Merken, Lucretia Wilhelmina van (1721-1789)

 
English | Nederlands

MERKEN, Lucretia Wilhelmina van (geb. Amsterdam 21-8-1721 – gest. Leiden 19-10-1789), dichteres. Dochter van Jacob van Merken (1691-1754), bonthandelaar, en Susanna Wilhelmina Brandt (1687-1759). Lucretia Wilhelmina van Merken trouwde op 26-9-1768 in Amsterdam met Nicolaas Simon van Winter (1718-1795), dichter en makelaar in verfstoffen. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Lucretia Wilhelmina van Merken groeide op in Amsterdam aan de Keizersgracht, hoek Herenstraat, in een remonstrants gezin dat behoorde tot de gegoede burgerij. Haar vader was bonthandelaar, haar moeder was afkomstig uit het deftige geslacht Elias. Lucretia had al jong belangstelling voor poëzie en werd daarin gestimuleerd door haar moeder en haar oudere neef, de dichter Frans de Haes. Sybrand Feitama en vooral Vondel waren haar grote voorbeelden. In haar jonge jaren schreef Van Merken veel gelegenheidsgedichten voor de uitgebreide vriendenkring van haar ouders, bijvoorbeeld voor David van Mollem, bezitter van het landgoed Zijdebalen, en voor Gerard Aarnout Hasselaar, burgemeester van Amsterdam. Deze gedichten geven een indruk van de kring waarin het gezin Van Merken verkeerde.

In de loop van de jaren vijftig verloor Van Merken al haar naaste familie: haar vader stierf in 1754, haar moeder in 1759 en haar twee jaar jongere ongehuwde zuster Wilhelmina in 1760. Ook haar eigen gezondheid was sterk achteruitgegaan: ze bereidde zich in 1761 zelfs serieus voor op de dood, zoals zij in 1781 terugblikkend schreef in een brief aan haar stiefzoon Pieter van Winter. Haar verdriet en rouw, maar ook de troost die het geloof haar schonk, heeft zij beschreven in haar leerdicht Het nut der tegenspoeden (1762). Dit werk was al snel buitengewoon geliefd en zou dat decennialang blijven.

Haar eerste grote werk echter schreef Lucretia van Merken toen zij net in de twintig was: het treurspel Artemines uit 1745, dat onder de zinspreuk ‘La vertu pour guide’ bij Izaak Duim te Amsterdam verscheen. Het werd een aantal malen opgevoerd. Rond 1760 raakte Van Merken betrokken bij ‘Laus Deo, Salus Populo’, geen formeel dichtgenootschap, maar een groep geestverwante dichters die ten huize van de boekverkoper-uitgever Pieter Meijer bijeenkwam om aan een alternatief voor de verouderde psalmberijming van Datheen te werken. Van dit uit acht leden bestaande gezelschap – onder wie haar latere echtgenoot Nicolaas van Winter – leverde Van Merken verreweg de meeste psalmen (39). Pas in 1773 kwam er een officiële nieuwe berijming, samengesteld uit de bundels van Hendrik Ghyzen, Eusebius Voet en ‘Laus Deo, Salus Populo’. Van ‘Laus Deo’ werden 58 psalmen opgenomen. Daarvan waren er zeventien van Van Merken, onder andere het beroemde ‘Hijgend hert, der jagt ontkomen’ (psalm 42).

Huwelijk en werken

Van Merken trouwde op 47-jarige leeftijd met de weduwnaar van haar kort daarvoor overleden vriendin Johanna Mühl (1718-1768). Nicolaas van Winter had zijn aanstaande geheel in stijl met een gedicht ten huwelijk gevraagd. Van Merken antwoordde eveneens met een gedicht. Kort na het huwelijk deed Van Winter zijn handel in verfstoffen in Amsterdam over aan zijn enige zoon, Pieter. Het echtpaar Van Winter-Van Merken verhuisde naar Rapenburg 41 in Leiden, vanwaaruit beiden intensieve briefwisselingen voerden met de in Amsterdam achtergebleven familieleden en vrienden, met hun uitgevers Pieter Meijer, Gerrit Warnars en Pieter Uylenbroek, en vooral met (stief)zoon Pieter. In de zomer trokken zij zich terug op hun buitenplaats bij Bijdorp, in de buurt van Zoeterwoude. Hier ontvingen zij hun vele (dicht)vrienden, onder wie Pieter Meijer en diens echtgenote Maria van Havik.

Na hun echtverbintenis gaven Van Merken en Van Winter hun toneelwerken gezamenlijk uit in twee delen Tooneelpoëzij (1774, 1786). Van Merkens Frans-classicistische treurspelen stonden met grote regelmaat op het repertoire van de schouwburgen in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Leiden, maar de dichteres bemoeide zich niet met de opvoeringen en bezocht nooit een repetitie. Op 14 september 1774 werd de nieuwe schouwburg van Amsterdam feestelijk geopend met de première van haar treurspel Jacob Simonszoon de Rijk. Tot ver in de negentiende eeuw zou dit stuk bij speciale gelegenheden worden opgevoerd, bijvoorbeeld op 30 november 1840 bij een ‘galaspektakel’ in de hoofdstedelijke schouwburg in ‘tegenwoordigheid van Hunne Majesteiten’, zoals het aanplakbiljet vermeldde.

In 1774 werden Van Merken en haar man tot ereburgers van Leiden benoemd. Haar treurspel Het beleg der stad Leyden (1774) heeft hierbij zeker een rol gespeeld. In Leiden hield Van Merken zich verder afzijdig van de literaire wereld. Behalve van het gelegenheidsgenootschap ‘Laus Deo’ is zij nooit lid van een dichtgenootschap geweest. Tevergeefs probeerde de jonge Betje Wolff een aantal keren een ontmoeting met de door haar zo bewonderde Van Merken te arrangeren. Rond 1777 sloeg Wolffs waardering plotseling om in regelrechte afkeer van ‘d’afgodin van ’t Likkers Veem’ (kliek van vleiers), zoals zij in een brief de kring rond Meijers uitgeverij-boekhandel aanduidde.

Tegen het eind van de jaren zeventig verslechterde de eens zo kameraadschappelijke relatie met uitgever Meijer, voor wie Van Merken en Van Winter jarenlang de best verkopende auteurs waren. Zakelijke meningsverschillen leidden vlak voor Meijers dood in 1781 tot een breuk. Het conflict werd voortgezet door zijn opvolger en het dichterpaar overwoog een rechtszaak, maar zag daar omwille van de nagedachtenis van hun vroegere vriend van af. Voor Van Merken persoonlijk waren het moeilijke laatste jaren, ook doordat haar gezondheid steeds verder achteruitging.

Van Merkens treurspelen hebben vaak historische gebeurtenissen tot onderwerp, waarin een kloeke held of vaker nog een standvastige, maar gevoelige en godvruchtige heldin centraal staat. Ook in haar heldinnenbrieven valt deze voorliefde op: Charlotte de Bourbon, Maria de Medicis, Louise de Coligny, Johanna Gray en Elisabeth van Engeland. Met de actualiteit liet Van Merken zich in haar gepubliceerde werk nauwelijks in. Alleen in Aan de Britten blijkt haar afkeer van de Engelsen. In de vele bewaard gebleven brieven van het echtpaar is evenwel een gematigd patriotse voorkeur te bespeuren. Opmerkelijk is Van Merkens lofdicht (in het Frans) voor George Washington, in 1784 aan hem persoonlijk toegestuurd. Van Merkens voorkeur voor ernstige onderwerpen en verheven genres spreekt behalve uit de treurspelen ook uit haar twee omvangrijke heldendichten: David (in twaalf boeken, 1767) en Germanicus (in zestien boeken, 1779). Haar laatste werk De ware geluksbedeeling, dat samen met enkele nagelaten rijmbrieven en gelegenheidsgedichten in 1792 verscheen, is net als Het nut der tegenspoeden een beschouwing over het leven, het onontkoombare verdriet en de troost die een sterk Godsvertrouwen kan bieden.

Waardering

Lucretia Wilhelmina van Merken werd vijf dagen na haar overlijden in Leiden begraven in de Oude Kerk in haar geboortestad Amsterdam. Enkele jaren later is daar ook haar echtgenoot bijgezet. Het monument dat het Leidse genootschap ‘Kunst Wordt door Arbeid Verkreegen’ voor Van Merken had willen oprichten is niet verder gekomen dan het ontwerp van Reinier Vinkeles.

In 1828 liet het Leidse ‘Genootschap voor Uiterlijke Welsprekendheid’ in de Amsterdamse Oude Kerk een plaquette voor het dichterpaar aanbrengen, die nog steeds aanwezig is (rechts van het grote orgel). Goed tien jaar later kwam Van Merkens Nut der tegenspoeden ter sprake in de Camera obscura (1839) van Nicolaas Beets, tijdens een reciteeravondje bij de familie Stastok. Uit die episode blijkt dat het Nut nog steeds gelezen werd, maar dat er inmiddels ook mee kon worden gespot. Halverwege de negentiende eeuw raakte het oeuvre van Van Merken in de vergetelheid, ondanks de verschijning van een Anthologie uit haar gedichten in 1851 en een bundel van haar treurspelen, bezorgd door Hendrik Tollens in 1852. Nog in 1909 hield Willem Kloos een – vergeefs – pleidooi voor herwaardering van haar dichtkunst. De lof van haar tijdgenoten was echter groot: zij werd veelal als ‘de Sappho onzer eeuw’ aangeduid. Ook uit de Lykdichten ter gedachtenisse van de grootste der Nederlandsche dichteressen, vrouwe Lucretia Wilhelmina van Merken (1790) spreekt bewondering. In vele tijdschriften en poëticale beschouwingen werd zij ten voorbeeld gesteld aan beginnende dichters.

Van Merkens werk is technisch zeer beheerst, in woordkeuze en beeldspraak, en in haar verstechniek volgt ze Vondels alexandrijnen. Het is tevens verzorgd, erudiet, goed te begrijpen, protestants en troostrijk. Het verheerlijkt episoden uit de (vaderlandse) geschiedenis en besteedt speciale aandacht aan sterke, standvastige vrouwen. Voor de achttiende-eeuwse Nederlander was Lucretia Wilhelmina van Merken letterlijk ‘voorbeeldig’: ze vertegenwoordigde het ideaal van de ontwikkelde, beschaafde burger. Dat ideaal smolt weg onder de verhitte geest van de Romantiek en Van Merkens roem smolt mee.

Naslagwerken

Van der Aa; Kalff; Ter Laan; Lauwerkrans; NNBW; Witsen Geysbeek; Worp.

Archivalia

  • Gemeentearchief Amsterdam: Archief nr. 267 Archief Stadsschouwburg, inv. nrs. 15 en 16, Notulen en rekeningen, inv. nr. 34, Aankondigingsbiljetten.
  • Archief Familie Six, Amsterdam [particulier]: Doos 20 o.a. veel correspondentie [zie ook: H. Höweler, Catalogus van handschriften in het archief der familie Six, typoscript 1932, bewaard in UB Leiden].

Werken

Behalve de in de tekst genoemde titels schreef Van Merken nog de volgende werken:

  • Het boek der psalmen, nevens de gezangen bij de hervormde kerk in gebruik: allen, volgens de gewoone zangwyzen, op nieuw in dichtmaat gebragt door een kunstgenootschap onder de zinspreuk Laus Deo, Salus Populo (Amsterdam 1760) [hierin Van Merkens 39 psalmberijmingen].
  • Het nut der tegenspoeden, brieven en andere gedichten (Amsterdam 1762).
  • Nicolaas Simon van Winter en Lucretia Wilhelmina van Merken, Tooneelpoëzy (Amsterdam 1774) [bevat van Van Merken de treurspelen: Het beleg der stad Leyden; Jacob Simonszoon de Ryk; De Camisards; Maria van Bourgondiën].
  • Het feestvierende Leyden. Eeuwspel (Leiden 1774).
  • Dankoffer voor de Leydsche weezen (Leiden 1785).
  • Nicolaas Simon van Winter en Lucretia Wilhelmina van Merken, Tooneelpoëzy. Tweede deel (Amsterdam 1786) [bevat van Van Merken de treurspelen: Louize d’Arlac; Sebille van Anjou; Gelonide].
  • De waare geluksbedeeling, brieven en nagelaaten gedichten (Amsterdam 1792).

Literatuur

  • Willem Kloos, Een daad van eenvoudige rechtvaardigheid. Studies over onze 18de eeuwsche dichters (Amsterdam 1909) 242-256.
  • J. Wille, ‘De leerschool van Lucretia Wilhelmina’, in: Wetenschappelijke bijdragen, aangeboden door hoogleeraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van haar vijftig-jarig bestaan (Amsterdam 1930) 129-174.
  • H. Höweler, ‘Lucretia Wilhelmina en George Washington’, Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde 52 (1933) 70-77.
  • H.A. Höweler, ‘Betje Wolff en Lucretia van Merken’, in: P. Minderaa e.a. red., Boeket voor Betje en Aagje (Amsterdam/Antwerpen 1954) 73-109.
  • Elly van Logchem, ‘Lucretia van Merken (1721-1789) en het dichtgenootschap “Laus Deo, Salus Populo”’, Voortgang. Jaarboek voor de Neerlandistiek 6 (1985) 285-360.
  • Briefwisseling van Betje Wolff en Aagje Deken. P.J. Buijnsters ed. 2 delen (Utrecht 1987) 179.
  • Simon Vuyk, Verlichte verzen en kolommen. Remonstranten in de letterkunde en tijdschriften van de Verlichting, 1720-1820 (Amsterdam 2000) 98-121.
  • Marleen de Vries, Beschaven! Letterkundige genootschappen in Nederland 1750-1800 (Nijmegen 2001).
  • Simon Vuijk, ‘Twee vrouwen over vaderland en voorzienigheid: Lucretia Wilhelmina van Merken (1721-1789) en Margaretha Geertruid van der Werken (1734 - na 1796)’, De Achttiende Eeuw 34 (2002) 33-48.
  • ‘Lucretia van Merken’, themanummer Literatuur 21 (2004) 7, 18-40.
  • Olga van Marion, Heldinnenbrieven. Ovidius’ Heroides in Nederland (Nijmegen 2005).
  • Marleen de Vries, ‘Uitgegeven… en uitgebuit. Over achttiende-eeuwse bestsellerauteurs, liegende uitgevers, stiekeme privileges en het gedeeld auteurschap’, De Achttiende Eeuw 37 (2005) 36-52.
  • Marleen de Vries, ‘Pieter Meijer (1718-1781), een uitgever als instituut’, Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 28 (2005) 81-103.

Illustratie

Portret, door Reinier Vinkeles naar H. Pothoven (1771), gegraveerd door Reinier Vinkeles, 1792 (Universiteit van Amsterdam; Bijzondere Collecties)

Auteur: Elly van Logchem.

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 491

laatst gewijzigd: 13/01/2014