Eeghen, Isabella Henriette van (1913-1996)

 
English | Nederlands

EEGHEN, Isabella Henriette van (geb. Amsterdam 3-2-1913 – gest. Amsterdam 26-11-1996), archivaris en historica. Dochter van Christiaan Pieter van Eeghen (1880-1968), bankier, en Henriëtte Heldring (1883-1984). Isabella van Eeghen bleef ongehuwd.

Isabella (Isa) van Eeghen werd geboren als vierde van zes kinderen in een vooraanstaand doopsgezind patriciërsgezin in Amsterdam. Haar vader was tot 1924 firmant van het koopmanshuis Van Eeghen en Co. en daarna directeur van de Nederlandsch-Indische Handelsbank; haar moeder was afkomstig uit de bekende Réveilfamilie Heldring. Isa groeide op in het statige pand in ‘de bocht’ van de Amsterdamse Herengracht (nr. 497) dat sinds 1885 in bezit was van de familie – tegenwoordig is het Kattenkabinet er gevestigd. De familie was rijk, maar eenvoud stond in alles voorop en de opvoeding was streng. Later verklaarde Isabella van Eeghen dat ze van haar vader in haar jeugd weinig had gemerkt en dat haar moeder pas moeder was geworden toen er kleinkinderen kwamen. De zorg voor de kinderen Van Eeghen lag voornamelijk in handen van een kinderjuffrouw.

Opleiding en loopbaan

Isa was een wat gesloten kind dat graag las, maar omdat een van haar oudere zussen was mislukt op het lyceum en zijzelf niet goed kon spellen, stuurden haar ouders haar naar de Middelbare Meisjes School (MMS). Dit tot groot verdriet van Isa, die als kind al in de ban was van het verleden en later wilde gaan studeren. Daarom besloot zij na de MMS staatsexamen gymnasium-A te doen. Toen zij dat in 1931 had gehaald, ging ze geschiedenis studeren aan de Universiteit van Amsterdam.

Nadat Van Eeghen in 1937 haar doctoraal had gehaald, begon zij bij Hajo Brugmans aan een promotie-onderzoek naar de vrouwenkloosters van Amsterdam. Na Brugmans’ dood in 1939 nam Jan Romein de begeleiding over. De pogingen van Romein om zijn promovenda tot het schetsen van wat bredere lijnen over te halen waren vergeefs. Op 9 december 1941 promoveerde zij op de zeer archivalische studie Vrouwenkloosters en Begijnhof in Amsterdam van de 14e tot het eind der 16e eeuw. Het werk werd direct beschouwd als een baanbrekende studie, vooral vanwege de rijkdom aan gegevens. Wel was er kritiek op de vorm (o.a. de interpunctie).

Na haar promotie volgde mejuffrouw Van Eeghen – zoals zij zich haar hele leven consequent zou laten noemen – de archiefopleiding, en in het kader daarvan inventariseerde zij het archief van de Waalse gemeente van Amsterdam. Zij deed dat als volontair, want een baan aan het Amsterdamse Gemeentearchief was er niet. In 1943 behaalde zij haar diploma, maar nog steeds had het archief haar als archivaris geen baan te bieden. Zij wilde echter niet weg, en omdat er wel een administratieve functie vacant was, begon mejuffrouw Van Eeghen haar loopbaan aan het Gemeentearchief in 1944 als administrateur. Drie jaar later, in 1947, werd zij alsnog aangesteld als chartermeester, nadat zij had gedreigd met een vertrek naar het archief van Maastricht.

Op 32-jarige leeftijd verliet mejuffrouw Van Eeghen het ouderlijk huis. Zij verhuisde naar de Prinsengracht, waar zij kamers betrok in een huis met vijf andere dames. Vrijwel dagelijks bleef zij echter bij haar ouders thuis de maaltijd gebruiken. Aan een huwelijk is zij, naar eigen zeggen, nooit toegekomen. Met de conservatief-liberale politicus en historisch publicist Harm van Riel was zij zeer bevriend, maar er was geen sprake van een liefdesrelatie: ‘Ik had daar nooit zoveel behoefte aan. Als je vroeger trouwde werd je door de gemeente meteen ontslagen, en het werk neerleggen was voor mij ondenkbaar’.

Van 1951 tot haar pensioen in 1978 was mejuffrouw Van Eeghen als adjunct-archivaris werkzaam bij het Amsterdamse archief. Hogerop wilde zij niet komen, want dan zouden ‘administratieve bisbilles’ – een uitdrukking van Van Riel – haar maar afleiden van haar wetenschappelijke werk. Heel bewust is zij dus haar leven lang ‘adjunct’ gebleven, met alle vrijheden die dat gaf. Soms wist ze in die hoedanigheid haar wil door te drukken. Zo heeft zij ervoor gezorgd dat het Gemeentearchief in 1960 de unieke collectie negatieven van fotograaf Jacob Olie aankocht – nog altijd een onvolprezen venster op Amsterdam in de tweede helft van de negentiende eeuw.

Publicaties en hobby’s

In 1946 trad mejuffrouw Van Eeghen als eerste vrouw toe tot het bestuur van het Genootschap Amstelodamum, en tot 1967 bleef zij het enige vrouwelijke bestuurslid. Van 1950 tot 1984 was zij ook redacteur van zowel Maandblad als Jaarboek Amstelodamum. In deze twee periodieken vond zij hét forum om te publiceren. Toen er ter gelegenheid van haar afscheid een vriendenbundel van het Jaarboek werd gemaakt, kon zij dan ook niet begrijpen dat ze daaraan zelf geen bijdrage mocht leveren: zij schreef er immers ieder jaar in! En natuurlijk kreeg zij haar zin. Zo droeg zij met het artikel ‘Dertig jaar archiefonderzoek, Casanova-Symons-Hooft’ bij aan haar eigen liber amicorum. Uit haar hierin opgenomen bibliografie blijkt dat zij toen al meer dan zeshonderd zelfstandige publicaties van zeer diverse omvang op haar naam had staan – waaronder vele inventarissen en bronnenpublicaties – en verder meer dan 250 boekbesprekingen.

Met haar werk heeft mejuffrouw Van Eeghen voor lange tijd richting gegeven aan het onderzoek naar de geschiedenis van Amsterdam in brede zin: boekhistorisch, kunsthistorisch, letterkundig, sociaal-economisch. Een voorbeeld daarvan is De Amsterdamse boekhandel, 1680-1725, een monnikenwerk dat zij in vijf delen (in zes banden) tussen 1960 en 1978 heeft gepubliceerd en dat een ware ‘Fundgrube’ is voor de Europese boekgeschiedenis. Van groot belang voor het sociaal-economisch onderzoek is haar ‘Fibula-tje’ De gilden (1965). Het door haar ontdekte en in 1959-1960 uitgegeven Dagboek van broeder Wouter Jacobsz., een monnik uit Gouda die tussen 1572 en 1578 als vluchteling in het koningsgezinde Amsterdam zat, heeft het beeld van de eerste jaren van de Opstand voorgoed veranderd.

Ook was het mejuffrouw Van Eeghen die met haar archivalische speurwerk de kunsthistorici op het spoor van exacte dateringen en toeschrijvingen bracht. Het beroemdste voorbeeld hiervan is haar artikel ‘Elsje Christiaens en de kunsthistorici’ (1969). Hierin toont zij aan dat de Rembrandtkenners een tekening van een opgehangen vrouw ten onrechte omstreeks 1655 dateerden. Zij ging op zoek naar haar in de verhoorboeken van het gerechtelijk archief en kon zo vaststellen dat het hier moest gaan om een Deens dienstmeisje dat op 1 mei 1664 wegens moord ter dood was veroordeeld. Het moet voor haar als een ware triomf hebben gevoeld, want het simpele handwerk in het archief had gewonnen van de ongrijpbare kunsthistorische ‘stijlkritiek’.

Mejuffrouw Van Eeghen was een verzamelaarster. Zij zette de Amsterdamse prenten- en tekeningenverzameling van haar vader voort. Het is een van de weinige historisch-topografische atlassen die integraal in stand zijn gebleven; het Gemeentearchief heeft haar in bewaring. Zelf legde zij een bijzonder rijke collectie waaiers aan, die zij naliet aan het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap. Toen in 1983 een groot aantal (138) tekeningen uit het dagboek van de door haarzelf ontdekte negentiende-eeuwse tekenaar Christiaan Andriessen op een veiling opdook, financierde zij persoonlijk de aankoop ervan voor het Gemeentearchief.

Letterlijk tot aan haar dood is mejuffrouw Van Eeghen blijven schrijven. De onderwerpen waarover zij (bij kortere publicaties als ‘I.H.v.E.’) schreef, waren zeer divers. Ze publiceerde onder andere over kloosters, familiearchieven, dienstmeisjes, kunstenaars, gilden, kerken, gelovigen, drukkers en boekhandelaars, dichters, kranten, handel, huizen, ambachten, moorden, waaiers, schilderijen, tekeningen, prenten, hofjes, kinderen, vrouwen, dagboeken; kortom, over alles wat het verleden aan stof te bieden had. Deze brede belangstelling is deels te verklaren uit haar bereidheid vragen te beantwoorden die haar als archivaris werden voorgelegd. Zij zocht de zaak dan tot op de bodem uit en publiceerde haar bevindingen. Deels is die diversiteit ook het gevolg van haar associërende manier van werken: via het ene onderzoek rolde zij vanzelf in het andere. Zij kon daaraan geen weerstand bieden, want als haar nieuwsgierigheid eenmaal was gewekt, moest en zou deze worden bevredigd.

In haar ijver was mejuffrouw Van Eeghen ongedisciplineerd: alleen als zij sliep was zij niet aan het werk. Ook na haar pensionering bleef zij dagelijks op het archief komen, totdat dit niet meer ging. In de laatste fase van haar leven kreeg zij last van diabetes en raakte zij wat verward. Zij was in die tijd geïntrigeerd geraakt door de mystiek in het werk van de zeventiende-eeuwse dichter en graveur Jan Luyken. Haar artikelen over hem werden op het laatst zo onbegrijpelijk dat de redactie van het Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum besloot de Luyken-serie te staken. ‘Jullie vermoorden me!’, heeft zij bij die gelegenheid uitgeroepen, maar uiteindelijk legde ze zich erbij neer. Haar laatste stuk over Jan Luyken verscheen in 1993. Op het laatst kwam mejuffrouw Van Eeghen nog maar nauwelijks uit de keuken van haar huis aan de Prinsengracht – daar werkte zij het prettigst aan een keukentafeltje, tussen de potten en de pannen. Zij stierf op 26 november 1996 aan een hersenbloeding, 83 jaar oud, en werd begraven op de Nieuwe Oosterbegraafplaats.

Betekenis

De betekenis van mejuffrouw Van Eeghen voor de geschiedschrijving van Amsterdam is moeilijk te overschatten. Voor haar werk ontving zij onder meer de Bucheliusprijs (1958), de Menno Herzbergerprijs (1965), de Zilveren Penning van de stad Amsterdam (1971) en de Zilveren Museummedaille van de stad Amsterdam (1988). Ze vatte het historisch onderzoek op als detectivewerk. Terecht is zij daarom wel de ‘Miss Marple van de Amsterdamse geschiedschrijving’ genoemd. Haar stijl was persoonlijk. Zo opende zij haar publicaties nogal eens met een verwijzing naar gesprekken met anderen die haar op het spoor hadden gebracht. Zij beschreef graag haar zoektochten, ontdekkingen en verrassingen, en verwerkte rustig haar jeugdherinneringen en persoonlijke belevenissen in haar artikelen. Aan de vorm van haar publicaties heeft Van Eeghen nooit veel aandacht willen besteden. Uiterlijkheden – ook wat haar eigen voorkomen betreft – vond zij nu eenmaal volstrekt oninteressant. In dit opzicht heeft zij zichzelf tekort gedaan: haar werk zou aan zeggingskracht hebben gewonnen als zij meer zorg had besteed aan de presentatie van haar onderzoeksresultaten. Veel van haar bevindingen zijn moeilijk te traceren omdat ze schuilgaan achter een overdaad van details. Nieuwsgierigheid en vooral ‘human interest’ vormden haar drijfveer, en met dat laatste was Isa van Eeghen haar tijd vaak ver vooruit. Zij besteedde aandacht aan kinderen, vrouwen, huwelijk, criminaliteit en egodocumenten, lang voordat deze thema’s onder historici in de mode kwamen.

Naslagwerken

BWN; DBNL.

Archivalia

Stadsarchief Amsterdam: Persdocumentatie betreffende I.H. van Eeghen.

Publicaties

Voor een publicatielijst t/m 1978, zie M.B. Lohmann-de Roever, ‘Bibliografie van de geschriften van dr. Isabella Henriëtte van Eeghen’, Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum 70 (1978) 409-453. Hierna verscheen nog als zelfstandige publicatie:

  • ‘In mijn journaal gezet’. Amsterdam 1805-1808. Het getekende dagboek van Christiaan Andriessen (Amsterdam 1983).

Een overzicht van Van Eeghens boekhistorische publicaties verscheen als bijlage bij Lankhorst, 198-200. De laatste jaren van haar leven publiceerde Van Eeghen vooral over de familie Luyken. De meeste van haar artikelen verschenen in Jaarboek en Maandblad Amstelodamum.

Literatuur

  • H. van Riel, ‘Dr. Isabella Henriëtte van Eeghen, persoon en wetenschappelijke betekenis’, Jaarboek Amstelodamum 70 (1978) 9-16.
  • [Interview door Mieke van Kasbergen], de Volkskrant, 27-9-1986.
  • Otto S. Lankhorst, ‘In memoriam Isabella Henriëtte van Eeghen (1913-1996). “Nieuwsgierigheid is mijn bedrijf”’, De Boekenwereld 13 (1996/1997) 192-200.
  • W.F. Heinemeijer, ‘In memoriam dr. I.H. van Eeghen’, Maandblad Amstelodamum 84 (1997) 1-3.
  • Tessa Luger, ‘De eigenzinnige mejuffrouw Van Eeghen’, Historisch Nieuwsblad 6 (1997) nr. 1, 29-31.
  • Peter Paul de Baar, ‘De Miss Marple van de Amsterdamse geschiedschrijving Isa van Eeghen (1913-1996)’, Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis 18 (1998) 155-166.
  • Marius van Melle, ‘Archiefwerk is detective-werk”. Juffrouw Van Eeghen, 1913-1996’, Ons Amsterdam 50 (1998) 301-305.
  • Wilhelmina Chr. Pieterse, ‘Isabella Henriëtte van Eeghen’, Jaarboek  Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1997-1998 (Leiden 1999) 103-107.
  • Op 31 december 1987 zond de NOS in het radioprogramma Een leven lang een interview uit door Michel Simons met Isabella van Eeghen. Op 8 mei 1988 zond de VPRO in het televisieprogramma Van Dis in de IJsbreker een interview uit door Adriaan van Dis met Isabella van Eeghen.

Illustratie

Portretfoto, door W.M. Alberts, 1978 (Stadsarchief Amsterdam).

 

Auteur: Els Kloek

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 937

laatst gewijzigd: 13/01/2014