Mechelen, Margaretha van (ca. 1581-1662)

MECHELEN, Margaretha van (geb. Lier, België ca. 1581 gest. Den Haag 17-5-1662), maîtresse van stadhouder Maurits. Dochter van Cornelis van Mechelen (gest. voor 1583), schepen van Lier, en Barbara van Nassau-Conroy (gest. voor 1583). Margaretha van Mechelen had vanaf 1601 een relatie met met Maurits prins van Oranje (1567-1625). Uit deze relatie werden 3 zoons geboren.

Via haar moeder stamde Margaretha van Mechelen af van de katholieke bastaardtak van de Nassaus. Zij werd geboren in Lier, maar door de vroege dood van haar ouders bracht zij het grootste deel van haar jeugd door in Leiden, waar zij in oktober 1583 samen met haar zus Wilhelmina en haar broer Anthonis werd toevertrouwd aan de zorg van drie ongetrouwde tantes. Deze zusters van haar moeder waren voormalige kloosterlingen die voor het geweld van de Opstand waren gevlucht en rond 1572 samen met drie andere religieuzes een veilig heenkomen hadden gezocht in Leiden. Daar bewoonden zij met zijn zessen het zogeheten ‘Hof van Zessen’ aan de Papengracht, een statig pand dat met een poort uitkwam op het Rapenburg.

Relatie met Maurits

Vanaf 1601 werd de inmiddels ongeveer twintigjarige Margaretha door Maurits (1567-1625) onderhouden. Het is niet duidelijk hoe zij elkaar hebben ontmoet. Er is verondersteld dat Margaretha hofdame was van Louise de Coligny, de stiefmoeder van Maurits, en dat zij elkaar rond 1599 aan haar hof hebben leren kennen, maar deze veronderstelling is waarschijnlijk niet juist. Wel was er een achternicht met dezelfde naam die in kringen van Louise de Coligny heeft verkeerd en in 1598 als hofdame in dienst kwam bij Maurits’ halfzus Maria van Nassau, die op dat moment hof hield in Delft. Wellicht hebben Maurits en de jonge Margaretha van Mechelen elkaar daar leren kennen. Volgens de genealoog W.J.J.C. Bijleveld is het ook erg onwaarschijnlijk dat Louise de Coligny haar persoonlijk heeft gekend, gelet op de brief die zij op 5 maart 1603 schreef aan een van haar stiefdochters: daarin brengt zij Maurits’ affaire te berde zonder Margaretha van Mechelen bij naam te noemen. In deze brief schrijft Louise dat Maurits nog steeds een liefdesrelatie onderhoudt met ‘zijn dame’, die in Den Haag een aardig huis heeft gekocht voor haarzelf en haar twee zoontjes. Zij meldt ook nog dat Maurits er met niemand over wil praten (gecit. Bijleveld, 67-68).

Een huwelijk tussen Margaretha en Maurits bleef uit, maar het heeft er wel alle schijn van dat de relatie door tijdgenoten lange tijd als een vaste verbintenis werd gezien. Margaretha was katholiek én slechts van lagere adel. Sommige auteurs beschrijven hun relatie daarom als een ‘morganatische’ verbintenis. Inderdaad werd zij in diverse notariële akten en brieven van tijdgenoten met de titel ‘Mevrouw van Nassau’ aangeduid, een aanwijzing voor acceptatie van haar status als ongehuwde echtgenote van Maurits.

De drie zonen van Margaretha en Maurits werden vlak na elkaar geboren, Willem in 1601, Lodewijk in 1602 en Maurits in 1604. Hoewel zij buitenechtelijk waren, kregen ze toch een andere behandeling dan de overige – minstens vijf – bastaardkinderen van Maurits. Zo namen zij deel aan het hofleven en toen de jonge Maurits in 1617 overleed aan de pest, zorgde de vader voor een plechtige begrafenis met diverse hoogwaardigheidsbekleders uit regeringscolleges en het leger. Een teken dat Margaretha’s positie als moeder van zijn ‘speelkinderen’ voor hem niet problematisch was. Constantijn Huygens wijdde een gedicht aan de droeve gebeurtenis, waarbij hij zowel de vader als de moeder noemde, en met geen woord repte over de buitenechtelijkheid van de verbintenis. In zijn testament bedeelde Maurits zijn ‘natuurlijke zonen’ Willem en Lodewijk met heerlijkheden en legaten. Zodoende werden zij na 1625 bekend als Willem, heer van de Lek en Lodewijk, heer van Beverweerd en Odijk.

Margaretha van Mechelen woonde in Den Haag, dicht bij het stadhouderlijk hof van Maurits. Ook verbleef zij vaak in Rijswijk, waar Maurits’ stoeterij was. Van 1613 tot 1627 bewoonde zij een groot pand in de Houtstraat, dat zij op 21 januari 1627 aan Constantijn Huygens verkocht. Daarna huurde zij een huis in dezelfde straat, op de hoek van het Doelenstraatje. Van 1621 tot 1635 bezat zij eveneens het huis De Regenboog aan de Zuid-Oost Buitensingel. Waar zij na 1635 woonde, is niet duidelijk.

Sommige bronnen gaan ervan uit dat Maurits vanaf 1604 ‘ontrouw’ was aan Margaretha, en inderdaad is zijn geregelde contact met ‘nachtvlinders’ overbekend. Toch is niet duidelijk of dit ook het einde betekende van zijn relatie met Margaretha. In de jaren die volgden bleef hij namelijk goed voor haar zorgen. Zo voorzag hij haar bij testament van 13 april 1621 van een jaargeld van 4200 gulden. Vlak voor zijn dood, op 5 april 1625, verhoogde hij het bedrag tot 6000 gulden. Volgens overlevering zou Maurits op zijn sterfbed zelfs hebben gedreigd alsnog met Margaretha te trouwen, om daarmee zijn halfbroer Frederik Hendrik tot een huwelijk te dwingen. In dat geval zou zijn zoon Willem hem opvolgen als stadhouder, in plaats van Frederik Hendrik. Deze liet vervolgens in grote haast het huwelijk met Amalia van Solms voltrekken.

Vermogen

Margaretha van Mechelen was redelijk vermogend. Zij bezat onder andere onroerend goed in Bergen op Zoom, Den Haag, Lier, Oegstgeest, Oudshoorn en Rijsbergen. In het Haagse kohier van de vijfhonderdste penning van 1627 werd ze aangeslagen voor zeventig pond, hetgeen betekende dat haar vermogen toen op 35.000 gulden werd geschat. Maurits zorgde voor haar bij zijn leven en droeg ook zorg voor haar welzijn na zijn dood. De uitkering van Margaretha’s jaargeld werd echter in 1634 stopgezet. Uit notariële akten blijkt dat haar zonen als minderjarigen grote schulden maakten en dat Margaretha die vervolgens moest aflossen. Ook haar kleinzoons schoot zij meermalen te hulp bij het afbetalen van schulden. Op 17 mei 1662 overleed Margaretha in Den Haag. Ze werd begraven in de Pieterskerk in Leiden, waar haar familie een graf had. In De Hollandsche Mercurius van 17 mei 1662 staat vermeld: ‘En den 17 dito overleed de Vrouwe van Mechelen, Moeder van den Heere van Beverweerd’.

Reputatie

Maurits is tijdens zijn leven vaak bekritiseerd om zijn seksuele escapades, maar zelden betrof deze kritiek zijn verhouding met Margaretha van Mechelen. Alleen in het gedicht ‘Klaghte der Vrouwe van Mechelen over de Min des Princen van Oranje’ wordt zijn gedrag jegens haar gehekeld. In dit gedicht van 22 strofen, dat wordt toegeschreven aan Hugo de Groot en rond 1610 zou zijn geschreven, voert de dichter Margaretha op die zich beklaagt over de liefdeloze en zelfzuchtige manier waarop Maurits haar behandelt. Het gedicht is pas in 1651 gepubliceerd, na de dood van Willem II, in een tegen diens nagedachtenis gerichte dichtbundel. Margaretha heeft het gedicht dus zelf kunnen lezen. Of deze scherpe aanklacht tegen Maurits’ zedelijke gedrag al eerder onder tijdgenoten heeft gecirculeerd is niet zeker, iedere verwijzing ernaar ontbreekt vooralsnog.

Lange tijd is Margaretha van Mechelen door historici genegeerd. Haar status als ‘maîtresse en titre’ van Maurits was bekend, en haar zoons werden beschouwd als natuurlijke zonen, maar historici deden er toch vooral het zwijgen toe als het ging om deze affaire van de stadhouder. Pas in de negentiende eeuw begonnen historici zich te verdiepen in het levensverhaal van de ‘bijzit’ van de stadhouder.

Naslagwerken

Van der Aa; Dek Nass; Van Ditzhuyzen (onder Maurits en onder haar zoons); NNBW; Oranje van A tot Z; Piron.

Literatuur

  • J.A. Frederiks, ‘Margaretha van Mechelen’, De Gids 43 (1879) 242-260.
  • De gedichten van Constantijn Huygens, J.A. Worp ed., 1 (Groningen 1892) 98-101.
  • W.J. d’Ablaing van Giessenburg, ‘Mechelen en Nassau-La Lecq’, Nederlandsche Heraut 7 (1892) 153-165.
  • A.J. Servaas van Rooyen, ‘Het huis van Huygens op het Plein’, Haagsch Jaarboekje 9 (1897) 141-158 [142-143: over verkoop van huis aan Constantijn Huygens].
  • H. Brugmans, ‘Uit de protocollen der Haagsche notarissen’, Die Haghe (1909) 1-78 [15-16 en 54-55: over de schulden van de zoons].
  • H.E. van Gelder, ‘Haagsche cohieren I (1627)’, Jaarboek Die Haghe (1913) 9-67 [53:  ‘aanslag vrouw Margrieta van Mechelen’].
  • D. Hoek, ‘Tegenover de Leprozen. De geschiedenis van een buurt van 1461 tot 1681’, Jaarboek Die Haghe (1939) [186-187 (bijlage 96): over Margaretha van Mechelen].
  • J. Bax, Prins Maurits in de volksmeening der 16e en 17e eeuw (Amsterdam 1940) 109-113.
  • W.J.J.C. Bijleveld, ‘“Van het Vrouwtje van Mechelen”, dat hare jeugd in Leiden doorbracht en er ook hare laatste rustplaats vond’, Jaarboekje voor Geschiedenis en Oudheidkunde van Leiden en Rijnland 36 (1944) 114-125.
  • W.J.J.C. Bijleveld, ‘Margaretha van Mechelen’, Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden 4 (1949) 66-72.
  • Thera Coppens, Maurits. Zoon van de Zwijger (Baarn 1984) [roman].
  • J.G. Kikkert, Maurits van Nassau (Weesp 1985) 75.
  • J.J.G. Beelaerts van Blokland, Maurits Prins van Oranje. Redder van de Republiek 1567-1625 (Nieuwegein 1999) 48, 163-164, 166.
  • A.Th. van Deursen, Maurits van Nassau. De winnaar die faalde (Amsterdam 2000) 223-224.
  • K. Zandvliet e.a., Maurits Prins van Oranje (Amsterdam/Zwolle 2000) 49-50.
  • Hanno de Iongh, Oranjebastaarden, een vademecum (Soesterberg 2001) 22-24.
  • Anke Gerritsen, ‘Margaretha van Mechelen’, Jaarboek Historische Vereniging Rijswijk (2001) 7-17.
  • ‘O herder, waak voor uwe schapen’. Nederlandse Gedichten van Hugo de Groot (1583-1645), Jan Bloemendal en Henk Nellen ed. (Voorthuizen 2002) 16-19, 29, 39-40.

Illustratie

Portret door Michiel van Mierevelt, ongedateerd (Particuliere collectie). Uit: Zandvliet, Maurits Prins van Oranje (2000).

Auteur: Lieke van Wijk

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 201

laatst gewijzigd: 13/01/2014