louise Wondel, achtste van tien kinderen, groeide op in een marrongezin in het Surinaamse Cottica-gebied. Haar moeder was een Aukaanse en haar Saramakaanse vader werkte bij Suralco, het Amerikaanse bauxietbedrijf op Paranam. Hij had meer vrouwen en erkende zes van zijn kinderen; een tweede Aukaanse vader nam tijdens zijn afwezigheid de andere vier voor zijn rekening – zij kregen de naam Asongo. Het gezin Asongo-Wondel verhuisde in 1975 naar Paramaribo. Daar verdiende Louises moeder geld als schoonmaakster en met een kraampje op de Centrale Markt. In 1981 betrok het gezin het eerste huisje op Hanna’s Lust, een sociaal woningbouwproject. Samen met haar neef en studiegenoot Tolin Alexander maakte Louise Wondel zich als adolescent sterk voor de gemeenschap van de kinderrijke nieuwe woonwijk. Dankzij de door haar opgerichte Stichting Ontwikkeling Hanna’s Lust (1993) kwam er een openbare lagere school en werden er bijvoorbeeld naailessen aan vrouwen gegeven.

Aukaanse cultuur

Na de mulo ging Louise Wondel naar de Algemene Middelbare School (AMS). In haar vrijetijd ontwikkelde ze zich als danseres. Ze experimenteerde met klassieke stijlen als de Saramakaanse bandammba (een dans waarbij alleen de bilspieren bewegen op het ritme van de drum) en de Aukaanse awasa (dans met hand-, hals- en heupbewegingen). Ook deed ze mee met talentenjachten; zo won ze in 1991 – ze was toen twintig jaar – de Miss Pompom Lollie-trofee. In 1994 slaagde Wondel voor haar eindexamen en begon ze aan de Anton de Kom Universiteit aan de studie sociologie, met als specialisatie de Aukaanse cultuur. In datzelfde jaar richtte ze een eigen dansgroep op, Fiamba: de naam van een van haar voorouders maar ook een vogeltje met een groot nest. Fiamba werd een leerschool voor jong talent met als motto ‘ik ben wel klein maar heb veel in huis’.

Louise Wondel ontdekte haar talent voor dichtkunst na de dood van haar gehandicapte zusje Rosalina en het besef dat voor de dood alle mensen gelijk zijn. In het Aukaans schreef ze haar eerste gedichten, die ze mocht voorlezen op de radio. Stichting Ameva riep haar in 1996 uit tot Cultuuractivist van het Jaar en een jaar later tot Dichter van het Jaar. Haar debuut Ten (1998) en de bundel Leleku fu Mekunu (1998) verschenen na de Binnenlandse Oorlog (1986-1992), toen de marrons massaal naar Paramaribo vluchtten. Wondels poëzie is een oproep aan de Afro-Surinaamse gemeenschap om op zoek te gaan naar de eigen identiteit en de winti’s (geesten) te raadplegen om hen te laten vertellen wie ze zijn. De nazaten van de marrons hebben hun cultuur en tradities verwaarloosd, aldus Wondel. Deze boodschap, met veel klank, ritme en kracht in het Aukaans verpakt en het publiek ingeslingerd, had een ongekende impact.

Met haar indrukwekkende voordracht maakte Louise Wondel nationaal en internationaal furore. Op het Schrijverscongres 2000 in Paramaribo (1997) werd ze ook door de internationale pers ‘ontdekt’ en vertrok ze naar Nederland. Een jaar later zette ze als jongste deelnemer Poetry International in Rotterdam op stelten met haar performance maar vooral met de banndamba. In deze tijd kreeg ze een relatie met de Nederlander Marcel van den Bergh. Haar ster rees snel, ook in Nederland. In 2000 trad ze op bij Festival Winternachten in Den Haag en op het internationale Poëziefestival in Medellin (Colombia). Met Pikin Fu Fiamba, de jongeren uit haar dansgroep, trok ze in 2001 als hoofdgast van het Wereld Kinderfestival door Nederland en België. Twee jaar later, tijdens de economische crisis na militaire coups en burgeroorlog, bracht ze in Suriname een nieuwe bundel uit: Mi’ Bigi Seefidensi Puema (2002). Hierin veroordeelt ze expliciet de corruptie en het wanbeheer. Het land is rijk aan hout, goud, olie en bauxiet, maar het volk ‘pinaart’ (crepeert) als een kakkerlak, zo luidt haar conclusie.

‘Culturele kolos’

Begin 2000 werd duidelijk dat Louise Wondel aids-patient was, een diagnose die ze altijd zou blijven ontkennen en waardoor haar relatie met Van den Bergh strandde. Na haar terugkeer naar Suriname in 2003 werd een laatste show georganiseerd in het Brunswijk-stadion te Moengo: de Louise Wondel Polo Neti. Deze ‘bonte avond’ markeerde het einde van haar carrière als danseres en dichteres. Twee jaar later werd ze getroffen door een attaque en gaven de artsen haar op. Hierna leidde ze nog jarenlang een geïsoleerd bestaan. Haar ziekte was een taboe voor familie en buitenwereld. Voor Wondel zelf was het een kwestie van ‘wisi’ (hekserij), die alleen maar kon worden bezworen met kruidendrankjes van de medicijnman. Half verlamd en gefrustreerd omdat ze niet meer kon lopen, lezen en schrijven, bracht ze haar dagen door in bed, treurend vooral omdat ze nooit de door haar begeerde academische titel zou krijgen.

In 2011 had de veertigste verjaardag van Wondel het karakter van een reünie van familie, vrienden, bekenden en buren. In gala-kleding liet de jarige zich de ‘huldiging’ enigszins sceptisch aanleunen. ‘Populair worden in Suriname is geen kunst, maar artistieke erkenning laat altijd op zich wachten’, liet ze weten in de documentaire van André Reeder (Zaana,1999) Op 15 juli 2014 overleed Louise Wondel na een plotselinge inzinking. De traditionele ‘Dede oso’, de ‘Tuka pee bookoo neti’ (rituele afscheidsfeesten voor de geest van de overledene) en haar begrafenis waren grote gebeurtenissen in de Surinaamse gemeenschap. Want, zo kopte het dagblad De Ware Tijd: ‘Culturele kolos is niet meer’.

Betekenis

In 2015 verscheen op Facebook een video-opname van Louise Wondel waarin ze het gedicht Nenge (Zwarte Mens) voordraagt: een oproep aan alle Afro-Surinamers om de krachten te bundelen. Met deze actie haakte een groep Aukaanse jongeren (de Royal Fiiman Paansu) in op het gedicht Loweman Pikin (Kinderen van de weglopers), waarin Wondel de jonge marrons aansprak op het verwaarlozen van hun cultuur, religie en traditie, waardoor ze zich niet meer staande houden in de multi-etnische gemeenschap en verpauperen. Sindsdien is er een stortvloed aan beeldmateriaal, historische films en reacties bijgekomen op de Facebookpagina. Wondels dansgroep Fiamba, sinds 2002 onder leiding van haar neef Clifton Asongo, blijft intussen populair en valt steevast in de prijzen tijdens de jaarlijkse Avondvierdaagse in Paramaribo. Een comité werkt aan een manifestatie om Wondel en haar kleine oeuvre blijvend te herdenken.

Poëzie

Uitgegeven in eigen beheer:

  • Ten (Paramaribo 1998).
  • Leleku fu Mekunu (Paramaribo 1998).
  • Katibo (Paramaribo z.j).
  • M’Bigi Seefidensi Poema (Paramaribo 2002).

Literatuur

  • Michiel van Kempen, Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur, deel 2 (Breda 2003) 1076-1077.
  • Charles Chang, ‘Groot verlies voor Suriname en de poëziewereld’, De Ware Tijd, 26-7-2014.
  • Audry Wajwakana, ‘Cultuurdragers brengen hulde aan dyadya ndyuka uma’, De Ware Tijd, 24-7-2014.
  • Euritha Tjan A Way, ‘Over Louise Wondel’, De Ware Tijd, 17-7-2014.
  • Martijn Meijer, ‘Dichten in de taal van gevluchte slaven’, NRC, 10-2-2002.
  • Anita Twaalfhoven, ‘Ghanese en Afro-Surinaamse kinderen swingen op festival’, Trouw, 15-6-2001.
  • Hennah Renfrum en André Reeder, Tori fu Osa/Verhalen van thuis (1999) [MTV-documentaire].

Ilustratie

Louise Wondel, door Nicolaas Porter tijdens Poetry International 1998.

Auteur: Corine Spoor

laatst gewijzigd: 10/07/2017