app

 
English | Nederlands

Het Koninklijk Huisarchief te Den Haag en de archieven van Willem van Oranje

J.G. Smit

download deze tekst als PDF bestand

Het Koninklijk Huisarchief (KHA) bevat het verreweg meest omvangrijke bestand aan correspondentie van Willem van Oranje. Dit is geen vanzelfsprekend gegeven. Vóórdat deze archiefdienst tot stand kwam in de tijd na de vestiging van het Koninkrijk in 1814, bevatten de uit de tijd van de Republiek overgeleverde stadhouderlijke archieven beduidend minder materiaal van de stichter van de Nederlandse Staat.

De genese van het archief van de prins zoals dat thans in het KHA aanwezig is, kan niet in detail worden achterhaald. Globaal gesproken zijn de stukken tot 1572 afkomstig uit overdrachten door het Staatsarchief te Idstein. De aanwezigheid van dit materiaal in het oude Dillenburgse archief, lang bewaard in het slot te Idstein, is te verklaren uit de ballingschap van de prins in de jaren 1567-1572. Hij moet toen het lopend archief hebben meegenomen, althans de correspondentie en de familiepapieren. In de correspondentie treft men soms ook verwijzingen aan naar de veiliggestelde papieren in verband met het lichten van een origineel of het vervaardigen van kopieën. De zuivere domeinadministratie bleef bij de ballingschap achter in het archief van Raad en Rekenkamer te Breda en kwam onder het beheer van door de Raad van Beroerten aangestelde functionarissen. Na de terugkeer van de prins is zijn domeinadministratie deel gaan uitmaken van het archief van de Nassause Domeinraad.

De door de prins meegenomen stukken zijn ook na zijn overlijden op de Dillenburg blijven berusten – later overgebracht naar Idstein en nog weer later naar Wiesbaden. Zij zijn pas na de scheiding van de huizen Nassau en Oranje aan laatstgenoemde tak overgedragen. De schifting van het Nassause archief werd in de tweede helft van de achttiende eeuw opgedragen aan de Dillenburgse archivaris Von Erath. Hoewel hij zich nauwgezet van zijn taak heeft gekweten, bleef toch een aanzienlijk bestanddeel aan correspondentie in het Nassause archief achter. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is deze correspondentie in een ruil betrokken, de zogenaamde ‘Austausch’. Die is ook verwezenlijkt, met dien verstande dat het Nederlandse aandeel in de ruil niet is geleverd. De uit Wiesbaden overgebrachte stukken vormen thans een omvangrijk en inhoudelijk belangrijk bestand. Aan dit B-bestand zijn 632 documenten ontleend.

Anderzijds is Von Erath misschien ook wel te rigoreus geweest. Als men het herkomstbeginsel toepast en uitgaat van het principe van de archiefvormer, lijkt het erop dat diverse archivalia, duidelijk afkomstig uit het Dillenburgse archief, eerder in het archief van Jan van Nassau zouden moeten berusten dan in dat van zijn broer. Dit geldt met name voor de thans in het archief van Willem van Oranje aanwezige archivalia betreffende het huwelijk van de prins met Anna van Saksen, de wat we wel kunnen noemen ‘nasleep’ van dat huwelijk met inbegrip van de correspondentie met het echtpaar Rubens, en de correspondentie over het huwelijk van de prins met Charlotte de Bourbon. Bij deze archivalia is de betrokkenheid van Jan van Nassau duidelijk.

Minder gemakkelijk zijn de lotgevallen van de overige delen van het archief van Willem van Oranje te traceren. Waarschijnlijk hebben de overige archivalia vanaf 1572 steeds in de archieven van de stadhouders berust en zijn deze dus rechtstreeks overgeleverd zonder verblijf in het Dillenburgse archief. Enkele onderdelen zijn geschonken of aangekocht. Dit betreft onder meer de collectie Van Beverningh-Van der Dussen, voor koning Willem II verworven via Ds. G.D.J. Schotel in 1847. Correspondentie tussen de prins en de stad Gouda is uit deze collectie gelicht en in het archief van de prins ondergebracht. Van deze collectie maakten ook twee van de drie formulierboeken deel uit. Ook deze zijn in het archief van de prins geplaatst. Over de Formulierboeken worden apart bijzonderheden gegeven.

Andere correspondentie die is geschonken of gekocht, betreft de originele brieven van de prins aan zijn eerste echtgenote Anna van Buren en de vaak originele commissies en andere documenten bestemd voor zijn raadsheer Basius en voor de gouverneur van Loevestein (later van Herentals) Charles de Trello. Evenals de negentiende-eeuwse afschriften, in opdracht van Gachard ten behoeve van koning Willem I vervaardigd, zijn deze archivalia in het archief van de prins ondergebracht. Dat is niet gebeurd met de twintigste-eeuwse afschriften die door het Koninklijk Huisarchief zijn verworven. Die zijn afzonderlijk ondergebracht in de documentatie, zoals de collecties Japikse en Trosée.

Globaal bestaat het archief van de prins in het KHA voor wat betreft de herkomst dus uit drie hoofdbestanddelen: a) de archivalia uit de tijd tot 1572 die eerst aan het begin van de negentiende eeuw naar het KHA zijn overgebracht en nadien nog zijn aangevuld; b) het archief over de jaren 1572-1584 zoals dat via de stadhouderlijke archieven is overgeleverd; c) toevoegingen uit andere bestanden.

Bij de ordening van het archief in de negentiende eeuw heeft de brieveneditie van Groen van Prinsterer aanvankelijk tot een tweedeling geleid. Volgens de opvattingen van die dagen maakte Groen onderscheid tussen het uitgegeven en het onuitgegeven materiaal. De eerste categorie werd in een speciale kast geborgen en ontving op grond daarvan de naam ‘kastje Groen’. Deze ordening was bij het voortschrijden van de archivistiek niet te handhaven, evenmin als die van Von Erath en de na de overdracht in de negentiende eeuw aangebrachte nummeringen.

Daarin is verandering gebracht omstreeks de Tweede Wereldoorlog met het aanbrengen van een nieuwe ordening in Romeins genummerde rubrieken met, voor zover noodzakelijk, onderverdelingen. Het onderscheid tussen het ‘kastje Groen’ en de overige stukken is daarbij opgeheven. Doordat enerzijds vele in het Dillenburgse archief gevormde dossiers niet uiteen konden worden genomen, anderzijds ook vele afzonderlijke documenten aanwezig zijn, bestaat een onevenredigheid in de beschrijving van de stukken en de mate van detaillering van de beschrijvingen. Ook overlappen diverse onderdelen elkaar. Het in 1944 overgedragen bestand is niet met het bestaande archief vermengd. Het archief is daarmee eerder een verzameling van documenten dan een archief gevormd of geordend naar het herkomstbeginsel. De nieuwe inventaris van het archief van de prins kwam gereed in 1948 en staat op naam van mej. A.W.J. Mulder, destijds als wetenschappelijk asssistente verbonden aan het KHA.

Hoewel hiertoe mogelijkheden hadden bestaan, is afgezien van verplaatsing van documenten naar aanleiding van het project Correspondentie van Willem van Oranje. Dit zou telkens hernummering met zich hebben meegebracht zonder wezenlijke voordelen. Door de publicatie van databank en beeldbank beschikt de onderzoeker over een vergaande toegang op het bronnenmateriaal, verdergaand dan een herinventarisatie ooit zou (kunnen) bieden.

Globale beschrijving van de rubrieken en onderverdelingen in de inventaris A 11 van het archief van Willem van Oranje

De belangrijkste Romeins genummerde rubrieken waaraan correspondentie is ontleend, zijn:

  • III – Huwelijken van de prins. In nummer 4 correspondentie betreffende het huwelijk van de prins met Anna van Saksen, in nummer 8 betreffende het huwelijk met Charlotte de Bourbon. De stukken zijn afkomstig uit het archief van Jan van Nassau. Zie voor deze rubriek ook hierna XVI, B 3.
  • V – Boedel, inclusief het sterfhuis van de prins.1 Niet verwerkt.
  • VI – Hofhouding en geldmiddelen. Hierin onder meer correspondentie over verpanding van kostbaarheden, leningen, de schuldvordering van Bütgenbach (Luxemburg), andere schulden, staten van inkomsten en uitgaven, en stukken over de afrekeningen met de veldoversten.
  • VII – Familie-aangelegenheden. Hierin niet zozeer correspondentie als wel bescheiden.
  • VIII – Goederenbeheer en administratie. Nummer 5 bevat veel correspondentie over Vianden en de andere Luxemburgse bezittingen.
  • X – Commissies en instructies verleend aan de prins.
  • XI – Staatszaken. Hierin onder meer stukken betreffende de centrale regering (10), betreffende de vredesonderhandelingen (11 en 12), instructies en commissies voor raadsheer Dr. Johan Basius (13), en stukken betreffende de omringende landen en de Nederlandse gewesten (15-30). Vergelijk hiermee rubriek XIV, D.
  • XII – Krijgszaken. Omvangrijke bundels, chronologisch geordend, niet op correspondent ontsloten. Vergelijk hiermee rubriek XIV, F.
  • XIII – Kerkelijke zaken.
  • XIV, A – Correspondentie met directe familieleden. Bevat onder meer de correspondentie (ontvangen originele brieven en minuten en afschriften van verzonden brieven) met ’s prinsen ouders Willem van Nassau en Juliana van Stolberg (1), echtgenote Charlotte de Bourbon (3), oudste dochter Maria van Oranje-Nassau (4), broers Jan van Nassau (5), Lodewijk van Nassau (6), de zwagers en zusters Herman van Nieuwenaar en Magdalena van Nassau (9), Willem van den Bergh en Maria van Nassau (10), Günther van Schwarzburg en Catharina van Nassau (12).
  • XIV, B – Correspondentie met vorsten en vorstelijke personen. Onder meer hertog Erik van Brunswijk (4), Hendrik van Brunswijk (6), koning Frederik II van Denemarken (8), keizer Maximiliaan II van het Duitse Rijk (9), koningin Elisabeth van Engeland (10), Hendrik III van Frankrijk (11), hertog Willem van Gulik en Kleef (12), landgraaf Filips van Hessen (14), landgraaf Willem van Hessen (15), graaf Filips van Hohenlohe (16), keurvorst Frederik III van de Palts (34), keurvorst August van Saksen (41), graaf Lodewijk van Wittgenstein (53) en vele anderen.
  • XIV, C – Correspondentie met particulieren. Alfabetisch geordend op eerste letter van de achternaam. Onder XIV, C, Tb I en II is ondergebracht de in twee banden opgeplakte en ingebonden correspondentie van de prins met Charles de Trello, gouverneur van Loevestein in 1572-1577 en gouverneur van Herentals vanaf 9 april 1578 (datum van de commissie). Deze banden met brieven en commissies van de prins, zijn door koning Willem I aangekocht voor zijn archief in 1825-1826.
  • XIV, D – Correspondentie over staatszaken: Generaliteit en gewesten. Vergelijk hiermee rubriek XI.
  • XIV, E – Correspondentie over staatszaken: steden. Alfabetisch op naam van de stad geordend. Niet alleen steden uit de Nederlanden, maar ook bijvoorbeeld Hamburg en Wesel. Een zekere omvang hebben de brieven aan de prins gezonden door Gorinchem, Gouda, (Zalt)Bommel (dus op de B geordend), Leiden, Breda, Rotterdam, Vlissingen, Woerden en Zierikzee.
  • XIV, F – Correspondentie over krijgszaken. Hierin onder meer de band ‘Des hernn Printzen Einsteltun und Betzalung anlangende’, 1569-1571. Vergelijk hiermee rubriek XII.
  • XIV, G – Correspondentie over familiezaken. Twee zaken: de verloving van Lodewijk van Nassau met de jonkvrouwe van Rietberg (1) en de aanstelling van Hendrik van Nassau in de Stiftskerk te Luik (2).
  • XIV, H, 1 en 2 – Negentiende-eeuwse afschriften uit het Gentse archief (H 1) en afschriften van correspondentie van de prins uit het archief in Brussel, in 1829 meegedeeld door Gachard (H 2).
  • XIV, I – Correspondentie afkomstig uit de secretarie van de prins, vooral ontwerpen en minuten, chronologisch geordend en per stuk genummerd. Onder de nummers 9, 11 en 12 bevinden zich de Formulierboeken.
  • XIV, J – Anonieme en pseudonieme correspondentie. Hierbij een bundel ‘koopmansbrieven’ (3).
  • XVI, A, 9 – Bevat 46 originele, eigenhandige brieven van de prins aan zijn eerste echtgenote Anna van Egmond, vrouwe van Buren. Deze zijn afkomstig uit het archief van Buren en in de negentiende eeuw voor het Koninklijk Huisarchief verworven.
  • XVI, B, 3b – Brieven van Anna van Saksen, tweede echtgenote van de prins, aan de prins en aan Jan van Nassau. Minuten en originelen. Afkomstig uit het archief van Jan van Nassau.
  • XVI, B, 3e – Correspondentie over Anna van Saksen. Afkomstig uit het archief van Jan van Nassau.
  • XVI, B, 3g – Correspondentie van Maria en Jan Rubens. Afkomstig uit het archief van Jan van Nassau.

Behalve het archief van prins Willem van Oranje zijn ook de archieven van zijn naaste verwanten bewerkt. Daarvan leveren de archieven van de zogenaamde ‘Oude Dillenburgse linie’ (A 2, onder meer correspondentie van de prins en de overige familie met Lodewijk van Nassau: A 2, 720 en 723), Jan van Nassau (A 3). Verder is nog enige correspondentie aangetroffen in de archieven van Willem Lodewijk (A 22).

Andere noemenswaardige bestanden zijn:

  • B 12 – Archivalia in 1943 uit het archief te Wiesbaden overgebracht. Onder de nrs. 1-20 aanvullingen op het archief van Willem van Oranje: o.a. correspondentie met de directe familie (1), met de familie Van Henneberg (2), met de keurvorst van Saksen en zijn hoffunctionarissen (3), met Keulen, Duitse vorsten langs de Rijn en de keurvorst van de Palts (4), met Gulik, Brunswijk, Brandenburg en Hessen (5), met Brunswijk, Hessen, Gulik en Holstein (6), met Brunswijk, Hessen en Holstein (7), met officieren en anderen (8), over Nederlandse zaken (9), met Scandinavische vorsten en hun functionarissen (10), met Duitse hoffunctionarissen als Lorich, Wiltperch en Knüttel, onder meer over de Luxemburgse bezittingen (11), en nieuwsbrieven (12 en 13).
  • C 1, 116-131a – Stukken betreffende het beheer van het prinsdom Orange uit de tijd van Willem van Oranje.

1Over het sterfhuis: P. Scherft, Het sterfhuis van Willem van Oranje (Leiden 1966).