Pallaes, Maria van (1587-1664)

 
English | Nederlands

PALLAES, Maria van (geb. Utrecht 1587 – gest. Utrecht 23-10-1664), stichteres van de Fundatie van Maria van Pallaes te Utrecht. Dochter van Lubbert Jansz. van Pallaes (gest. 1610) en Maria Johansdr. van Reede (gest. 1649). Maria van Pallaes trouwde op 11-1-1606 in Utrecht met Hendrick van Schroyesteijn (gest. 1630), advocaat bij het Hof van Utrecht. Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 2 dochters geboren.

Maria van Pallaes was het oudste kind van Lubbert Jansz van Pallaes en Maria Johansdr. van Reede. Zij had twee jongere broers: Lubbertus (gest. 1624) en Johan (gest. 1650). De families Van Pallaes en Van Reede behoorden tot oude Utrechtse patriciërsgeslachten. Maria werd rooms-katholiek opgevoed.

Huwelijk

Op 11 januari 1606 trouwde Maria van Pallaes met mr. Hendrick van Schroyesteijn, ook rooms-katholiek, voor de Utrechtse schepenen. Uit de huwelijkse voorwaarden, opgemaakt op 2 januari 1606, blijkt dat Maria van Pallaes meer goederen en kapitaal inbracht dan haar toekomstige echtgenoot. Het echtpaar ging wonen in de Snippevlucht, een straat die tot 1700 bestond: een groep huizen aan de Oude Gracht bij de huidige Bezembrug (V.d. Monde 3, 163-175). Later betrokken zij ‘’t Grote Huijs’ op het Oudkerkhof (nr. 40), waar tegenwoordig café Dikke Dries gevestigd is. Maria van Pallaes woonde hier tot aan haar dood. In 1653 betaalde zij zestien gulden huisgeld, het hoogste tarief van deze belasting.

Hendrick en Maria kregen zes kinderen: Johan, Lubbertus, Adriana, Margaretha, Livinius en Hendrick. Zij werden zeer waarschijnlijk gedoopt in één van de Utrechtse rooms-katholieke schuilkerken. De namen van de oudste vijf kinderen zijn bekend uit het wederkerig testament dat de ouders in 1624 lieten opstellen en waarin zonder opgaaf van redenen werd vastgelegd dat Johan, de oudste zoon, niet in de erfenis zou delen. De betreffende passage vermeldt dat hij zich in Brabant ophield en niet naar Utrecht terug wilde komen. Hij moest de studiekosten die zijn ouders voor hem gemaakt hadden als zijn legitieme portie beschouwen. In 1628 kwam op dit testament een aanvulling waarin het jongste kind, Hendrick, evenmin werd genoemd; men neemt daarom aan dat hij pas hierna geboren is. Niet lang daarna overleed Van Pallaes’ echtgenoot.

Maria van Pallaes overleefde ook haar kinderen. Aangezien van hen alleen Margaretha trouwde – Adriana werd karmelietes in Antwerpen en Hendrick werd priester – en Margaretha’s huwelijk kinderloos bleef, had Van Pallaes geen kleinkinderen.

Maria van Pallaes bezat een aantal huizen in Utrecht en landerijen en hofsteden in de omgeving van de stad. In 1649 was dochter Adriana het enige nog in leven zijnde kind. Maar omdat zij kloosterlinge was, mocht zij geen goederen ‘uit de dode hand’ bezitten. Het familiekapitaal dreigde daardoor na Maria van Pallaes’ dood te vervallen aan de gemeenschap. Daarom diende Van Pallaes in 1649 een verzoek in bij de Staten van Utrecht om vrij over haar goederen te mogen beschikken. Om het familiekapitaal een goede bestemming te geven besloot zij het aan de armenzorg te besteden. In 1651 kocht zij een stuk grond aan de tegenwoordige Agnietenstraat. Hierop liet zij twaalf ‘cameren’ (huisjes) met een ‘refectiehuis’ (eetzaal) bouwen, bestemd voor gratis onderdak voor arme mensen die niet op een andere manier bedeeld werden. Deze huiszittende armen ontvingen jaarlijks hun ‘preuven’ (gratis voedsel en brandstof). Ziekte- en begrafeniskosten kwamen ook voor rekening van de Fundatie.

Van Pallaes liet tussen 1656 en 1662 nog diverse codicillen op haar testament opstellen. Zo liet ze in 1656 bepaalde goederen na aan de Fundatie om met de opbrengsten daarvan de dagelijkse kosten te kunnen bestrijden. In 1659 benoemde zij Johanna Maria van Pallaes, dochter van haar broer Johan en net weduwe geworden, tot universeel erfgenaam, maar toen deze nicht in 1660 hertrouwde met de gereformeerde Johan van Egeren, wijzigde Van Pallaes haar testament. Op 26 november 1662 ten slotte vermaakte zij per codicil diverse legaten aan diverse personen, maar het grootste deel van haar erfenis bestemde ze voor de Fundatie. Zij wees vier erfgenamen als executeur aan: zij moesten de goederen en het kapitaal voor de Fundatie beheren. Drie dagen later liet zij de Fundatiebrief opmaken, waarin zij de regels voor de bewoning en de toekenning van de huisjes vastlegde.

Op 23 oktober 1664 overleed Maria van Pallaes, 77 jaar oud, na een maandenlang ziekbed. Zij werd begraven in overeenstemming met haar stand en rijkdom en werd overluid door de Domkerk, de Buurkerk, de Sint Janskerk en de Sint Nicolaaskerk. Op 7 november 1664 werd ze in Utrecht bijgezet in het familiegraf van Van Pallaes in het schip van de Domkerk, dat tien jaar later bij een wervelstorm zou instorten.

De Fundatie

De Fundatie Maria van Pallaes heeft een rijk archief nagelaten, waaronder het zogenaamde Fundatieboek dat de inventaris van het Refectiehuis en de goederen en kapitalen van de Fundatie beschrijft. Het is mede aan dit boek te danken dat achterhaald kon worden wie Hendrick Bloemaert had afgebeeld op het schilderij dat hij in 1657 in opdracht van Maria van Pallaes maakte. Links staat een groep armen die de preuven ontvangt, rechts zit Maria van Pallaes, in het midden, en achter haar van links naar rechts haar overleden kinderen Livinius, Hendrick, Margaretha, Adriana en Lubbertus. De kinderen had Bloemaert geschilderd naar portretten die bij Van Pallaes in huis hingen en die na haar dood naar een neef zijn gegaan. Maria van Pallaes zelf was naar het leven geschilderd. Het schilderij – een van de weinige Utrechtse regentenstukken – hing boven de schoorsteen in de Refectiekamer. Sinds 1924 bevindt het zich, als ‘Uitdeling aan de armen door Maria van Pallaes’, in het Centraal Museum in Utrecht.

Tot in de negentiende eeuw bleef de Fundatie onder het beheer van twee regenten, die steeds werden aangewezen door hun voorgangers. De uitdeling in natura werd in 1849 vervangen door een bedrag van tien gulden, plus een mud aardappelen en een mud kolen. De Fundatie werd in de loop van de tijd uitgebreid met nog eens 28 huizen, die gebouwd werden uit de opbrengst van de boedel van Maria van Pallaes. Het beheer werd in 1910 overgedragen aan het college van B&W en in 1978 kocht de gemeente de grond, opstallen, de ‘XII Cameren’ en het tot woonhuis verbouwde Refectiehuis. Twee jaar later boekte de gemeente de twaalf huisjes en het Refectiehuis over naar het Utrechts Monumentenfonds.

Het complex aan de Agnietenstraat herinnert nog steeds aan Maria van Pallaes. Boven de entree van het Refectiehuis staat in de gevelsteen te lezen: ‘Maria van Pallaes door liefde Goodts gedreven/ Heeft doen sy weduw’ was van d’Heere Schroyesteyn/ Dees Cameren gesticht eenich onderhout gegeven/ Niet achtend swerels gonst maer Plaets in chemels Pleyn’ (Maria van Pallaes, door liefde Gods gedreven/ heeft toen zij weduwe was van de heer Schroyensteyn/ Deze kameren gesticht [en] enig onderhoud gegeven/ Niet acht slaande op ’s werelds gunst, maar [op haar] plaats in de hemel).

Naslagwerken

Utrechtse biografieën.

Archivalia

  • Het Utrechts Archief: Stadsbewaard Archief I, toegang 708-12 (Fundatie van Maria van Pallaes). Huwelijken voor Schepenen, inv. nr. 153, 11-1-1606. Notarieel Archief: protocollen van notaris Gerard Vastert, acte van overlijden 4-11-1664. Stadsbewaard Archief II, inv. nr. 1166 (Legger huisgelden, huizen noordzijde Oudkerkhoff 1653).
  • Zie ook de bronnen vermeld bij Offringa en Hidden (1980).

Literatuur

  • N. v.d. Monde, Geschied- en oudheidkundige beschrijving van de pleinen, straten, stegen, waterleidingen, wedden, putten en pompen der stad Utrecht: bevattende een overzigt van de oude plaatselijke gesteldheid der stad, van hare bewaking, verlichting en verdere maatregelen, tot veiligheid en gemak der ingezetenen, op de openbare wegen genomen, deel 3 (Utrecht 1844-1846 [herdruk Zaltbommel 1971]) 163-175.
  • G. Offringa en W. Hidden, De Fundatie van Vrouwe Maria van Pallaes, door Hendrik Bloemaert, 1657 (Utrecht 1980) [ongepubliceerde scriptie SOL, te raadplegen in Het Utrechts Archief].
  • G. Offringa en W. Hidden, ‘De Fundatie van Vrouwe Maria van Pallaes, door Hendrik Bloemaert, 1657’, Maandblad Oud Utrecht 56 (1983) nr. 2, 14-18.
  • Jos de Meyere, Utrechtse schilderkunst in de Gouden Eeuw. Honderd schilderijen uit de collectie van het Centraal Museum te Utrecht (Utrecht 2006) 79-85.

Illustratie

‘Uitdeling aan de armen door Maria van Pallaes’ (detail), door Hendrick Bloemaert, 1657 (Centraal Museum Utrecht). Uit: De Meyere, Utrechtse schilderkunst in de Gouden Eeuw.

Auteur: Marja Volbeda

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 205

laatst gewijzigd: 13/01/2014