Ariaensdr., Marichgen (ca.1520-1591)

 
English | Nederlands

ARIAENSDR., Marichgen (geb. Poederoyen, Gelderland ca. 1520 – gest. Schoonhoven 18-12-1591), heeft jarenlang gegolden als laatste slachtoffer van de hekserijvervolgingen in het gewest Holland.

Marichgen Ariaensdr. werd op 4 oktober 1591 gevangengenomen voor het huis van Fop Janszoon, schepen van Schoonhoven, op het moment dat daar een oploop was ontstaan omdat zij een jongen betoverd zou hebben. Volgens het vonnis had ze de jongen aangeraakt en gezegd weg te gaan, waarna zijn hoofdhaar ‘kromp’ alsof het was uitgetrokken. De jongen was ijselijk gaan schreeuwen en omstanders hadden tegen Marichgen gezegd: ‘Feeks, zegent de jongen’. Dat had zij gedaan, waarop de jongen er weer gewoon uit had gezien. Kennelijk had deze oploop ertoe geleid dat ze was gearresteerd. Op het moment van haar arrestatie was Marichgen ongeveer zeventig jaar oud; ze was ongetrouwd, maar bekende ooit een half jaar ‘in onecht’ te hebben geleefd met Michiel de Cuiper in Nieuwpoort (een dorpje aan de Lek). Uit het vonnis valt voorts op te maken dat ze rond 1583 had gewoond in Vianen, ‘onder de windmolen’, en rond 1590 in Utrecht. Ook had ze ooit ingewoond bij Ariaan Bouwenszoon, zakkendrager, maar van hem wordt de woonplaats niet vermeld.

Het lot van Marichgen Ariaensdr. werd in handen gelegd van de schepenrechtbank van Schoonhoven. De baljuw in deze zaak was Geerof Kluyt van Vorenbroek. Hij leidde het onderzoek, riep de rechtbank bijeen, hield het requisitoir en formuleerde na raadpleging van rechtsgeleerden de eis tegen de verdachte. De zeven schepenen velden op 18 december 1591 het vonnis: ze werd veroordeeld tot wurging en de brandstapel. Nog dezelfde dag werd zij voor het stadhuis ‘genadelijk gewurgd en daarna tot as verbrand’. Het verslag van het vonnis is de enige schriftelijke bron die over Marichgen Ariaensdr. bewaard is gebleven. Het grootste deel van het vonnis bestaat uit haar bekentenis, die ze aflegde ‘buiten banden van ijzer’. Over de ‘tortuur’ die zij heeft moeten ondergaan voor zij bekende, is niets bekend. Wel zeker is dat ze de volgende bekentenis heeft afgelegd.

Bekentenis

Omstreeks 1583, zo verklaarde Marichgen Ariaensdr., toen zij in Vianen woonde onder de windmolen, had de duivel haar twee keer bezocht: een lange man, gekleed in het zwart die zich Heijnken liet noemen. In haar bekentenis noemt zij hem steevast ‘de vijand’. Ze was op het moment van de ontmoeting wanhopig van armoede (‘desperaet van armoede’). ‘De vijand’ beloofde haar te helpen op voorwaarde dat ze God zou loochenen en zijn bevelen zou opvolgen. Ter bezegeling van het verbond gaf hij haar iets dat leek op een mooi goudstuk en nam hij een stukje nagel van haar rechter ringvinger, die sindsdien altijd blauw en koud was. ‘Gedenk mij daarbij in schijn van trouw’, had hij gezegd. Hierop had ze meermalen ‘als man en wijf’ met hem verkeerd. Toen hij vertrokken was, vond ze in plaats van het goudstuk ‘vuiligheid als kinderdrek’ in haar bed. Van ‘de vijand’ had Marichgen Ariaensdr. een potje met zalf van ‘vireyssem’ (mondschuim van een stervende) of ‘paddenrith’ (paddenzaad) gekregen waarmee zij een groot aantal mensen zou hebben betoverd. In sommige gevallen kwam ‘de vijand’ haar ’s nachts halen om haar bij haar slachtoffers te brengen. In de meeste gevallen ging het om mensen die haar kwaad hadden willen doen of slecht over haar spraken, en daarom door haar gestraft moesten worden.

Laatste doodvonnis wegens toverij in Holland?

Marichgen Ariaensdr. heeft lange tijd gegolden als het laatste slachtoffer van de vervolgingen van hekserij – tegenwoordig spreken deskundigen liever van ‘toverij’ – in het gewest Holland, waar het aantal slachtoffers van de vervolgingen toch al laag was gebleven. De vervolgingen begonnen in Holland niet veel later dan elders, maar ze eindigden relatief vroeg en er is geen sprake geweest van massale ‘heksenjachten’.

Wel waren er ook in Holland pieken in de vervolging wegens toverij. De laatste piek begon in het jaar 1591, en het proces van Marichgen hoorde bij deze laatste reeks van processen. In tegenstelling tot wat bijna twee eeuwen lang werd gedacht, was Marichgen echter niet de laatste tovenares die in Holland tot de brandstapel werd veroordeeld. Deze veronderstelling is het gevolg van een leesfout. Hendrik van Berkum (1700-1755), pastoor van de oud-katholieken in Schoonhoven en auteur van een postuum verschenen beschrijving van Schoonhoven (1762) had het vonnis ten onrechte op 1597 gedateerd. Ook al gaf Balthasar Bekker in zijn De betoverde weereld (1691-1693) wel het juiste jaartal, toch is het jaar 1597 veel door anderen overgenomen, zoals door Scheltema in zijn Geschiedenis der heksenprocessen (1828) (De Blécourt, 9). Scheltema vond het vonnis met Marichgens bekentenissen zo ‘onkies’ dat hij er niets naders over wilde meedelen (258). Pas dankzij de integrale publicatie van het originele vonnis door de historica J.E. Toussaint Raven in 1972 werd duidelijk dat eeuwenlang een onjuist jaartal voor dit vermeend laatste toverijvonnis van Holland was gehanteerd.

Daar komt nog bij dat recent onderzoek heeft uitgewezen dat er ook na 1597 nog doodvonnissen vanwege toverij in het gewest Holland zijn geveld. De laatste dertig jaar is veel nieuw onderzoek naar toverij gedaan, en in het kader daarvan zijn deze vonnissen opgespoord. Momenteel wordt Anna Muggen uit Gorinchem als laatste slachtoffer van een doodvonnis wegens toverij in het gewest Holland beschouwd: zij werd in 1608 tot de brandstapel veroordeeld. 

In Schoonhoven is in 1991, vierhonderd jaar na het vonnis, bij de heksenkring op de stenen brug een plaquette aangebracht ter herinnering aan Marrichgen Ariaensdr. Verder wordt in het stadhuis een replica van de stokbeurs bewaard die volgens de overlevering de kruidenbundel van Marichgen zou zijn. Uit onderzoek is echter gebleken dat ook deze overlevering uiterst twijfelachtig is.

Archivalia

Streekarchief Midden Holland: Oud-Rechterlijk Archief Schoonhoven, inv. nr. 2321, fol. 71-72 [voor een transcriptie, zie Toussaint Raven (1972)].

Literatuur

  • H. van Berkum, Beschryving der stadt Schoonhoven, bevattende in zig een verhaal van derzelver grond, waterstromen, bevolking, benaming, oudheyd, vryeheeren, handvesten, privilegien, voorregten, keuren, handel (Gouda 1762) 376-381.
  • J. Scheltema, Geschiedenis der heksenprocessen, eene bijdrage tot den roem des vaderlands (Haarlem 1828) 258-259.
  • J.E. Toussaint Raven, Heksenvervolging (Bussum 1972) 106-108 [bijlage: transcriptie van het proces van Marichgen Ariaensdr.].
  • Willem de Blécourt, ‘Van heksenprocessen naar toverij’, Volkskundig Bulletin 12 (1986) 2-30 [9-12: over de ‘laatste’ heksenprocessen in Holland].
  • H. van der Molen en C.R. Schoute, ‘De heks van Schoonhoven’, Historische Encyclopedie Krimpenerwaard 16 (1991) 1-12.
  • H. de Waardt, Toverij en samenleving. Holland 1500-1800 (Den Haag 1991) 115, 297.

Illustratie

Plaquette ter nagedachtenis van de 400-jarige herdenking van de dood van Marrichgen Ariaensdr., Schoonhoven. Foto: Maartje Vermeulen.

Auteur: Maartje Vermeulen

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 112

laatst gewijzigd: 13/01/2014