Bladergroen, Wilhelmina Johanna (1908-1983)

 
English | Nederlands

BLADERGROEN, Wilhelmina Johanna (geb. Amsterdam 12-7-1908 – gest. Glimmen 25-12-1983), orthopedagoge. Dochter van Willem Frederik Bladergroen (1881-1954), kantoorboekhandelaar, en Hendrika Maria Bruchner, handwerkonderwijzeres (1885-na 1960). Wilhelmina Bladergroen bleef ongehuwd, maar woonde van 1955-1969 samen met W.E. (Mimi) Nooteboom (1918-2000). Ze had 1 pleegzoon.

Wilhelmina (Mien) Bladergroen was de oudste van twee kinderen in een Amsterdams middenstandsgezin. Ze was bijna negen toen haar broertje werd geboren, en groeide naar eigen zeggen nogal eenzaam op. Als jong meisje raakte ze gefascineerd door fysieke beweging; ze deed aan ritmische gymnastiek en aan korfbal. Daarom koos ze na haar eindexamen gymnasium-alfa (Barlaeus) voor de MO-opleiding lichamelijke opvoeding. De studie bekostigde ze met het geven van bijlessen. Vanaf 1930 gaf ze gymnastiekles op gemeentelijke scholen in Amsterdam, waardoor ze in aanraking kwam met veel sociale ellende. Ook werd ze toen actief in de VCJC ( de Vrijzinnig Christelijk Jeugdcentrale). Ze ging zomerkampen leiden en raakte later ook bij de organisatie van het jeugdwerk betrokken.

Werkzaamheden in Amsterdam

In 1932 besloot Bladergroen alsnog een universitaire studie psychologie te volgen, destijds een onderdeel van de studie wijsbegeerte. Haar hoogleraren waren H.J. Pos (filosofie), G. Révész (psychologie) en Ph.A. Kohnstamm, bij wie ze het bijvak pedagogiek volgde. Ze bleef de eerste jaren gymnastiek geven. Na haar kandidaatsexamen ging ze lesgeven op de Amsterdamse School voor Maatschappelijk werk, aan de Opleiding van Montessorileerkrachten in Utrecht en aan leerkrachten van de Werkplaats Kindergemeenschap van Kees Boeke. Na de Duitse inval (1940) studeerde ze in ijltempo af. Ze vestigde zich toen als zelfstandig kinderpsychologisch-pedagogisch adviseur in Amsterdam. Daarnaast wilde ze promoveren. In 1941 begon zij op eigen kosten (subsidie van de bezettingsautoriteiten wilde ze niet aanvragen) een schoolklasje voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (LOM). Vanwege de toeloop uit het hele land begon ze in 1943 een internaat met onderzoekspraktijkruimte en een afzonderlijke school. ‘Zo startte de remedial teaching’, schreef ze later zelf.

Begin 1944 werd Bladergroen gearresteerd omdat ze joodse kinderen in haar internaat verborg. Ze kwam terecht in kamp Vught, maar werd al snel om medische redenen vrijgelaten. Zijzelf en haar noodlijdende instituut overleefden met moeite de Hongerwinter. Na de bevrijding nam ze de draad weer op en bracht haar instituut onder in de Stichting Psychologisch-Paedagogisch Instituut Amsterdam. Het had een psychodiagnosticum, een lomschool en een internaat voor kinderen die langduriger geobserveerd moesten worden. Ze behandelde vooral schoolkinderen die in hun zintuiglijke en motorische ontwikkeling waren achtergebleven. Iedereen op het instituut noemde haar inmiddels Iwah, acroniem van ‘in werken altijd helpend’. De financiering van het instituut bleef een punt van voortdurende zorg: een overname door de gemeente Amsterdam strandde. Bladergroen bleef daarom ook lesgeven, onder andere op de Amsterdamse ALO en op het Nutsseminarium Pedagogiek. Een huwelijksaanzoek wees ze naar eigen zeggen af omdat ze er geen gezin bij kon hebben. Niettemin voedde ze de zoon van een tijdens de bezetting omgekomen vriendin als pleegkind op.

Hoogleraar in Groningen

Bladergroen kreeg intussen steeds meer erkenning als diagnostica en kinderpsychologe. Ze werkte samen met medici zoals de kinderarts Philip Hendrik Fiedeldij Dop, de kinderpsychiater Theo Hart de Ruyter en de oogarts Christina Janse-Stuart, met wie ze vriendschappen voor het leven sloot. Haar opvattingen en werkwijze waren echter niet onomstreden. Het werk aan haar dissertatie stagneerde, onder andere door tegenwerking van haar oude leermeester Révész. Hoewel ze geen doctorstitel had, werd ze in augustus 1949 de eerste lector in de kinderpsychologie aan de Rijksuniversiteit te Groningen. Het voornemen van de bestuurders om daarnaast een universitair Pedologisch Instituut op te richten liep op niets uit. Bladergroen zette daarom in Groningen ook een privépraktijk op en opende in 1956 in het nabijgelegen Eelde een tweede lomschool. In 1963 richtte ze in Groningen een Stichting Instituut voor Remedial Teaching op met een school voor elementair en voortgezet buitengewoon onderwijs. Haar privépraktijk bracht ze onder in de Stichting Research Leermoeilijkheden, die zich ook met de financiering van haar onderzoek bezighield. Zo kon ze alsnog de gewenste samenhang tussen theorie en praktijk verwezenlijken – zij het niet allebei in universitair verband.

Bladergroen had zich door haar werkzaamheden ontwikkeld van kinderpsychologe tot orthopedagoge. In 1959 werd ze in Groningen benoemd tot buitengewoon hoogleraar in dit vak, op voorwaarde dat ze zou promoveren. Ze had inmiddels veel over de lomkinderen gepubliceerd, maar het wetenschappelijke kader ontbrak nog. Haar drukke adviespraktijk voor ouders en kinderen en haar vele optredens op congressen en voorlichtingsbijeenkomsten lieten ook weinig tijd voor wetenschappelijke reflectie. De impasse werd doorbroken toen de pas opgerichte faculteit der Sociale Wetenschappen bereid bleek haar in februari 1966 aan te stellen als gewoon (maar nog altijd ongepromoveerd) hoogleraar in de opvoedkunde van het afwijkende kind.

‘Bla’, zoals ze door studenten werd genoemd, bleef als hoogleraar in de eerste plaats praktisch gericht. In haar afscheidscollege pleitte ze ervoor studenten ‘niet te laten droogzwemmen in theoretische postulaten’, maar de studie te verlevendigen door toegang te zoeken tot de praktijk (Bladergroen, 1978, 17). Haar hoorcolleges waren vaak onvergetelijk. Het ene moment haalde ze herinneringen op aan haar samenwerking met ‘mijnheer Jean Piaget uit Genève’, de vader van de moderne empirische kinderpsychologie, het andere ogenblik liet ze in een solopantomime zien hoe een zuigeling stap voor stap leerde reageren op contact met de moeder. Ook buiten de universiteit droeg ze haar denkbeelden uit. Ze pleitte onvermoeibaar voor de rechten van het kind, vooral wanneer dat in zijn normale lichamelijke en geestelijke groei werd geremd. Fel keerde zij zich tegen maatschappelijke ontwikkelingen die een vrije ontplooiing in de weg stonden, zoals het opgroeien in flats, het drukke verkeer dat buiten spelen belemmerde, en de televisie. Ze was tegen crèches en peuterspeelzalen, omdat ouders de plicht hadden zelf hun kinderen te begeleiden. Veel waarde hechtte ze aan kinderspel en goed speelgoed. In 1958 was ze medeoprichtster van de International Council for Children’s Play.

Bladergroen heeft haar hele leven onvoorstelbaar hard gewerkt. Aan een sociaal leven kwam ze nauwelijks toe. Ze had weinig vrienden en ging slechts af en toe naar een concert. Wel maakte ze met haar vriendin Mimi Nooteboom vakantiereizen, vooral naar Frankrijk. Vanaf 1969 verloor ze geleidelijk de greep op haar vele werkzaamheden. Haar Amsterdamse instituut moest ze in 1969 na een conflict loslaten, de Stichting Research ging in 1974 failliet, op haar Groningse instituut voor orthopedagogiek ontstonden met de democratisering grote problemen. Haar persoonlijke toewijding nam nog altijd veel mensen voor haar in, maar ze was star in het wetenschappelijk debat en kon weinig kritiek velen. In het zicht van haar emeritaat nam ze begin 1978 teleurgesteld ontslag. Wel zat ze in 1979 nog in de Nationale Commissie voor het Internationale Jaar van het Kind en bleef zij actief in haar privépraktijk. In het najaar van 1983 werd Wilhelmina Bladergroen ziek. Ze overleed op eerste kerstdag, 75 jaar oud.

Reputatie

Dat Wilhelmina Bladergroen pionierswerk verrichtte voor kinderen met opvoedings- en leerproblemen staat buiten kijf. Voor hen ontwikkelde ze nieuwe didactische en therapeutische methoden. Ze was daarmee een van de grondleggers van de universitaire orthopedagogiek in Nederland. Ze stond op de bres voor het respecteren van het eigen karakter van de kleutertijd. Nog steeds herkenbaar blijft haar missionaire oproep om kinderen bovenal de ruimte te geven om te spelen. Haar portret hangt in de Senaatskamer van de Groningse universiteit, de ‘hall of fame’ van beroemde hooggeleerden uit de eeuwenoude geschiedenis van de universiteit – de tweede en tot op heden laatste vrouw in deze eregalerij.

Naslagwerken

BWN.

Archivalia

Bibliotheek Rijksuniversiteit Groningen: Archief W.J. Bladergroen.

Publicaties

  • Problemen der kinderdiagnostiek. Openbare les (Groningen 1949).
  • Lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van het kind (Amsterdam 1962) [15 drukken].
  • Verantwoording van verkenning. Oratie (Groningen 1967).
  • Nooit òf-òf, altijd èn-èn (Groningen 1978) [afscheidscollege].
  • Volledige bibliografie in M. van Essen, Wlhelmina Bladergroen, Vrouw in de eeuw van het kind (Amsterdam 2012)

Literatuur

  • F.J. van den Broek en W.E. Nooteboom, ‘Biografie’, in: Idem red., Keuze uit het werk van Wilhelmina J. Bladergroen (IJmuiden 1978) ix-xv.
  • Tijdschrift voor Orthopedagogiek 17 (1978) 7/8 [themanummer over W.J. Bladergroen].
  • Markant, 6-9-1979 [NOS televisiedocumentaire over leven en werk van Bladergroen].
  • A. Boon en P. Veerman, Het orthopedagogisch werk van W.J. Bladergroen (doctoraalscriptie Historische Opvoedkunde, Universiteit van Amsterdam, 1984).
  • C. van Gorkom, ‘W.J. Bladergroen (1908-1983). Een leven voor kinderen’, in: Mineke van Essen en Mieke Lunenberg red., Vrouwelijke pedagogen in Nederland (Nijkerk 1991) 144-158.
  • Roelof de Groot e.a. red., Bladergroen. Voorwaarden voor opvoeding en onderwijs (Nijkerk 1993).
  • Roelof de Groot, ‘Wilhelmina J. Bladergroen (1908-1983), schepper van voorwaarden voor opvoeding en onderwijs’, in: Jan Dirk van der Ploeg red., Kopstukken van de orthopedagogiek (Rotterdam 2006).
  • Mineke van Essen, Wilhelmina Bladergroen. Vrouw in de eeuw van het kind (Amsterdam 2012).

Illustratie

Foto, door onbekende fotograaf, ca. 1955 (Rijksuniversiteit Groningen).

Auteur: Redactie (met dank aan Mineke van Essen)

 

 

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 922

laatst gewijzigd: 10/10/2017