Nederlands-Indonesische betrekkingen 1950-1963

 
English | Nederlands

Gegevens van record 2922

Nummer 2922
Datum 1-8-1952
Soort verslag
Kenmerk H. Brandenburg van den Gronden e.a.
Opschrift/Bijlage(n) opschrift: Verslag van de werkzaamheden van de delegatie van het Indo-Europese reserve- en dienstplichtige personeel van het voormalige KNIL Minuor aan Prins Bernhard, inspecteur-generaal der KL dd. 9 april 1951
Verzender(s) Brandenburg van den Gronden, H. (info)
Witt, J. de (info)
Ontvanger(s) Peters, L.A.H. (info)
Plaats van opmaak Hollandia
Plaats van bestemming Den Haag
Bewaarplaats Nationaal Archief
Bestand archief Minkol., dossierarchief ministerie van Koloniën en opvolgers 1945-1
Dossiernummer 3061
Trefwoorden Indo-europeanen, positie - in Indonesië; zie ook Nederlanders in Indonesië etc.; NG, positie (Indische) Nederlanders op -
Molukse militaire (Aponno-)delegatie in Nederland '50-'51
NG, kolonisatieaangelegenheden van -
NG, positie/houding (Indische) Nederlanders op -
NG, positie/houding Papoea's op -
Annotatie Dit eerste 'Verslag van de werkzaamheden'  en de daaraan toegevoegde bijlagen zijn door Brandenburg van den Gronden onder begeleidend schrijven van 6 augustus 1952 aan de minister aangeboden. Hierin vroeg steller voorts de aandacht voor het feit 'dat de delegatieleider momenteel buiten enige inkomsten is; dat een beroep op Zijne Excellentie de Gouverneur op enige goodwill voor een hernieuwde inschakeling in het arbeidsproces zonder enig resultaat is geweest, waaruit helaas de conclusie moet worden getrokken, dat de delegatie hier gestuit is, op een haars inziens, niet te rechtvaardigen muur van onwelwillendheid en ambtelijke weerstanden.'
Een tweede en derde verslag, respectievelijk gedateerd Hollandia 20 december 1952 en 13 maart 1953, benevens de omliggende stukken, bevinden zich eveneens in dit dossier.
Als bijlage bij het eerste 'verslag', was gevoegd een ongedateerde petitie aan de koningin met het verzoek om de Nederlanders in Nieuw-Guinea toestemming te verlenen, 'een of meerdere familieleden [uit Indonesië]  in welke graad dan ook - - - op eigen kosten hierheen te laten komen'. 'Indien', zo luidde het verder, 'met redelijke argumenten aangetoond kan worden, dat er in het geheel geen, of nauwelijks enig gevaar bestaat, dat de aangetrokkenen hier ten laste zullen komen van het Nieuw-Guinese Gouvernement, is het in het belang van alle betrokkenen, ook van de Nederlandse belastingbetaler in het Moederland, om het verbod van binnenkomst van personen rechtstreeks uit Indonesië te herzien en er soepeler en humaner bepalingen voor in de plaats te stellen.'
De petitie en een aantal omliggende stukken waren onder begeleidend schrijven van Brandenburg van den Gronden van 6 augustus eveneens toegezonden aan Prins Bernhard in zijn kwaliteit van Inspecteur-Generaal van de Koninklijke Landmacht. Deze richtte zich onder schrijven van 8 september 1952 tot de minister van Uniezaken en Overzeese Rijksdelen met het verzoek, 'mij te willen berichten of de inhoud hiervan nog aanleiding geeft tot het maken van nadere opmerkingen'. Het antwoord van de minister dd. 9 april 1953, tot stand gekomen na overleg met de gouverneur te Hollandia, is hierachter onder dit nummer eveneens opgenomen.
Zie ook
PDF afbeelding (1248 KB)