Rijsen, Geertruid van (ca. 1397-1416)

 
English | Nederlands

RIJSEN, Geertruid van (geb. Deventer ca. 1397 – gest. Diepenveen 23-9-1416), zuster in het klooster Diepenveen. Dochter van Gerrit van Rijsen en Alijt.

Geertruid was een van de vier dochters van Gerrit van Rijsen en zijn echtgenote Alijt, gegoede en diepgelovige burgers van Deventer. Net als haar zusters Dymme en Katharina deed zij haar intrede in Diepenveen, het vrouwenklooster van de Moderne Devotie (zie Salome Sticken). Volgens de gezamenlijke ‘vita’ van de drie zusters Van Rijsen in het zusterboek was Geertruid al novice in het klooster toen haar moeder ernstig ziek werd. Omdat zij nog buiten het slot was, vroeg haar zus Alijt of zij naar huis wilde komen. Het leven thuis beviel Geertruid zó goed dat zij zelfs dacht dat ‘als God haar moeder zou roepen, zijzelf wellicht met haar vader en zuster en broer in één huis zou kunnen blijven wonen’. Toen haar moeder echter beter werd, ging Geertruid weer terug naar Diepenveen (‘mytter duven totter arcken’).

Toen ze negentien jaar was – op Sint Philippus- en Jacobusdag (1 mei) – werd ze ingekleed. Vijf weken later begon zij bloed op te geven en werd ze in allerijl geprofest. Zes of zeven weken was zij ziek tot ze stervende in een heftige strijd met God en met de duivel raakte. Na enige tijd bleek dat zij een zonde niet had opgebiecht, namelijk het verlangen dat haar gedurende haar moeders ziekte had bekropen om weer thuis te wonen. Dit werd haar door de duivel en door Christus voor de voeten geworpen. Het zusterboek geeft een woordelijk verslag van haar strijd: haar verlangen naar Christus die haar verweet dat ze Hem wilde verlaten, en de duivel die haar aan haar zonden herinnerde. Na twee uur leek ze te worden toegelaten tot de Heer, aldus het zusterboek, en stierf Geertruid.

Handschriften

  • Stads- en Athenaeumbibliotheek, Deventer, Handschriften: Suppl. 198 (101 E 26), fol. 181r-188v.
  • Historisch Centrum Overijssel, Zwolle: Collectie van Rhemen, inv. nr. 1, handschrift D, fol. 117d-126b.

Literatuur

  • Van den doechden der vuriger ende stichti­ger susteren van Diepen Veen (‘Handschrift D’). Eerste gedeelte - De tekst van het handschrift, D.A. Brinkerink ed. (Leiden 1904) 230-237.
  • W.J. Kühler, Johannes Brinckerinck en zijn klooster te Diepenveen (Rotterdam 1908; 2de dr. 1914).
  • L. Jongen en W. Scheepsma, ‘Wachten op de hemelse Bruidegom. De Diepenveense nonnenviten in literairhistorisch perspectief’, in: Th. Mertens e.a., Boeken voor de eeuwigheid. Middelnederlands geestelijk proza (Amsterdam 1993) 295-317, 467-476.
  • Wybren Scheepsma, Hemels verlangen (Amsterdam 1993) 123-131.
  • Wybren Scheepsma, Deemoed en devotie. De koorvrouwen van Windesheim en hun geschriften (Amsterdam 1997) [bevat een uitgebreide literatuuropgave].
  • Anne Bollmann, Frauenleben und Frauenliteratur in der Devotio moderna. Volkssprachige Schwesternbücher in literarhistorischer Perspektive (z.p. 2004).

Auteur: Dimphéna Groffen

laatst gewijzigd: 13/01/2014