Rozenbroek, Eléonore Margaretha Augustina Adriana (1944-2012)

 
English | Nederlands

ROZENBROEK, Eléonore Margaretha Augustina Adriana (geb. Amsterdam 28-12-1944 – gest. Sleman, Indonesië 25-10-2012), mede-oprichtster Dolle Mina, apothekeres. Dochter van Meindert Everhardus Paul Nicolaas Rozenbroek (1909-1949), importeur, en Selly Lobatto (1910-1979), verpleegster. Nora Rozenbroek trouwde op 11-5-1979 in Amsterdam met Pieter Bakker (geb. 1943), psychiater. Uit dit huwelijk werden 2 dochters en 1 zoon geboren. Uit een eerdere relatie met Jesse Richardson (1930-1975), kunstenaar, werd 1 dochter geboren.

Nora Rozenbroek groeide op in de Amsterdamse Rivierenbuurt met broer Martijn, die twee jaar jonger was. Haar joodse moeder werkte tijdens de oorlog als verpleegster in de Hollandse Schouwburg en hielp Walter Süskind met het redden van kinderen die op transport zouden worden gesteld. Nora’s vader zat gevangen in Amersfoort en Vught vanwege het vervalsen van persoonsbewijzen en importeerde na de oorlog tweedehands autobanden uit Engeland. In 1949 pleegde hij zelfmoord – Nora was toen vier jaar oud. Twee jaar later vertrok haar moeder voor een jaar naar Amerika om hun emigratie voor te bereiden, maar die ging uiteindelijk niet door. Nora en haar broertje werden tijdelijk ondergebracht in de Berg-Stichting in Laren, een opvanghuis voor joodse (wees)kinderen. Haar broertje werd er hard aangepakt en Nora nam het altijd voor hem op. Later bleek hij aan schizofrenie te lijden.

Dolle Mina

Na de lagere school in de IJsselstraat deed Nora Rozenbroek hbs-b aan het Comenius Lyceum. Ze las graag en was goed in de exacte vakken en tekenen. Tegelijk kwam ze vaak in De Groene Kalebas, een hip jazzcafé in de Weteringdwarsstraat. Op haar zestiende had ze haar eerste liefdesrelatie, met een automonteur. In 1963 ging ze biochemie studeren aan de Universiteit van Amsterdam – ze werd lid van de Studentensociëteit Olofspoort. Naast haar studie biochemie haalde ze haar kandidaats filosofie en haar propedeuse medicijnen. Omdat het haar ergerde dat promotieplaatsen vanzelfsprekend naar mannen gingen, besloot ze met enkele studievrienden actie te voeren voor gelijke rechten. Er zijn verschillende ‘scheppingsverhalen’, maar vrijwel zeker was het Rozenbroek die de naam van de actiegroep Dolle Mina bedacht – een verwijzing naar de feministe Wilhelmina Drucker.

Bij de eerste acties van Dolle Mina, in januari 1970, was Rozenbroek een van de gangmakers. Ze voerde het woord toen dolle mina’s de Business School Nijenrode bezetten omdat die geen vrouwen toeliet, en nadat dolle minas op straat een nafluitactie hadden georganiseerd, verklaarde Rozenbroek in de krant dat ze daarmee wilden laten zien hoe belachelijk dat fluiten van mannen is: ‘Ze fluiten alleen maar omdat ze je zien als een seksueel object, niet als een mens waar je ook mee kunt praten’ (Het Vrije Volk, 27-1-1970). Toen filmmaker Pim de la Parra bij het protest tegen een missverkiezing werd ontvoerd, was het Nora Rozenbroek die het moment bepaalde waarop hij – tot zijn spijt – weer werd vrijgelaten. Ze geloofde niet in boekjes en pamfletten, maar wilde vrouwen én mannen wakker schudden met ludieke acties – ook de actie voor plasrecht (zie foto) was daar een voorbeeld van. Wat haar vooral ergerde, was het verwachtingspatroon bij haar mannelijke medestudenten: ‘ze willen op een gegeven moment allemaal dat je met je studie ophoudt, trouwt en moeder wordt. […] De mannen vinden het op de een of andere manier vanzelfsprekend dat ze de baas mogen spelen’ (De Lach, 24-7-1970). Tekenend voor Rozenbroek is de foto waarop ze, als een variant op de actie ‘Baas in eigen buik’, haar blote buik laat zien met daarop de leus ‘baas in eigen lab’.

Rozenbroek is niet lang actief gebleven in de actiegroep Dolle Mina. In 1971 verhuisde ze naar Ibiza, waar ze een relatie kreeg met de Amerikaanse kunstenaar Jesse Richardson. In 1972 werd hun gehandicapte dochter Serene geboren; zij had intensieve zorg nodig, onder andere sondevoeding. De relatie met de vader verslechterde en Rozenbroek ging in 1974 terug naar Amsterdam. Met een uitkering en bijverdiensten als redacteur bij de Winkler Prins encyclopedie slaagde ze erin om zelf voor haar dochtertje te zorgen.

In 1976 ontmoette Rozenbroek psychiater Piet Bakker. Op zijn aanraden ging ze in 1977 farmacie studeren – met vrijstellingen vanwege haar eerdere studies kon ze spoedig afstuderen. Een jaar later nam ze met financiële steun van Bakker een apotheek aan de Vijzelgracht over. Ze trouwden in 1979 en kregen drie kinderen: Sietske (1979), Hieke (1981) en Wim (1985). In de jaren tachtig was Rozenbroek een van de eerste apothekers die experimentele medicijnen aan hiv-geïnfecteerden verstrekte en medicinale cannabis beschikbaar maakte. Ze onderhield hierover goede contacten met de inspectie. Rozenbroek specialiseerde zich in medicijnen voor psychiatrische patiënten en verzorgde als stadsapotheker de medicatiebewaking van het Prinsengrachtziekenhuis, de Boerhaave Kliniek en de GGZ-instelling Jellinek-Mentrum (nu Arkin). Ze gaf voorlichting aan psychiaters over medicatie en werd vanaf 2004 voorzitter van de inkooporganisatie van alle Nederlandse GGZ-instellingen.

Indonesië

Na een vakantie in Indonesië (circa 1980) begon Rozenbroek hier lokale initiatieven te steunen. Zo leverde ze jarenlang op persoonlijke titel medicijnen aan een psychiatrische inrichting op Oost-Java en probeerde ze het taboe rond aids te doorbreken door informatie te geven over medicatie voor hiv-geïnfecteerden. Ook zorgde zij er samen met het Amsterdamse Tropeninstituut voor dat een museum met werk van de op Bali werkzame kunstenaar Adrien-Jean Le Mayeur kon voortbestaan en zijn schilderijen werden gerestaureerd.

Nora Roozenbroek overleed aan borstkanker op 25 oktober 2012 in Sleman, Jogjakarta in Indonesië. Ze werd 67 jaar.

Reputatie

Nora Rozenbroek was een intelligente, eigenzinnige en strijdbare vrouw die bij de eerste acties van Dolle Mina opviel omdat ze luid en duidelijk het woord voerde. Een medestudent omschreef haar als een ‘exotische verschijning met een allure en een oogopslag die alle studenten in de mensa degradeerde tot klootjesvolk’ (NRC, 10-11-2012). Haar professionele loopbaan heeft zich vooral afgespeeld in het mannenbolwerk van de farmacie en psychiatrie, waar ze zich inzette voor psychiatrische patiënten en hiv-geïnfecteerden. Dankzij haar inzet kregen patiënten toegang tot (experimentele) medicijnen.

 

Archivalia

  • Atria, Amsterdam: Collectie Dolle Mina [archiefstukken en documentatie- en knipselcollectie].
  • CBG, Den Haag: persoonskaart.
  • Stadsarchief Amsterdam: archiefkaart.

Literatuur

  • Wim Koevoets, ‘Dolle Mina slaat toe’, De Telegraaf, 27-1-1970.
  • Ria van Haaster, ‘Dolle Mina wil nog meer losmaken’, Het Vrije Volk, 27-1-1970.
  • ‘Dolle Mina’s ontvoeren Pim de la Parra’, Algemeen Handelsblad, 30-1-1970.
  • Peter van Bueren, ‘Niet eerlijk’, De Tijd, 29-5-1970.
  • Pieter Min, ‘Twee Dolle Mina’s’, De Lach, 24-7-1970, 8-10.
  • Marjo van Soest, red. Meid, wat ben ik bewust geworden. Vijf jaar Dolle Mina (Den Haag 1975).
  • Bas Blokker, ‘De vrouw die de fik van het feminisme aanstak’, NRC-Handelsblad, 10-11-2012.

Illustratie

Nora Rozenbroek (l) tijdens een actie van Dolle Mina voor plasrecht, door onbekende fotograaf, 1970 (ANP Photo).

 

 

Auteur: Monique van de Griendt

 

 

laatst gewijzigd: 21/12/2018

De datum onder dit biografisch lemma geeft aan wanneer er voor het laatst aanvullingen en/of correcties in het stuk zijn doorgevoerd. Met ingang van 2023 is het project afgesloten.