Instelling
Departementaal Gerechtshof van Overijssel (1802-1811)
Actief vanaf --1802 tot -03-1811
De staatsregeling van 1801 voorzag in een Nationaal Gerechtshof, dat zou dienen als hof van cassatie voor de gehele republiek. De bestaande gerechtshoven in de departementen behielden in afwachting van een nieuwe codificatie hun eigen jurisdictie, maar nu dus met mogelijkheid van cassatie.
Een en ander betekende dat binnen het departement Overijssel ook de Etstoel van Drenthe opnieuw ging functioneren met als jurisdictie het gebied van de voormalige landschap Drenthe. Het Departementaal Gerechtshof van Overijssel kreeg de jurisdictie over het voormalige gewest Overijssel met uitzondering van Zwolle, Deventer en Kampen. Deze steden zouden hun eigen civiele en criminele rechtspraak behartigen.
De president en zes raadsheren van het Departementaal Gerechtshof van Overijssel werden tussen 1802 en 1805 benoemd door het Departementaal Bestuur van Overijssel, daarna door de Raadpensionaris en later door de Koning uit een nominatie van vier personen. Deze nominatie werd voor de helft door het Departementale bestuur en voor de helft door het Departementaal Gerechtshof bepaald. De procureur-generaal werd op voordracht van het Departementaal Bestuur benoemd, eerst door het Staatsbewind, later door de Raadpensionaris respectievelijk de Koning.
De voornaamste bij deze instelling betrokken personen (links naar Repertorium applicatie):
- Dedem, Willem Jan van als raadsheer
- Kronenberg, Berend Jan als procureur-generaal
- Linde, Justus Christiaan van der als procureur-generaal
- Linde, Justus Christiaan van der als raadsheer
- Rhijn, Nicolaas van als raadsheer
- Rhijn, Nicolaas van als voorzitter
- Ribbius, Henrik als raadsheer
- Tichler, Jan Willem als president
- Westenberg, David als raadsheer
- Wicherlink, Gerrit als raadsheer