8
De gedeputeerden van
Utrecht stellen HHM voor het uitgevaardigde plakkaat tegen de komst
van de jezuïeten en andere paapse geestelijken alsmede de
schoolgang
van kinderen van ingezetenen van deze landen, aan te vullen met de
bepaling dat in
deze
landen geen bedevaarten mogen worden gedaan, noch de biecht
afgenomen
of
het oliesel mag worden gegeven.
Hiertegen wordt bezwaar gemaakt, maar in plaats daarvan wordt goedgevonden in het plakkaat de clausule op te nemen, dat het de ingezetenen van stad of platteland of bezoekers van de genoemde landen, mannen of vrouwen, ten strengste verboden is samen te komen in kerken, particuliere huizen, in velden, op wegen, in schepen of schuiten om missen of andere uitingen van het pauselijke bijgeloof te verkondigen of te horen, hoe ze ook genoemd worden, geen uitgezonderd.