Cunera (?-4e of 5e eeuw)

 
English | Nederlands

CUNERA (gest. 28-10- ca. 337), beschermheilige tegen keelziekten en veeziekten. Volgens de legende dochter van ene hertog Aurelius en Florencia, de christelijke dochter van de sultan van Babylonië. Cunera bleef ongehuwd.

In de veertiende-eeuwse levensbeschrijving (Passio) van Cunera wordt haar leven in verband gebracht met dat van ‘haar nicht’, de heilige Ursula van Keulen. In 337 zou Ursula aan Cunera gevraagd hebben om mee te gaan op pelgrimstocht naar Rome. Op de terugreis werden de schepen van het gezelschap bij Keulen overvallen en de reisgenoten, onder wie Ursula en haar elfduizend maagden, werden gedood. Cunera echter werd gered door de koning van de Rijn, die onder de indruk was geraakt van haar schoonheid. Hij verstopte haar onder zijn mantel en nam haar mee naar zijn kasteel in Rhenen.

Daar versmaadde zij alle luxe – ze bad, vastte en stond de armen bij. De koning waardeerde haar zo dat hij haar de sleutel ‘van al sinen dingen’ gaf, zodat zij in zijn afwezigheid de feitelijke macht had. Dit maakte dat de koningin haar ging haten en haar probeerde zwart te maken bij haar man. Toen de koningin een keer zag dat Cunera na de maaltijd het overgebleven eten van tafel haalde om aan de armen te geven, zei zij tegen haar man dat ze hun bezittingen stal. De koning riep het meisje bij zich en vroeg haar te laten zien wat ze onder haar mantel had. Hierop bad zij tot God, en het meegenomen brood veranderde in houtsnippers. Dit maakte de koningin nog bozer, en ze besloot haar te doden.

Dood door wurging

Op een moment dat de koning op jacht was, wurgden de koningin en een van haar dienaressen Cunera met een doek en begroeven haar in een paardenstal. Toen de koning thuis kwam en vroeg waar Cunera was, beweerde zijn vrouw dat haar familie plotseling was gekomen en haar had meegenomen. De paarden weigerden echter de stal binnen te gaan waar Cunera begraven lag. ’s Avonds zag een knecht in de paardenstal brandende kaarsen in de vorm van een kruis. Hij vertelde dit aan de koning, die zijn knechten op onderzoek stuurde. Zij vonden het vers gedolven graf en groeven het lichaam van Cunera op. De koning begreep direct wat er gebeurd was en liet zijn vrouw zozeer pijnigen dat ze daarna drie dagen lang als een waanzinnige tierend door het land liep, haar haren uitrukte, haar kleren stuk trok en zich ten slotte van een berg wierp.

Vele jaren later was Willibrord (658-739), de eerste bisschop van Utrecht, in Rhenen op doorreis. De bevolking vertelde hem over de wonderen die er plaatsvonden en vroeg hem om Cunera’s verheffing – de opgraving en het in een schrijn plaatsen van een lichaam, een officieuze heiligverklaring. Inderdaad keerde de bisschop later terug voor de plechtigheden. Hij bepaalde haar feestdag op 28 oktober, de dag van haar dood. Later, bij haar opname in de Utrechtse heiligenkalender, werd haar feestdag vastgesteld op 12 juni, de dag van haar verheffing. Rond het graf in Rhenen vonden veel wonderen plaats.

Achter dit sprookjesachtige verhaal lijken ook historische feiten schuil te gaan. Allereerst is er het kasteel van de koning van de Rijn. Archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat zich tegen het einde van de vierde en het begin van de vijfde eeuw inderdaad een machtscentrum in de buurt van Rhenen bevond. De nabijgelegen Donderberg, de Laarseberg en de Grebbeberg komen wellicht in aanmerking als de berg waar de jaloerse koningin zich van af zou hebben gestort. De zogenoemde wurgdoek (‘dwale’) van Cunera – in de veertiende eeuw genoemd als reliek van de heilige – wordt verbonden aan een doek die zich nu in Museum het Catharijneconvent in Utrecht bevindt. Het fabricaat lijkt sterk op Koptisch weefsel uit Egypte en dateert uit de vierde of vijfde eeuw. In een machtscentrum als Rhenen waarschijnlijk is geweest, is de aanwezigheid van een dergelijke kostbare doek niet ondenkbaar. Het thema van de schenking van de sleutel – de bestuursmacht – tenslotte, komt vaker voor in de vroegmiddeleeuwse literatuur en is een realistisch gegeven in het hofleven. Bij afwezigheid van de koning was de koningin de hoedster van de koninklijke schatkist, waarmee zij een zekere politieke machtspositie kon opbouwen. Het verlies van dit recht kan dus zeker tot grote woede hebben geleid.

Dat er in het verhaal een opmerkelijk aantal historisch realistische feiten lijken te zitten, wil niet zeggen dat de persoon Cunera heeft bestaan. Het kan zijn dat een oud verhaal, eeuwenlang rondverteld, werd gebruikt om een heilige mee te creëren. In het geval van Cunera is het niet ondenkbaar dat ze een adelsheilige is. Na de kerstening werd dit type heiligen door de elite opgevoerd om er hun vroegere charismatische en sociale positie mee te kunnen handhaven. Een kerk of klooster konden zij opdragen aan deze ‘eigen’ heilige.

Verering

Cunera komt voor de eerste keer voor in een Engels handschrift dat tussen 1054 en 1072 is ontstaan. Ze wordt genoemd tussen heiligen uit de Nederlanden als Willibrordus, Trudo en Liudger, en de vrouwen Pelagia en Walburga, de laatste een volgelinge van Bonifacius en vereerd in Tiel. De interesse in dergelijke lokale heiligen werd echter niet toegejuicht door de kerk. Het is dan ook niet vreemd dat bisschop Meinwerc van Paderborn, de zoon van Adela van Hamaland, laat merken dat hij niet onder de indruk van deze heilige is, zoals valt op te maken uit zijn levensbeschrijving van omstreeks 1160. De plaatselijke bevolking dacht daar kennelijk anders over, want zij wilde volgens dit verhaal juist zweren op Cunera’s relieken.

De verering van Cunera was in de twaalfde eeuw dus al een zaak van het volk geworden. Volgens Cunera’s levensbeschrijving was het de plaatselijke bevolking die aan de bisschop vroeg of hij de heilige wilde verheffen. De Passio werd in de tweede helft van de veertiende eeuw op schrift gesteld. Dit was zeker het gevolg van de wens van de bewoners om van Rhenen een bedevaartplaats te maken en zodoende inkomsten te vergaren. Naast het levensverhaal van Cunera werden ook de mirakelen die bij haar graf geschiedden op schrift gesteld. De Passio S. Cunerae werd in 1479 toegevoegd aan de eerste drukken van de Legenda Aurea, de beroemde verzameling heiligenverhalen, en Cunera werd opgenomen in de Utrechtse heiligenkalender. De verering van de heilige – onder meer als beschermster van paarden – had haar hoogtepunt in de vijftiende en zestiende eeuw. Maar nog in de twintigste eeuw werd in Heeswijk tijdens de Cunerabedevaartsweek in juni het vee gezegend. Ook in Vorstenbosch werd jarenlang een Cuneraprocessie gehouden – de kerk aldaar heeft een relikwie van Cunera die dateert van rond 1600. In 1969 werd Cunera bij een grote opschoning uit de officiële Romeinse heiligenkalender verwijderd.

Naslagwerken

Carasso-Kok.

Archivalia

UB Utrecht, handschriftencollectie: Vita Cunerae virginis et martyris, hs. 390 (Eccl. 20), f. 101v-102v. (omstreeks 1419).

Literatuur en bronnenuitgaven

  • Fr. Gerlacus, De H. Cunera. Haar leven, hare relikwieën, hare vereering en mirakelen, in het kort beschreven (3de druk; Venlo z.j. [1891] [oorspr. 1883]).
  • E.M.Th. Emonds, De legende van Sinte Cunera in de Middeleeuwen (Leiden 1922).
  • Dat leven van Cunera. Transcriptie van 'Dat leuen ende die passie vander heyliger maget sinte Cunera die in die stadt van Rhenen rustende is. Met haer tekenen ende mirakelen die gheschiet sijn ende noch dagelicx geschien die God gedaen heeft  doer die heylighe (ca. 1530), J. Combrink ed. (Rhenen 1988).
  • Fons van Buuren, ‘Sint Cunera van Rhenen, een legende’, in: A. Mulder-Bakker en M. Carasso-Kok ed., Gouden legenden. Heiligenlevens en heiligenverering in de Nederlanden (Hilversum 1997) 109-125.
  • M. Carasso-Kok, ‘Cunera van Rhenen tussen legende en werkelijkheid. Historische elementen en receptie van een Noord-Nederlands heiligenleven’, Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 4 (2001) 28-65.

Illustratie

Houtgravure met scenes uit het leven van Cunera. Uit: Dat leven van Cunera, ed. Combrink.

Auteur: Dimphéna Groffen

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 1

laatst gewijzigd: 08/03/2017