Ada van Holland (ca. 1188-na 1234)

 
English | Nederlands

ADA gravin van HOLLAND (geb. ca. 1188 – begr. Kuringen, bij Hasselt, na 1234), erfgename van het graafschap Holland. Dochter van Dirk VII, graaf van Holland (reg. 1190-1203), en Aleid van Kleef (gest. ca. 1238). Ada van Holland trouwde in 1203 in Dordrecht met Lodewijk II, graaf van Loon (reg. 1194/1197-1218). Dit huwelijk bleef kinderloos. 

Ada van Holland was de enige erfgename van het graafschap Holland. Haar twee zusters, Aleydis en Petronilla waren beiden voor 1203 overleden. Toen Dirk VII in 1203 ernstig ziek werd, ontstond een gevaarlijke situatie omdat het graafschap Holland geen erfopvolging in vrouwelijke lijn kende. Een regentschap voor de jonge Ada leek een mogelijke oplossing en Dirk zou op zijn sterfbed de voogdij over Ada aan zijn broer Willem hebben willen toevertrouwen. Aleid van Kleef, Ada’s moeder, zou dit echter verijdeld hebben. Waarschijnlijk had ze weinig vertrouwen in haar zwager, die al eerder – in 1195 – het graafschap Holland had aangevallen. Ze zocht in allerijl een huwelijkskandidaat voor haar dochter en toen Dirk VII stierf, werd Ada uitgehuwelijkt aan graaf Lodewijk II van Loon. Ze trouwden op 4 november 1203, nog voordat Dirk was begraven: een feit waarover in de Egmondse Annalen schande wordt gesproken. Een deel van de Hollandse edelen was echter niet bereid de nieuwe vorst te aanvaarden en stelde zich onder leiding van Willem te weer. Een strijd om het graafschap was het gevolg. Deze strijd, die bekend staat als de Loonse Successieoorlog, verdeelde het graafschap in twee kampen die elkaar met wisselend succes bestreden.

Gevangenschap

Ada zocht haar toevlucht in de burcht van Leiden, maar werd in december 1203 door haar oom gevangengenomen en naar het eiland Texel gebracht. Zij vond haar verblijf daar ‘ondraaglijk’ (van den Bergh OHZ I, nr. 214). Wellicht daarom, maar meer waarschijnlijk uit veiligheidsoverwegingen, werd Ada al snel overgebracht naar Jan zonder Land van Engeland. Deze keuze lag voor de hand. Het conflict tussen Willem en Lodewijk had namelijk internationale vertakkingen doordat beide partijen betrokken waren bij de strijd om het Duitse koningschap. Willem steunde de partij die zich had verbonden met de Engelse koning Jan Zonder Land. Deze stond al enige tijd op voet van oorlog met de Franse koning Filips II Augustus en zocht bondgenoten op het continent. Hij had er dus alle belang bij Willem ter wille te zijn.

Ada zou bijna vier jaar in Engeland blijven. Op 14 oktober 1206 bereikten Lodewijk en Willem een akkoord: het graafschap Holland werd aan Lodewijk toegewezen en Willem kreeg Zeeland, de streek rond Geertruidenberg en een deel van de opbrengsten van de tol bij Geervliet. In dit akkoord wordt nadrukkelijk en zeer gedetailleerd bepaald dat Willem alles in het werk moet stellen om Ada bij haar man terug te laten keren. Of Willem alles heeft gedaan om zijn nicht vrij te krijgen, is niet duidelijk. In elk geval komt Ada’s vrijlating in 1207 steeds dichterbij. Op 16 april 1207 gelast koning Jan de baronnen van de Exchequer om 11 mark, tien schellingen en 3 penningen te betalen voor kleding voor gravin Ada van Holland en haar dienaren. Dan is er nog een brief van Ada’s moeder, gedateerd vóór 31 mei 1207, waarin zij de Engelse koning smeekt haar dochter ‘die onschuldige ziel’ die al zo lang gevangen wordt gehouden aan haar vrienden terug te geven (Van den Bergh OHZ, nr. 214). Opmerkelijk in deze brief is dat Aleid met grote nadruk bevestigt dat Ada in aanwezigheid van vele edelen en ministerialen – die zij bij name noemt – met Lodewijk van Loon in de echt is verbonden. Blijkbaar was over de rechtsgeldigheid van dit huwelijk twijfel gezaaid: Aleid vraagt de koning geen geloof te hechten aan de leugenachtige geruchten die hierover de ronde doen. Ook de abt van Berne en de bisschop van Utrecht sturen elk afzonderlijk de Engelse koning een verklaring (gedateerd vóór 21 oktober 1207) dat Ada wettig getrouwd is met Lodewijk van Loon. Wellicht had de partij van Willem leugens verspreid in een poging daarmee Lodewijks aanspraken op Holland te ondermijnen. Deze waren immers uitsluitend gebaseerd op zijn huwelijk met Ada.

Vermoedelijk is Lodewijk tussen 15 juli en 10 november 1207 zelf naar Engeland gegaan om zijn vrouw op te halen. Daarvoor zijn twee aanwijzingen. In de eerste plaats is er een mededeling in de Annales sancti Iacobi Leondiensis dat Lodewijk van Loon in het jaar 1207 naar Engeland ging om met de koning te spreken over de vrijlating van zijn vrouw. De auteur (Reinerus) bericht verder dat Lodewijk zijn vrouw terugkreeg nadat hij vazal van Jan was geworden. De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat Jan de gelegenheid te baat nam weer een nieuwe continentale bondgenoot te verwerven en Ada hiervoor als lokaas gebruikte. We mogen in elk geval aannemen dat Ada in de tweede helft van 1207 met haar man terugkeerde naar het continent. Zij vestigden zich in Loon. Het akkoord van 1206 zou al snel een dode letter blijken. Vanaf 1208 was Willem weer heer en meester in Holland en in 1213 werd hij door Otto IV officieel met het graafschap bekleed.

Historiografie

De verdere geschiedenis van Ada onttrekt zich grotendeels aan onze waarneming. Als gravin van Loon heeft zij nauwelijks sporen achtergelaten. Lodewijk stierf in juli 1218 ‘op jeugdige leeftijd’ (Annales sancti Iacobi, 676). Hij werd opgevolgd door zijn broer Arnold. Waar Ada haar laatste jaren heeft doorgebracht, is onbekend. Wellicht op het kasteel Kolmont, dat Lodewijk haar als bruidsschat had gegeven of in het prestigieuze cisterciënzer vrouwenklooster Herkenrode, waar zij haar laatste rustplaats zou vinden. De meeste Nederlandse historici stellen haar sterfdatum op 1223. Zij zou naast haar man begraven zijn. In 2002 verscheen echter een dissertatie van de Duitse historicus Thomas Bohn (Gräfin Mechtild von Sayn), waarin Ada’s sterfjaar tussen 1234 en 1237 wordt geplaatst. Met de nodige slagen om de arm zou men de sterfdatum ‘na 1234’ kunnen stellen.

Voor hedendaagse historici geldt Ada niet als gravin van Holland. In de Hollandse geschiedschrijving van de dertiende eeuw wordt zij evenmin als gravin vermeld. Het Chronicon Egmundanum, geschreven tussen 1269 en 1272, noemt Dirk VII als elfde en Willem I als twaalfde graaf van Holland. Vanaf de veertiende eeuw, wanneer het nageslacht van Willem I is uitgestorven, vindt een zeker eerherstel voor Ada plaats. Kroniekschrijvers melden dat zij van haar rechtmatige positie is verjaagd en dat Willem door usurpatie aan de macht is gekomen. In de vijftiende-eeuwse historiografie wordt ze dan ook wél gravin van Holland genoemd. Blijkbaar sprak ze in later eeuwen tot de verbeelding van schrijvers en dichters: in de achttiende en negentiende eeuw zijn verschillende gedichten en toneelstukken aan haar gewijd.

Naslagwerken

Van der Aa; Chalmot; Cordfunke; Dek Holl.; Kobus/De Rivecourt; Kok; NNBW.   

Literatuur en bronnenuitgaven

  • Nicolaas Beets, Ada van Holland: een gedicht (Haarlem 1840).
  • Annales sancti Iacobi Leodiensis, in: Monumenta Germaniae Historica SS, 16 (Hannover 1859) 632-683.
  • C. Busken Huet, Ada van Holland: eene historisch-litterarische studie (Leiden 1866).
  • Fontes Egmundenses, O. Oppermann ed. (Utrecht 1933).
  • J. Baerten, Het graafschap Loon (11e-14e eeuw) (Assen 1969).
  • Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, A.C.F.Koch ed., 1 (Den Haag 1970) en J.G. Kruisheer ed., 2 (Assen/Maastricht 1986).   
  • F.W.N. Hugenholtz, ‘Vorstin: Ada van Holland’, in: R.E.V. Stuip en C. Vellekoop red., Middeleeuwers over vrouwen (Utrecht 1985) 12-26.
  • K. van Eickels, ‘Graaf tussen kust en koning. De westelijke Nederlanden en het Duitse Rijk tijdens Floris V en zijn voorgangers’, in: D.E.H. de Boer, E.H.P. Cordfunke en H. Sarfatij red., Wi Florens…:de Hollandse graaf Floris V in de samenleving van de dertiende eeuw (Utrecht 1996) 38-55.
  • R.P. de Graaf, Oorlog om Holland 1000-1375 (Hilversum 1996) 312-322. 
  • W. van Anrooij red., De Haarlemse gravenportretten. Hollandse geschiedenis in woord en beeld (Hilversum 1997) 136-137.
  • J.W. Burgers, ‘Allinus, grafelijke kapelaan en Egmonds geschiedschrijver’, in: G.N.M. Vis red., In het spoor van Egbert. Aartsbisschop Egbert van Trier, de bibliotheek en geschiedschrijving van het klooster Egmond (Hilversum 1997) 116-149.
  • Thomas Bohn, Gräfin Mechtild von Sayn (1200/03-1285). Eine Studie zur rheinischen Geschichte und Kultus (Keulen etc. 2002) [dissertatie].

Illustratie

Paneelschildering uit de reeks Haarlemse gravenportretten, door onbekende kunstenaar, eind 15de eeuw (foto Noord-Hollands Archief, Haarlem).

Auteur: Marion van Bussel

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 11

laatst gewijzigd: 13/01/2014