Beek, Frederike Martine ten Harmsen van der (1927-2009)

 
English | Nederlands

BEEK, Frederike Martine ten HARMSEN van der, ook bekend als F. Harmsen van Beek (geb. Blaricum 28-6-1927 – gest. Groningen 4-4-2009), schrijfster, dichteres en tekenares. Dochter van Eelco Martinus ten Harmsen van der Beek (1897-1953), illustrator, en Johanna Frederika Langeler (1899-1948), tekenares en tekstschrijfster. Fritzi ten Harmsen van der Beek trouwde (1) op 20-8-1951 in Blaricum met Eric de Mareschal (geb. 1927), geoloog; (2) op 20-12-1957 in Blaricum met Remco Wouter Campert (geb. 1929), dichter en schrijver. Van 1961 tot 1964 had ze een verhouding met Peter Vos (1935-2010), tekenaar. Uit huwelijk (1), dat in juni 1955 werd ontbonden, werd 1 zoon geboren. Huwelijk (2), dat in april 1960 werd ontbonden, bleef kinderloos.

Frederike (Frédérique, Fritzi) ten Harmsen van der Beek en haar broer Hendrik (1930-2007), kinderen van het even succesvolle als drukbezette tekenaarsechtpaar Eelco (ten) Harmsen van (der) Beek en Freddie Langeler, werden in Blaricum opgevoed door hun grootmoeder Geertrui Langeler-van der Mark. Fritzi bezocht achtereenvolgens het Nieuwe Lyceum in Hilversum en de Rijksnormaalschool voor Tekenonderwijs en de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam. Ze maakte noch het lyceum noch haar kunstopleidingen af. 

Jagtlust

Een jaar na de dood van haar moeder – in 1948 – ging Fritzi ten Harmsen van der Beek Frans studeren in Grenoble. Daar raakte ze in 1951 zwanger van de geologiestudent Eric de Mareschal uit Lyon, met wie ze in augustus in Blaricum trouwde. In november beviel ze in Lyon van haar zoon Gilles Pierre Marie Joseph de Mareschal. Het huwelijk werd in 1955 te Grenoble ontbonden. Inmiddels hadden Van der Beek en haar broer de royale erfenis van hun in 1953 gestorven vader er doorheen gejaagd en het ouderlijk huis in Blaricum en de rechten op de creaties van hun vader (waaronder die op het bekende stripfiguurtje ‘Flipje’ voor jamfabriek De Betuwe) verkocht. In 1954 eigenden ze zich de leegstaande villa Jagtlust aan de Eemnesserweg in Blaricum toe. De gemeente Amsterdam kocht dit pand in 1955 om er een kindertehuis van te maken, maar besloot de ‘kraker’ Van der Beek met haar broer en zoontje voorlopig te gedogen. 

In maart 1956 leerde Van der Beek op het Boekenbal de dichter en schrijver Remco Campert kennen. In juli trok hij bij haar in. Jagtlust werd nu de buitensociëteit van de Amsterdamse ‘bohème’. Campert, redacteur van Tirade, zorgde ervoor dat in 1957 de eerste gedichten van zijn geliefde in dit maandblad verschenen. Kort daarna trouwden ze in Blaricum. Van der Beek was inmiddels huisbewaarster van Jagtlust, waarvan ze de benedenverdieping ten eigen bate mocht verhuren. Daarmee was haar geldnood nog niet gelenigd. Een literaire reisbeurs ging in 1958 op aan onbetaalde rekeningen. In december van dat jaar haakte Campert af. Hij vertrok naar Amsterdam en in 1960 werd de scheiding uitgesproken.

Van 1961 tot 1964 woonde Van der Beek samen met de tekenaar Peter Vos. In het weekblad Vrij Nederland, waarvan Vos vaste medewerker was, publiceerde ze tekeningen en gedichten. Deze betrekkelijk stabiele en productieve episode eindigde toen Vos in 1964 introk bij Vrij Nederland-columniste Renate Rubinstein. Inmiddels trachtten de literaire uitgevers Geert van Oorschot (Tirade) en Geert Lubberhuizen (De Bezige Bij) haar te bewegen een dichtbundel uit te geven. In 1965 verscheen Geachte muizepoot en achttien andere gedichten bij De Bezige Bij. Het leek een keerpunt in het leven van Van der Beek. Haar roem werd vergroot door een omslagartikel in de Haagse Post (1965) en een televisie-interview met Ed Hoornik. Critici die al te scherp over haar oordeelden, werden door Rubinstein tot de orde geroepen. In 1969 bracht Van der Beek haar eerste verhalenbundel Neerbraak uit onder de afgekorte naam die ook haar vader had gebruikt: Harmsen van Beek. Inmiddels meed ze publieke optredens. Zelfs op het Boekenbal kwam ze niet meer. Drank en depressie, maar ook zorg om haar losgeslagen zoon Gilles maakten dat zij het isolement koos. Tot haar ontsteltenis besloot de Amsterdamse gemeenteraad in 1970 tot de verkoop van Jagtlust: het huis diende in mei 1971 leeg te worden opgeleverd. Een oude familievriend, ‘oom’ Hein Siedenburg, regelde met financiële steun van vrienden en bekenden de aankoop van een arbeidershuisje in het dorpje Garnwerd op het Groningse platteland.

Garnwerd

In juni 1971 verhuisde Fritzi ten Harmsen van der Beek naar haar ‘crottage’, zoals ze haar nieuwe onderkomen zou gaan noemen. Haar Groningse cultuurschok doorstond ze betrekkelijk goed. Al snel ontfermden de Garnwerders zich over ‘vrouw Harmsen’, zoals ze hun nieuwe dorpsgenote noemden. Ze ging weer schrijven: de verhalenbundel Hoenderlust (1972) en de dichtbundel Kus of ik schrijf (1975). Ze liet zich in 1976 zelfs interviewen voor Hollands Diep. Tevreden sprak ze over haar nieuwe leven: ‘Het is net of hier een soort helderheid heerst, die je eventuele begaafdheid om dat op te merken, versterkt’ en: ‘Dat ruime landschap heeft een soort griezeligheid, maar ik ben niet bang voor griezelig’ (De Jong).

Drie contacten werden in Garnwerd belangrijk voor Van der Beek. Met dichteres Kiek Leenmans (‘M. Vasalis’), die in Roden bij Groningen woonde, raakte zij al gauw goed bevriend (Meijer, 721-722). De kunstenaar Matthijs Röling, docent aan de Groninger kunstacademie, kwam in 1972 te wonen op loopafstand van Garnwerd en werd Van der Beeks nieuwe ‘verloofde’ (idem, 723). Buurvrouw en vriendin Suzanne Rohde werd haar steun en toeverlaat in Garnwerd (Van Gorp). Van der Beek liet zich vrijwel niet meer in met het culturele leven in de Randstad. Toen ze voor haar gehele oeuvre in 1994 de Adriaan Roland Holstpenning kreeg, is ze die niet gaan afhalen. In april 2009 overleed ze in een verzorgingshuis in Groningen. In die stad is ze in besloten kring gecremeerd.

Reputatie

In de bundel Schrijvende vrouwen (2010) heet Fritzi ten Harmsen van der Beek ‘a poet’s poet’. Voor Renate Rubinstein behoorde ze ‘tot de grote oorspronkelijken in onze poëzie’. De jury voor de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, die ze in 1975 kreeg, noemde haar een ‘schrijfster van grotesken’. De indruk van spontane inspiratie beoordeelde de jury als ‘kunstige schijn’: ‘haar gedichten zijn buitengewoon zorgvuldig gecomponeerd’. Haar kleine gepubliceerde oeuvre bleef relatief onbekend, maar juweeltjes zoals de leedbetuiging aan haar kat (‘Goedemorgen? hemelse mevrouw Ping’) staan in enkele bloemlezingen en op de CD die ze in 1989 in Garnwerd opnam. Inmiddels was haar werk onder literatuurcritici al zo vergeten, dat  de Volkskrant in 1988 een door Joost Zwagerman geparafraseerde dichtregel (‘Je bent zo jij als ik nooit ik noch jij zal zijn’) abusievelijk toeschreef aan Conny Vandenbos, omstreeks 1970 een bekende vertolkster van het Nederlandse levenslied (Beekman, 86).

Van der Beeks teruggetrokken leven in Garnwerd stond in schrille tegenstelling tot de legendarische feesten op Jagtlust, die door vaste bezoeker Gerard Reve zijn vereeuwigd in Op weg naar het einde en Nader tot u. Niet alleen Reve, maar ook Campert en de veel jongere schilderes en schrijfster Charlotte Mutsaers (1942) zijn beïnvloed door Van der Beeks grillige stijl en woordkunst. Renate Rubinstein stelde in 1989 dat Mutsaers in de ‘telefoonroman’ De markiezin (1988) grote delen uit gesprekken met Van der Beek letterlijk (maar zonder toestemming of bronvermelding) had overgenomen. Van der Beek zou dit telefonisch aan Rubinstein hebben bevestigd (Rubinstein, 211-219).

In 1998 publiceerde de journaliste Annejet van der Zijl haar geruchtmakende reconstructie van het leven op Jagtlust, naar haar zeggen ‘hoofdzakelijk gebaseerd op oral history’. Een belangrijke informant over deze episode was Campert, maar na veertig jaar bleken feit en fictie lastig te scheiden. Zo bloeide op Jagtlust een rijke bijnamencultuur. Eric de Mareschal heette er ‘graaf Eric de Mareschal le Font St. Margeron de la Fontaine’. Dit leidde tot de mystificatie dat de halve Franse adel Fritzi’s eerste huwelijk had bijgewoond. Van der Zijl nam een en ander voor waar aan. Volgens Suzanne Rohde voelde de dichteres zich door het relaas in het boek pijnlijk gekwetst (Van Gorp, 78). Een biografie van Fritzi ten Harmsen van der Beek is er nog niet. De ooit beoogde biografe Annie van den Oever promoveerde in 2003 op een psychoanalytisch getinte studie van Van der Beeks werk. Pogingen om van haar 'crottage' in Garnwerd een museum te maken, mislukten. Wel is het huisje in 2012 gerestaureerd. In hetzelfde jaar werd haar verzameld werk (waaronder soms verrassend proza) uitgegeven. Sinds 2014 werkt Maaike Meijer aan een biografie van F. Harmsen van Beek.

Naslagwerken

DBNL; Schrijvende vrouwen; E. de Seréville en F. de Saint-Simon, Dictionnaire de la noblesse Française (Parijs 1975).

Archivalia

  • Centraal Bureau voor Genealogie, Den Haag: persoonslijsten F.M. ten Harmsen van der Beek en G.P.M.J. de Mareschal.
  • Letterkundig Museum, Den Haag: niet nader gecatalogiseerde archivalia en brieven van en aan F.M. ten Harmsen van der Beek (sign. H 00286).

Publicaties

  • Ze schrijft met haar stem. Fritzi ten Harmsen van der Beek leest (M. Rubinstein ed., Amsterdam 2010).
  • In goed en kwaad. Verzameld werk (Amsterdam 2012).

Voor overige publicaties, zie Van den Oever, 495-499, en Van der Zijl, 114-115.

Literatuur

  • G.K. van het Reve, Op weg naar het einde (Amsterdam 1963).
  • G.K. van het Reve, Nader tot u (Amsterdam 1968).
  • E. de Jong, ‘Fritzi Harmsen van Beek. De poëzie van Garnwerd’, Hollands Diep 1 (1975) nr. 3, 22.
  • Charlotte Mutsaers, De markiezin (Amsterdam 1989).
  • Renate Rubinstein, Overgangscursus (Amsterdam 1990).
  • K.D. Beekman, ‘Een proeve van postmoderne parodie en pastiche’, Forum der Letteren (1991) 81-89.
  • Arjen Fortuin, ‘Mannen op drift; Jagtlust en de letteren’, NRC Handelsblad, Boeken 31-12-1998.
  • Annejet van der Zijl, Jagtlust. Hoe in een Goois buitenhuis de wereld openging (Amsterdam 2010).
  • Annie van den Oever, ‘Fritzi’ en het groteske (Amsterdam 2003).
  • S. van Gorp, ‘De muze & de mythe’, Ésta (2010) nr. 20, 74-79.
  • Maaike Meijer, M. Vasalis: een biografie (Amsterdam 2011).
  • Maaike Meijer, ‘Seks en dood bij F. Harmsen van Beek (1927-2009)’, Nieuw Letterkundig Magazijn 32 (2014) 88-93 [verschenen na publicatie van dit lemma].
  • Joost Kircz en Maaike Meijer, F. Harmsen van Beek. Stoeten ritseldingen (Amsterdam 2015) [schrijversprentenboek; verschenen na publicatie van dit lemma].
  • August Hans den Boef en Joost Kircz, Onbegonnen werk. De ontvangst van het oeuvre van F. Harmsen van Beek. Een casestudy (Groningen 2015) [verschenen na publicatie van dit lemma].
  • Liefste liefs van Fritzi. Prentbriefkaarten en enkele brieven van Fritzi Harmsen van Beek aan Lucas van Blaaderen (Bloemendaal 2016) [verschenen na publicatie van dit lemma].

Overige literatuur in Van den Oever, 500-527, en Van der Zijl, 137-146.

Illustratie

Portret, door Joost Kircz, ongedateerd.

Auteur: Kees Kuiken 

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 980

laatst gewijzigd: 22/10/2016