Belmonte, Hanna (1800-1867)

 
English | Nederlands

BELMONTE, Hanna (geb. Amsterdam 2-4-1800 – gest. Amsterdam 26-11-1867), schrijfster van een dagboek, actief in het Réveil. Dochter van Jakob Belmonte (1757-1804) en Simcha da Costa (1759-1826). Hanna Belmonte trouwde op 5-7-1821 in Amsterdam met Isaäc da Costa (1798-1860), dichter en voorman van het Réveil. Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 5 dochters geboren, van wie 2 zoons en 2 dochters de volwassen leeftijd bereikten.

Hanna werd geboren in een joods gezin met twee dochters. Haar vader behoorde tot een oude Sefardische familie van dichters en diplomaten. Hij vertrok naar Maastricht toen Hanna twee jaar oud was – zijn beroep is onbekend – en liet zijn vrouw en twee dochters achter in Amsterdam. Het gezin werd nooit meer herenigd, want Belmonte overleed in 1804 in Maastricht, juist toen zijn vrouw op het punt stond zich met Hanna en Henriette (gest. 1840) bij hem te voegen. Dat het een welgesteld gezin was blijkt onder meer uit de ruime bruidsschat die Hanna bij haar huwelijk meekreeg: tienduizend gulden en een groot aantal waardepapieren.

Het jodendom heeft in Hanna’s opvoeding waarschijnlijk nauwelijks een rol gespeeld. Haar vader bekeerde zich in 1803 in Maastricht tot het katholicisme. Onduidelijk is of haar moeder in die tijd hetzelfde heeft overwogen; wel weten we dat Hanna naar een christelijke school werd gestuurd. Volgens haar latere echtgenoot Isaäc da Costa was zij al vroeg bekend met de Heidelbergse catechismus. Verder kreeg zij een algemene opleiding waarin talenonderricht (Frans) en kunstzinnige vorming een belangrijke plaats hadden.

Huwelijk met Da Costa

In haar jeugd had Hanna waarschijnlijk al contact met Isäac da Costa, die een volle neef van haar was (zijn vader was de broer van Hanna’s moeder). Toen zij elkaar een keer ontmoetten op een feestelijke gelegenheid, zo luidt de overlevering, voorspelde Da Costa haar dat zij later zijn vrouw zou worden. Hanna had de woorden op een papiertje geschreven dat zij bij een ontmoeting in 1820 bij zich droeg. Toen het papiertje viel, raapte Da Costa het op en vroeg haar ten huwelijk. Op 5 juli 1821 werd in Amsterdam het burgerlijk huwelijk gesloten, op 11 juli vond in de Portugese Synagoge het joods huwelijk plaats. Zij woonden eerst in bij Da Costa’s ouders aan de Nieuwe Herengracht 23 (nu no. 45) en verhuisden in 1827 naar de Prinsengracht (nummer niet bekend).

Samen met Isaäc da Costa maakte Hanna da Costa-Belmonte de overgang naar het christendom: op 17 oktober 1822 liet het echtpaar zich dopen in de Pieterskerk in Leiden door dominee Lucas Egeling. Hanna’s moeder en zuster Henriette volgden in 1824 hun voorbeeld. Volgens J. Meijer verliep haar overgang  ongecompliceerd, omdat zij al vanaf haar jeugd sterk georiënteerd was op het christendom (Meijer, 107). Dit was bij Isaäc heel anders: voor hem was het een jarenlange religieuze en intellectuele worsteling waar de dichter Willem Bilderdijk een grote rol in speelde.

Met haar doop kwam Hanna’s leven in het teken van de Réveilbeweging te staan. Haar geloofsbeleving was zeer gevoelsmatig. Trouw volgde zij de intieme godsdienstige bijeenkomsten, zeker toen deze vanaf 1826 op de zondagavond bij haar thuis werden gehouden. Ze werden geleid door Da Costa.

Hanna’s dagboekje

Hanna da Costa-Belmonte hield van 1822 tot 1865 een dagboekje bij. Hierin beschreef zij haar gezins- en familieleven en de ontmoetingen die zij had met geestverwanten uit het Réveil. Tot 1826 noteerde zij de belangrijkste gebeurtenissen uit haar leven op korte, zakelijke toon, vanaf 1826 werd ze uitvoeriger.

Haar huwelijks- en gezinsleven stonden in het teken van haar zwangerschappen – achttien in totaal – en de vreugde, angst en verdriet die deze met zich meebrachten. De helft van haar zwangerschappen mondde uit in een miskraam en vijf van de negen kinderen die zij ter wereld bracht, stierven zeer jong. In 1827 noteerde zei: ‘Ten zesde maal gemiskraamd de 26ste januari 1827 en wederom door Gods barmhartigheid hersteld […] Ten 9den male mij bevonden zwanger te zijn de 22ste mei 1827’ (Dagboekje, 46).  Haar dochtertje Hanna Rebecca Esther, geboren op 3 februari 1828, vertrouwde ze toe aan een min; het meisje overleed al in januari 1830: ‘Zaterdag de 2de kreeg zij ’s avonds enige inwendige stuipjes; ’s nachts een zware koorts […] wij gingen naar haar wiegje en vonden ons dierbaar pandje stervende. Dadelijk werd de doctor ontboden […] liet haar nog een warm badje geven, zuurdeeg aan de kuiten, maar tevergeefs. De Almachtige had dit tijdstip bepaald’ (Dagboekje, 58). De kinderen die wel in leven bleven, waren: Willem Daniël (1824-1848), Abraham (1829-1889), Rebecca (1832-1903) en Francisca (1841-1916).

Hanna en haar man – die zij in haar dagboek consequent als ‘Da Costa’  aanduidde – waren bevriend met echtparen uit de wereld van het Réveil: de families De Clercq, Van Hogendorp, Van der Houven, Capadose, Bilderdijk worden geregeld door Hanna in haar dagboek vermeld. Zij zagen elkaar tijdens de zondagavondbijeenkomsten of gingen bij elkaar op bezoek. Ook over hun ziekte en dood maakte zij korte aantekeningen, zoals in april 1830 over Katharina Schweickhardt: ‘De 9de begon mevrouw Bilderdijk ongesteld te worden, hetgeen zodanig toenam dat wij een brief kregen van mijnheer, de 13, die ons meldde dat het zodanig verergerd was, dat hij vrezende en bevende was voor de toekomst’ (Dagboekje 63). In tegenstelling tot andere vrouwen in het Réveil, zoals Caroline Charlotte de Clercq-Boissevain, Elisabeth Maria Magdalena Groen van Prinsterer-van der Hoop en Marianne Cathérine van Hogendorp-van Hogendorp hield Hanna da Costa-Belmonte zich niet bezig met liefdadigheid. Zij was niet erg praktisch, kon niet goed met geld omgaan en heette in maatschappelijk opzicht nogal hulpeloos.

Toen Da Costa in 1860 stierf, schreef Hanna da Costa-Belmonte: ‘Mijn pen is niet in staat over dit onuitsprekelijk geval verder iets ter neder te stellen. God alleen kent de grootte van mijn verlies. Negenendertig jaren leefden wij te zamen. Gij alleen o mijn God, Gij weet door welke tedere banden wij verenigd waren, wat hij voor mij was: mijn leidsman, mijn trouwe raadgever’ (Dagboekje, 178). Zij overleefde haar man zeven jaar.

Over de persoonlijkheid van Hanna Belmonte is weinig bekend. Volgens Allard Pierson had zij een stem als een leeuwerik en Potgieter noemde haar ‘een innemende schier Andalusische schone’ (gecit. Meijer, 100).

Archivalia

De schriften waarin Hanna Da Costa-Belmonte haar Dagboekje bijhield, worden bewaard in het Réveil-Archief, UB Amsterdam (UvA), Verzameling Da Costa, Stukken betrekking hebbende op het huisgezin Da Costa-Belmonte. Brieven van Hanna Da Costa-Belmonte bevinden zich in de verzameling Da Costa van het Réveil-Archief, UB Amsterdam (UvA) en in de UB Utrecht.

Literatuur

  • Allard Pierson, Oudere tijdgenooten (Amsterdam 1888).
  • J. Meijer,  Isaäc da Costa’s weg naar het christendom. Bijdrage tot de geschiedenis der joodsche problematiek in Nederland (Amsterdam 1946) 100-107.
  • M.E. Kluit, Het protestantse Réveil in Nederland en daarbuiten, 1815-1865 (Amsterdam 1970).
  • Otto Willem Dubois, Een vriendschap in Réveilkring: de omgang tussen Isaäc da Costa en Willem de Clercq (1820-1844) (Heerenveen 1997).
  • Dagboekje van Hanna da Costa-Belmonte, O.W. Dubois ed. (Heerenveen 2000).
  • W. van der Zwaag, Twaalf réveilgetuigen. Willem Bilderdijk en zijn geestverwanten (Barneveld 2003).
Illustratie

Portret uit: W. van der Zwaag, Twaalf Réveilgetuigen.

Redactie

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 667

laatst gewijzigd: 04/09/2014