Schubert, Johanna Catharina (1763-1814)

 
English | Nederlands

SCHUBERT, Johanna Catharina, ook bekend als gravin van Ross (ged. Nijmegen 11-12-1763 – gest. Amsterdam 25-4-1814), bood Nederlandse militairen van het Napoleontisch leger onderdak in Warschau. Dochter van Cornelius Schubert en Hendrina NN. Johanna Schubert trouwde (1) in 1787 met Johann Matthias Ross (1730-1788), directeur van de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen; (2) op 20-8-1788 in Amsterdam met Pieter Willem Motte (geb. ca. 1738), koopman. Huwelijk (2) werd tussen 1803 en 1812 ontbonden. Uit huwelijk (1) werd 1 zoon geboren; huwelijk (2) bleef kinderloos.

Of de vader van Johanna Catharina (de) Schubert een van de vele militairen was die in de achttiende eeuw in Nijmegen gelegerd waren, is onbekend. Wellicht was hij uit Duitsland afkomstig. Het feit dat Johanna Schubert luthers werd gedoopt kan daarop wijzen. Zij werd echter niet, zoals later op haar grafsteen vermeld zou worden, geboren op 10 december 1772, maar vrijwel precies negen jaar eerder. Zij was dus niet 14 – zoals Van Eeghen nog aannam – maar 23 toen zij, wellicht in Brussel, trouwde met Johann Ross. Het feit dat bij Schuberts tweede huwelijk de geboden ook naar Brussel uitgingen doet vermoeden dat zij daar met haar eerste echtgenoot heeft gewoond. Ross, een predikantszoon uit Isselburg (Noordrijn-Westfalen), was sinds 1777 een der directeuren van de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen in Haarlem. Of hij dat in 1787 nog was, is onduidelijk. In dat jaar probeerde de Maatschappij hem te manen wegens achterstallige contributies. Hoe dat ook zij, op 28 november 1787 kreeg het echtpaar in Brussel een zoon, Johannes (1787-1848). Niet lang daarna overleed Ross. Johanna Schubert – die dan opgeeft gereformeerd te zijn – hertrouwde enige maanden later in de Engelse Kerk in Amsterdam met de lutherse Pieter Willem Motte, afkomstig uit Lüttringhausen (Noordrijn-Westfalen). Motte was werkzaam in de zaak van zijn oom Joan Frederik Motte, die op Duitsland handelde in lijnwaad.

Johanna Schubert trok met haar nieuwe echtgenoot en de ongeveer één jaar oude Johannes Ross in bij Mottes oom aan de Amsterdamse Herengracht. Na de dood van zijn oom in 1792 zette Motte diens bedrijf – inmiddels op de Prins Hendrikkade – nog enige jaren voort. In 1802 of 1803 vertrokken Johanna, Pieter en Johannes naar Warschau, waar Pieter Motte naar verluidt bankier werd. Gesuggereerd is dat Johanna en Pieter daar gescheiden zijn (Woesthoven, 280). Met haar zoon bleef zij in Warschau wonen, waar zij als mevrouw Ross door het leven ging. Volgens tijdgenoten was zij zeer welgesteld.

In de winter van 1812-1813 vluchtten Franse troepen, waaronder veel Nederlandse manschappen, uit Rusland en trokken onder barre omstandigheden door Polen en Duitsland terug naar Frankrijk. Een enkeling had het geluk onderweg een goed onderdak te vinden in Warschau, ten huize van mevrouw Ross. Zo memoreerde de generaal baron van Dedem hoe de weduwe Ross hem in december 1812 opnam en ‘fit soigner avec infiniment de bonté’ [liet verzorgen met oneindig veel goedheid] (Van Dedem, Mémoires, 294). En in 1813 schreef de officier Willem Archibald Bake aan zijn vrouw dat hij weliswaar een logement had in Warschau, maar van de weduwe Ross, die er volgens hem sinds 1796 woonde, een kamer in haar huis kreeg voor als het weer te slecht was om naar zijn logement te lopen (Van Eeghen, 92).

Het verhaal wil dat de weduwe Ross er persoonlijk voor gezorgd heeft dat divisie-generaal Herman Willem Daendels, die als commandant van de Poolse vesting Modlin door de Russen krijgsgevangen genomen was, vrijgelaten werd. Het kan zijn dat Ross en Daendels elkaar kenden uit Brussel, waar de patriot Daendels na de orangistische machtsovername van 1787 zijn toevlucht had gezocht. Met hem onderhield Ross in 1813-1814 in ieder geval een briefwisseling, waarin hij haar aanspreekt als ‘hooggeachte vriendin’. Zijn loyaliteitswisseling in 1814 van Frankrijk naar het koninkrijk der Nederlanden kwam, zo zei Daendels, voort ‘uit zuivere liefde en medelijden met mijn ongelukkig vaderland’ geïnspireerd door ‘mevrouw Ross te Warschau’ die hem ‘de deugden en het Hollands hart en karakter der vorsten en vorstinnen’ had doen zien (Gedenkstukken, 677).

Pas na de terugkeer van de kroonprins als vorst Willem I (2 december 1813) kwam de inmiddels vijftigjarige Johanna Ross met haar zoon terug naar haar geboorteland. Waarschijnlijk ging zij wonen in Amsterdam. Daar overleed zij korte tijd later ten huize van een timmerman op de Oudezijds Voorburgwal. Johanna Catharina Schubert werd op 29 april 1814 begraven op Rustoord in Diemen. Haar zoon Johannes, 26 jaar oud, vertrok naar Berlijn, waar hij in 1848 ongehuwd overleed. Het nog steeds bestaande graf van Johanna Schubert werd in 1851 overgeschreven op naam van haar zuster, Hendrine Elisabeth.

Postume eerbewijzen

In 1814, vrij kort na de dood van Johanna Schubert, publiceerde de schrijfster en dichteres Maria Petronella Woesthoven een artikel over ‘ene edele Hollandse vrouw’, die het jaar daarvoor nog in Warschau ‘met vurig verlangen de herstelling van haar vernietigd vaderland’ tegemoet had gezien en daar een diner ter ere van tsaar Alexander had gegeven. Bij die gelegenheid had haar zoon de Russische gouverneur een gedicht overhandigd waarin de tsaar opgeroepen werd Holland van de Fransen te bevrijden: ‘Het [: Holland] stelt zijn lot in uwe handen:/ ’t Is, denk er aan, verdrukt, maar – goed’ (Woesthoven, 275). Alles wijst erop dat Woesthoven haar informatie toegespeeld had gekregen door Johannes Ross.

In Woesthovens beschrijving van haar leven en daden krijgt Johanna Schubert de afmetingen van een vaderlands heldin die in Polen bij de terugtocht van Napoleons troepen uit Rusland velen had ‘bevrijd en gered, wier wonden zij verzacht en geheeld had’. Deze gravin, aldus Woesthoven, had een ‘heldhaftig karakter tot de uitvoering van grote en stoutmoedige ontwerpen [: plannen]’ en haar interventie ten behoeve van Hollandse krijgsgevangenen was ‘kloekmoedig’ en ‘manhaftig’. Toen Johanna naar ‘haar bevrijd vaderland’ terugkeerde, was zij van ‘nog vele weldadige ontwerpen vervuld’. Haar zoon, ‘de getrouwe medewerker en uitvoerder van hare edele oogmerken’, moest wel diep aangeslagen zijn door het verlies van zo’n voortreffelijke moeder. Merkwaardig is dat het verhaal over Johanna’s kloekmoedigheid in een andere contemporaine bron, het Neues Preussisches Adels-Lexicon van 1837, geheel op naam van zoon Johannes – die toen nog leefde – gesteld wordt.

De aanduiding ‘gravin van Ross’ op Johanna Schuberts grafsteen – en in het artikel van Woesthoven – is een titel die zij voor zover bekend tijdens haar leven nooit gevoerd heeft. Mogelijk had Johannes Ross in 1814 al de procedure in gang gezet die er in 1816 toe leidde dat de Pruisische koning ‘zijn oorspronkelijke [Schotse] grafelijke waardigheid’ erkende en erfelijk verklaarde (Van Eeghen, 34). Overigens is de Schotse afstamming een fantasie (Reid). In 1820 werd de ‘Anerkennung’ bevestigd met een ‘Diplom’. Zo was de inscriptie op haar grafsteen ietwat voorbarig, maar werd Johanna Schubert postuum toch gravin van Ross.

De grafsteen van Johanna Schubert vermeldt echter méér: ‘Het vaderland helpen bevrijden en mensenrampen verminderen was het beroep waarin zij stierf’ – met die woorden eerde de zoon de moeder. Dezelfde tekst staat op de zilveren penning die Johannes Ross ter nagedachtenis van zijn moeder in Berlijn liet slaan en waarop haar portret, de familiewapens van Ross en Schubert, en zijn bewondering voor haar in woord en beeld zijn samenbracht. In hoeverre die bewondering ook werkelijke daden betrof, blijft vooralsnog in nevelen gehuld. Ook Van Eeghen, die Johanna Schubert in 1960 uit de vergetelheid haalde, moest vaststellen dat er voor Schuberts ‘activiteiten voor het Oranjelegioen’ geen bewijzen waren gevonden. Woesthovens vergelijking met de heldhaftige Kenau lijkt vooralsnog mank te gaan.

Archivalia

  • Gemeentearchief Nijmegen: Doopregisters, inv. nr. 1204 (Luthers), fol. 93r, d.d. 11-12-1763.
  • Noord-Hollands Archief, Haarlem: Archief van de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen, inv. nr. 13, 888; inv. nr. 14, 1433 en 1507 [aanmaningen aan Johann Ross].

Literatuur

  • Maria Petronella Woesthoven, ‘De verlossing van ons vaderland, krachtdadig door eene edele Hollandsche vrouw buiten ’s lands bevorderd’, De recensent ook der recensenten 7, 2de stuk (1814) 273-282.
  • Neues Preussisches Adels-Lexicon 4 (1837) 131-133.
  • Gothäisches Genealogisches Taschenbuch der Graflichen Häuser 47 (1874) 716; 84 (1911) 772.
  • De Navorscher 24 (1874) 67-69.
  • Francis Nevile Reid, The earls of Ross and their descendants (Edinburgh 1894), hfdst. 'Rosses of Prussia. The counts Von Ross' [met dank aan C. Paul Ross].
  • Mémoires du général Bon de Dedem de Gelder, Elisabeth Lecky-de Dedem ed. (Parijs 1900) 294.
  • Gedenkstukken der algemeene geschiedenis van Nederland van 1795 tot 1840, H.T. Colenbrander ed., deel 7 (Den Haag 1914) 676-677 [brief van Daendels aan Falck, 29-9-1814].
  • De Nederlandsche Leeuw 65 (1948) 70.
  • I.H. van Eeghen, ‘Een vergeten Kenau uit de Franse tijd’, Maandblad Amstelodamum 47 (1960) 28-36, 92.
  • Paul van ’t Veer, Daendels, maarschalk van Holland (Zeist /Antwerpen 1963) 192.

Illustratie

Portret op de gedenkpenning die Johannes Ross liet slaan door de Berlijnse medailleur Daniël Friedrich Loos, ca. 1816 (Geldmuseum, Utrecht).

Auteur: Anna de Haas

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 590

laatst gewijzigd: 13/01/2014