Zele, Lilly Mary Hermine van (1919-2013)

 
English | Nederlands

ZELE, Lilly Mary Hermine van, vooral bekend als Lilian Ducelle (geb. Sitoebondo, Ned.-Indië 7-12-1919 – gest. Den Haag 5-8-2013), journaliste, redactrice, uitgeefster. Dochter van Sylvester van Zele (1887-1948), klassiek musicus, en Johanna Theodora Claus (1891-1948). Lilly van Zele trouwde op 5-4-1950 in Sampit (Borneo) met Jan Johannes Theodorus Boon (1911-1974), journalist, schrijver en indo-activist. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren.

Lilly van Zele werd geboren in Sitoebondo, een klein plaatsje op Oost-Java. Met haar oudere broer Lud en jongere zusje Hetty groeide ze op in Malang, in een Indo-Europees gezin waar muziek, lezen en zelfredzaamheid hoog in het vaandel stonden. In 1926 vertrok het voltallige gezin voor drie-en-een-half jaar naar Monaco omdat broer Lud aan het conservatorium in Nice piano ging studeren; Lilly kreeg er thuisonderwijs van haar moeder. Eenmaal terug in Malang doorliep ze de mulo van de Zusters Ursulinen. Lilly was een opvallende leerling met een sterke mening. Ze las alle boeken uit de boekenkast van haar vader, desnoods met woordenboek erbij, knipte zelf haar haar kort, naaide vanaf haar twaalfde haar eigen jurken en zong jazz voor de radio.

Journalistiek

Na een schoolexcursie naar dagblad De Malanger besloot Lilly van Zele journalist te worden. In 1937 – ze was toen achttien – werd ze corrector van het plaatselijke dagblad De Oosthoekbode. In 1938 ging ze naar Soerabaja, waar ze zich binnen het Soerabajaasch Handelsbladconcern opwerkte van redacteur tot journalist. Toen in 1941 de oorlog in Nederlands-Indië uitbrak, raakte Lilly van Zele haar baan kwijt. Zoals de meeste Indo-Europeanen op Java brachten de Van Zeles de oorlog buiten de Japanse interneringskampen door; ze waren ‘buitenkampers’. Lilly probeerde rond te komen met zwarte handel en gaf ook Engelse les, beide streng verboden onder Japans bewind. Haar zus Hetty overleed omdat er geen medicijnen waren voor haar astma.

Na de oorlog wilde Lilly van Zele de verloren tijd zo snel mogelijk inhalen. Ze begon in 1945 op Bali als eerste vrouwelijke oorlogscorrespondent voor de Regerings Voorlichtingsdienst en trad tussendoor op als zangeres voor de daar gelegerde troepen, begeleid door haar broer. Haar enige bagage was een typemachine en een kist boeken. Bij De Vrije Pers gebruikte ze in 1947 voor het eerst het pseudoniem Lilian Ducelle – een verfransing van haar achternaam, geïnspireerd op een mogelijke hugenootse voorvader. Na een overstap naar de Leger Voorlichtingsdienst schreef ze voor Wapenbroeders in Batavia (Jakarta). Ze kreeg een relatie met hoofdredacteur Jan Boon, toen nog een getrouwd man, en raakte mede door hem steeds bewuster van haar Indische achtergrond. Boon vereeuwigde haar in zijn column Knouff in De Nieuwe Courant als eigenwijze echtgenote Quiqui.

De dood van haar ouders in 1948 deed Van Zele terugkeren naar Soerabaja: naar De Nieuwe Courant en thuisbasis De Vrije Pers. In het zicht van de Indonesische onafhankelijkheid vertrok ze naar Bali, waar ze ging wonen in een bamboe huisje in een kleine kampong – haar belevenissen beschreef ze in een feuilleton in De Vrije Pers. Impulsief vertrok ze in 1950 naar Borneo (Kalimantan), waar ze als winkeljuffrouw ging werken in de personeelswinkel van houtbedrijf Bruynzeel in Sampit (Jawi). Jan Boon scheidde van zijn tweede vrouw en reisde haar achterna met drie kinderen uit zijn eerste huwelijk; in 1950 werd zoon Mark geboren. Nog datzelfde jaar verhuisde het gezin voor de opleiding van de oudste kinderen terug naar Jakarta, waar het echtpaar ging werken bij De Nieuwsgier. Van Zele kreeg er de column Snuffelen naar Snufjes. Daarnaast deed ze reclamecampagnes voor handelshuis Lindeteves en verzorgde ze bij De Vrije Pers een pagina met kinder- en damesrubrieken.

Repatriëring en emigratie

Vanwege de opleiding van de kinderen en het naderende einde van de Nederlandstalige journalistiek in Indonesië vertrok het gezin Boon-Van Zele op 22 mei 1954 naar Nederland. Ducelle had het moeilijk met de kou, de zware donkere kleding en het benauwende pensionleven. Bovendien kon ze geen werk vinden als journalist: haar ervaring en reputatie betekenden niets in Nederland. Nu en dan schreef ze een stukje in het op de ontwikkeling van Nieuw-Guinea gerichte blad Onze Brug. Kort daarop nam haar man Onze Brug over. In 1958 doopte hij het om tot Indisch tijdschrift Tong Tong, waarin Ducelle de damesrubriek Myana voor de vrouw en de kookrubriek 1001 avonturen met de soetil voor haar rekening nam. Onder de naam Tjalie Robinson werd haar man de spreekbuis van de Indische gemeenschap, terwijl Ducelle als kostwinner van het gezin administratief werk deed bij de Sociale Verzekeringsbank. Ook zorgde ze voor het huishouden en de kinderen in hun nieuwe woning in de Amsterdamse tuinstad Slotermeer.

In 1962 emigreerde het gezin naar Whittier in Californië. Nog voordat haar man arriveerde, had Ducelle een huis, een rijbewijs en een baan als modiste geregeld; bovendien lag The American Tong Tong op de pers. In het warme Californië bloeide ze op, vertelde haar dochter Vivian later. Een groot persoonlijk succes in 1964 was de modeshow The Indonesian Look in San Diego van door haarzelf ontworpen japonnen van batikstof. Weliswaar legden Ducelle en Boon de basis van het Indische culturele leven in Californië, The American Tong Tong kwam niet echt van de grond. Omdat het ook slecht ging met de Nederlandse Tong Tong en met de gezondheid van haar man, keerde het gezin eind 1966 terug naar Den Haag.

Moesson

Van Zele ging in 1967 officieel werken voor Tong Tong. Hoe zwakker haar man werd, hoe meer verantwoordelijkheid zij nam. Na zijn dood in 1974 zette Ducelle het periodiek voort, aanvankelijk vooral uit plichtsbesef. In 1978 doopte ze het blad om tot Moesson, dat nog altijd maandelijks verschijnt. Toen de afstand tussen de Indische gemeenschap en de Nederlandse samenleving in de jaren tachtig op een dieptepunt raakte, verdedigde Ducelle haar achterban. ‘Indische mensen lijken niet over het verleden te mogen praten, het is gewoon taboe! Toch kom je pas achter je identiteit als je weet wat je wortels zijn’ (gecit. Versteeg e.a., 1983, 17). Afglijdende fatsoensnormen, Indische stereotypen, de cultuur van het handje ophouden – er was weinig voor nodig om Van Zele een tirade te ontlokken, geschreven met scherpe pen in de traditie van de Indische tropenstijl. Toen een abonnee zich over haar felle stijl beklaagde, schrapte Ducelle hem uit het abonnementenbestand. Met bijtende humor gaf Ducelle haar mening over bijvoorbeeld het ontwerp van het Indisch Monument (waarom niet door een Indische kunstenaar?), over Tante Lien (ze zou Indische mensen belachelijk maken met haar kromme taalgebruik) en de slepende kwestie van de ‘backpay’.

In 1984 kreeg Lilian Ducelle een bokstrofee van haar lezers met de inscriptie ‘Omdat zij heeft verdedigd, geïncasseerd en aangevallen en altijd is blijven staan’. Als hoofd van de uitgeverij Moesson publiceerde ze tientallen boeken die door de doelgroep werden verslonden maar zelden uit de marge van de Indische gemeenschap kwamen. Ze organiseerde Moessondagen, Muziekdagen en ‘slametans’ (volksfeesten), waar telkens een groep van circa duizend mensen op afkwamen. In 1991 nam ze formeel afscheid van de uitgeverij en Moesson, maar ze bleef tot op hoge leeftijd publiceren en advies geven.

Op 5 augustus 2013 overleed Lilian Ducelle in haar woonplaats Den Haag, 93 jaar oud.

Betekenis

Lilian Ducelle heeft bewondering geoogst met haar onvermoeibare strijdbaarheid voor de Indische achterban. Haar lezers zagen een vrouw die opkwam voor de zwakkeren, voor de Indische mensen die vermomd als Nederlander door het leven moesten gaan. Ze gaf hun trots en troost in een tijd dat de Indische minderheid voor zichzelf een plaats en voor hun kinderen een toekomst probeerde te bevechten.

Naslagwerken

Damescompartiment.

Archivalia

Knipselarchief en fotoarchief in handen van erven Boon.

Publicaties

  • Van hemelmodder tot mixermayonaise (Whittier 1963).
  • In 52 weken de wereld rond (Den Haag 1964).
  • Als ‘t maar lekker is. Recepten van overal en nergens (Den Haag 1983).
  • Met kruiden en een korrel zout. Smaak en geschiedenis van de Indische keuken (Den Haag 1994).
  • De M van Martha. Herinneringen en verhalen (Den Haag 2005).
  • ‘Doe maar gewoon dan doe je al Indisch genoeg’. Het journalistieke werk van Lilian Ducelle (Amersfoort 2008).

Literatuur

  • Coos Versteeg, Margriet Vroomans en Casper Postmaa, ‘Moesson, tijdschrift geschreven door de lezers’, in: Indisch Den Haag (Den Haag 1983) 16-17.
  • Frits Abrahams, ‘Leven met Tjalie; Lilian Ducelle, schrijversweduwe, over Jan Boon, alias Vincent Mahieu, alias Tjalie Robinson’, NRC 28-3-1992.
  • Wim Willems, ‘Lilian Ducelle. De omzwervingen van een Indische journaliste’, in: Cultuur en migratie in Nederland. De kunst van het overleven. Levensverhalen uit de twintigste eeuw (Den Haag 2004) 120-153.
  • Marjolein van Asdonck, ‘Lilian Ducelle, moeder aller Moessons’, Indische Letteren 20 (2005) 94-102.
  • Marjolein van Asdonck, ‘Inleiding’, in: ‘Doe maar gewoon dan doe je al Indisch genoeg’ Het journalistieke werk van Lilian Ducelle (Amersfoort 2008).
  • Mark Boon, ‘Belle of the Ball’, Moesson (2013), september, 12-15 [herdenkingsnummer ter nagedachtenis aan Lilian Ducelle].
  • Coos Versteeg, ‘Lilian Ducelle (1919-2013). Een strijdbaar leven in de geest van Tjalie’, Den Haag Centraal, 9-8-2013.

Illustratie

Lilian Ducelle, door onbekende fotograaf, Batavia 1947 (Collectie erven Boon).

Auteur: Marjolein van Asdonck

laatst gewijzigd: 17/11/2016