Draak, Amalia Maartje Elisabeth (1907-1995)

 
English | Nederlands

DRAAK, Amalia Maartje Elisabeth (geb. Venlo 25-3-1907 – gest. Amsterdam 16-11-1995), neerlandica, hoogleraar Keltisch, eerste vrouwelijke lid van de afdeling Letterkunde van de KNAW. Dochter van Jan Draak (1872-1948), ambtenaar, en Emma Wahl (1879-na 1948). Maartje Draak bleef ongehuwd.

Maartje Draak was het enige kind van de douanebeambte Jan Draak en de Duitse Emma Wahl, dochter van een postbode. Vanwege haar vaders loopbaan verhuisde het gezin enige malen, en zo belandde Maartje op de HBS-B in Arnhem. Thuis werd veel Duits gelezen. De Chinesische Volksmärchen van Richard Wilhelm (met draken op het omslag), die Maartje eens in de ramsj kocht, wekten haar belangstelling voor sprookjes en oosterse cultuur. Na een staatsexamen Latijn en Grieks ging ze in 1926 Nederlands studeren in Amsterdam, maar ze voltooide haar studie in 1933 in Utrecht, waar  A.G. van Hamel haar wees op het verband tussen de Middelnederlandse Arthurromans en de Keltische verhaaltradities. Als bijvakken koos ze Oudfrans en Oudiers. Na 1933 leerde ze bij Van Hamel nog Welsh. In 1934 debuteerde ze met twee artikelen over de Middelnederlandse Ferguutroman.

Omdat Draak geen baan kon vinden in het onderwijs begon ze een onderzoek naar de Waleweinroman. Daarop promoveerde ze in 1936 bij Van Hamel. Het was de eerste grote Nederlandse studie van een ridderroman in een Europese (lees: Keltische) context. Al in de eerste zin formuleerde ze een provocerende stelling: de Middelnederlandse Waleweinroman was een tot roman omgewerkt sprookje. Haar proefschrift leverde haar korzelige recensies op (Gerritsen, 92-93), maar ook een reisbeurs van een internationale vrouwenorganisatie. Zo kwam ze in aanraking met de meest vooraanstaande keltologen in Engeland en Ierland. Vanwege de Tweede Wereldoorlog moest Draak haar onderzoek staken. Ze werd lerares Nederlands en na de oorlog privaatdocent. Ondertussen werkte ze op uitnodiging van uitgeverij Meulenhoff aan een editie van De reis van Sinte Brandaan, door Bertus Aafjes in eigentijdse verzen omgezet, die in 1949 verscheen. In datzelfde jaar werd Draak benoemd tot – de eerste – lector Keltische taal- en letterkunde in Utrecht en Amsterdam. Na publicatie van haar baanbrekend onderzoek over de Middelnederlandse Lancelotliteratuur (1954) werden beide aanstellingen omgezet in buitengewone hoogleraarschappen. Hierop volgde in 1955 haar verkiezing tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) – ze was daarmee het eerste vrouwelijke lid van de afdeling Letterkunde. Dat andere KNAW-leden haar aanspraken als ‘juffrouw Draak’ en niet als ‘collega’, ergerde haar buitengewoon.

Wat Draak als keltologe dreef, beschreef ze in een rede voor de KNAW (1973): zoals een radiotelescoop golven registreert die miljoenen jaren geleden zijn uitgezonden, zo hoorde zij in Keltische teksten ‘echo’s van een wilde Europese voortijd’. De directe aanleiding voor deze rede was de dreigende sluiting van studierichtingen ‘kleine letteren’. Dat gebeurde in Amsterdam in 1977. Daarna verzorgde Draak alleen nog in Utrecht een hoofdvak keltologie. In 1982 ging zij met emeritaat.

Tot op hoge leeftijd heeft Draak zich beziggehouden met de Middelnederlandse Lancelotliteratuur. Onvoltooid bleef een editie van de veertiende-eeuwse Nederlandse Lancelotcompilatie, een cyclus ontleend aan de Franse Lancelot en prose, met een raadselachtige invoeging van het verhaal van de graalridder Parcival. Voor Draak bleef dat een vreemde eend in de bijt: ‘alsof men een deel van de Max Havelaar zou trachten in te passen in Het land van herkomst’ (Oppenhuis, 136, 182). Wel publiceerde ze in 1985 een reconstructie van de invoeging van het Parcival-verhaal. Draak schreef ook geregeld populaire artikelen, onder meer in Raad en Daad, het maandblad van de Unie van Vrouwelijke Vrijwilligers. De grens tussen populariseren en mystificatie mocht van haar echter niet worden overschreden. In 1976 schreef ze daarom in De Gids een vernietigende kritiek van de quasi-wetenschappelijke Kroniek van Madoc van de literator Hubert Lampo.

Draak verzamelde Aziatische kunst, na de keltologie haar tweede grote liefde. Ze vond dat Aziatische voorwerpen samen met Europese teksten ‘een stereoscopische kijk mogelijk maken op de wereldmythologieën waarin wij mensen leven’ (Draak 1988, 164). Ze werd in 1956 lid en in 1966 bestuurslid van de Vereniging van Vrienden der Aziatische Kunst (VVAK). Toen Maartje Draak in 1995 overleed, mocht de vereniging een keuze uit haar verzameling maken en de rest gedeeltelijk ten eigen bate veilen om daarmee een aankoopfonds te stichten. Een deel van de collectie-Draak is te zien in het Rijksmuseum te Amsterdam, een ander deel in kasteel Heeswijk. Haar keltologische bibliotheek was bestemd voor haar voormalige Utrechtse vakgroep, maar is wegens ruimte- en geldgebrek door de universiteit geveild.

Reputatie

Maartje Draak is ‘de beste verhalenkenner uit de geschiedenis van de medioneerlandistiek’ genoemd (Van Oostrom, 312-313). Met boeken als Sinte Brandaan wist ze een breed publiek te bereiken. De overlevering dat ze zich soms voorstelde met: ‘Mijn naam is Draak en ik doe in sprookjes’, past bij haar reputatie als popularisator.

Draaks aanval op Lampo heeft gemengde reacties opgeroepen. Volgens de letterkundige Joep Leerssen had ze met haar voorliefde voor het sprookjesachtige zelf bijgedragen aan het beeld van de Keltische wereld als een soort ‘Tolkien-cultuur’ (Leerssen, 226). Lampo reageerde in 1978 met een seksistische tirade (Lampo 1978, 282) en er wordt beweerd dat zijn zure oude dame uit een latere roman naar Draak was gemodelleerd. Vast staat dat het altijd vrolijke personage Kaatje Kater (‘ik wil maar zeggen’) in de sleutelroman Het bureau van KNAW-medewerker Voskuil op haar is geënt.

Archivalia

  • Letterkundig Museum, Den Haag: handschriften en brieven van en  aan Maartje Draak.
  • Centraal Bureau voor Genealogie, Den Haag: familieadvertenties Draak.

Publicaties

Behalve bovengenoemde publicaties schreef Maartje Draak ook:

  • ‘De levensloop van een draak’, in: Edel e.a. red., Monniken, ridders en zeevaarders, 155-167.
  • Voor een bibliografie tot 1988 zie Edel e.a. red., 169-184.

Literatuur

  • Hubert Lampo, Kroniek van Madoc: op zoek naar een verloren epos (Amsterdam 1975).
  • H. Lampo, Joachim Stiller en ik: een autobiografie (Amsterdam 1978).
  • D. Edel, W.P. Gerritsen en K. Veelenturf red., Monniken, ridders en zeevaarders. Opstellen over vroeg-middeleeuwse Ierse cultuur en Middelnederlandse letterkunde aangeboden aan Maartje Draak (Amsterdam 1988).
  • D. Edel, ‘De plaats van Maartje Draak in de keltologie’, in: Edel e.a. red., Monniken, 9-16.
  • W.P. Gerritsen, ‘De plaats van Maartje Draak in de neerlandistiek, in: Edel e.a. red., Monniken, 91-95.
  • J.J. Voskuil, Het bureau, 7 delen (Amsterdam 1996-2000).
  • W.P. Gerritsen, ‘Maartje Draak: 25 maart 1907 – 16 november 1995’, Levensberichten en Herdenkingen 1998 (1997) 25-33.
  • Aziatische Kunst 27 nr. 4 (1997); gewijd aan Draak en haar legaat aan de VVAK).
  • Joep Leerssen, ‘Mythe, magie en mystificatie: keltofilie tussen romantiek en New Age’, in: L. Toorians red., Kelten en de Nederlanden: van prehistorie tot heden (Leuven 1998) 223-238.
  • G. Noordenbos, Vrouwen in de Academies van Wetenschappen: van uitsluiting tot uitzondering (Zutphen 2000).
  • S.I. Oppenhuis de Jong, De Middelnederlandse Perceval-traditie. Inleiding op een editie van bewaarde fragmenten van een Middelnederlandse vertaling van de Perceval of Conte du Graal van Chrétien de Troyes en de Percevael in de Lancelotcompilatie (Hilversum 2003).
  • Frits van Oostrom, Stemmen op schrift. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300 (Amsterdam 2006).
  • Clara Strijbosch, ‘Dat moet u dan maar doen! Maartje Draak’, Nieuw Letterkundig Magazijn 31 (2012) nr. 1, 26-28.

Illustratie

Portretfoto, door onbekende fotograaf, ongedateerd (Universiteitsmuseum, Utrecht).

Auteur: Kees Kuiken

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 917

laatst gewijzigd: 23/03/2015