Dagboeken

 
English | Nederlands

dagboekcahier 7

14/11/1918

Donderdag 14 november 1918. Weer ministerraad, donderdag half een. Heemskerk en Ruijs waren naar de koningin geweest.  Deze wilde absoluut nog den eigen dag een proclamatie tot haar volk richten. Wij moesten de tekst vaststellen, en om vier uur zou Kan bij haar ontvangen worden, om haar de proclamatie te laten teekenen, die dan terstond gedrukt, en ’s nachts overal heengezonden kon worden.

            Ik was er woest tegen. Vooreerst, omdat ’t als een bewijs van zwakheid bij de regeering zou beschouwd worden: men zou meenen, dat wij den toestand niet meer meester waren en nu, als noodschot, de koningin naar voren brachten. Vervolgens: ik zag er iets onridderlijks in. Niet de koningin moest hier optreden – wij moesten vóór de koningin staan, en de slagen opvangen. Tenslotte: een dynastiek gevaar: de koningin kwam in ’t centrum der beweging te staan. De beweging tegen ‘de regeering’ zou zich nu concentreeren tegen haar persoonlijk. Dat zou haar positie later schaden – ze moest boven de partijen blijven staan, ook thans.

            Ik vond bij velen instemming, en ook Heemskerk en Ruijs wankelden. Maar ze hadden ’t de koningin ’s morgens beloofd! Ik moest dan maar om vier uur naar haar toegaan en zien, haar  van meening te doen veranderen. Goed zei ik, maar laat dan een der oudste leden van ’t kabinet met me meegaan, bijvoorbeeld Idenburg.

            Aldus werd besloten. Maar ik had geen hoogen hoed, en maar ’n gewoon jasje aan! En onmogelijk tijd, om me te gaan verkleeden. Idenburg zou dus ook met ’n deukhoedje op komen. Zoo kwamen we om vier uur in ’t Noordeinde aan. De lakeien zullen ’t wel ’t begin der revolutie gevonden hebben, dat twee ministers met ’n deukhoedje op, en ’n gewoon pakkie aan, in het paleis ter audiëntie kwamen!

            We werden terstond ontvangen. De koningin was ernstig, maar vriendelijk. Wel leek ze me wat geagiteerd; ze had een hoogroode kleur. Ik hield een vrij lang, maar – naar Idenburg later in den ministerraad meedeelde: heel duidelijk en klemmend – betoog, om aan te toonen, waarom een proclamatie thans een fout was. Mijns inziens moest de koningin eerst met een proclamatie komen, als de toestand zóódanig was, dat ’t voor iedereen vaststond, dat de regeering de toestand volkomen meester was. Dan had een proclamatie zin: een rustig koninklijk woord, om aan te sporen eendrachtig  de nieuwe toekomst in te gaan.

            H.M. hoorde mij zwijgend aan. Toen ik uitgesproken had, bleek zij zeer onder den indruk mijner argumenten te zijn gekomen. Ze stribbelde nog een weinig tegen. Ik begon toen den inhoud der proclamatie te critiseeren: het was een stuk van de secretaris-generaal, niet het woord der koningin in een gewichtig oogenblik. Dat sloeg in! De koningin nam toen ’t stuk van me over – ’t ligt nog in mijn aanteekeningen van den ministerraad van dien dag: een merkwaardig stuk: een door mij tegengehouden en nooit verschenen proclamatie! Ze ging toen ook aan ’t critiseeren, veel scherper nog dan ik ’t gedaan had. En wat ze ervoor in de plaats stelde, was telkens véél en véél beter: werkelijk ’t juiste woord, en koninklijk! Zij heeft blijkbaar veel taal- en stijlbegrip.

            Vooral had ik aanmerking gemaakt op deze derde alinea: ‘Thans is het oogenblik gekomen, om een nieuw huis boven ons hoofd op te bouwen. De tijden zijn rijp voor ingrijpende hervormingen zoo op wetgevend als sociaal gebied tot stand te brengen, om te verwezenlijken wat in de diepste  lagen van ons volk leeft’. Dat ‘nieuwe huis’ riekt naar geslaagde revolutie. De ‘ingrijpende hervormingen’ zouden op dit moment concessie aan de revolutionaire beweging schijnen. ‘Zoo op wetgevend als sociaal gebied’ was geen tegenstelling. Bedoeld was wellicht: politiek als sociaal. Dit scheen een concessie aan Troelstra’s eisch: afschaffing van de Eerste Kamer. Die ‘diepste lagen’ waren hier onzin: klinkt bolsjewikisch! De koningin was ’t heelemaal met me eens.

            Zelf viel zij vooral op de volgende alinea, waarin stond, dat de Oranjevorsten altijd op de bres stonden voor de bestaande vrijheden. Dat is helemaal onjuist, zei ze. ‘Wij hebben de vrijheid gebracht.’ Het eind was, dat zij zei: die proclamatie deugt heelemaal niet, en wat ’t tijdstip aangaat, ik zal maar geduldig en rustig afwachten, tot de heeren van meening zijn, dat ’t goede moment gekomen is. Ik zei: ‘Majesteit, mag ik ’t eerlijk zeggen? Ik ga met een veel geruster hart van u heen, dan ik gekomen was.’  De koningin stond op, en gaf ons beiden een hand. Het onderhoud had juist een uur geduurd. Idenburg was opgetogen. In de ministerraad ’s avonds bracht hij verslag uit en kamde me geweldig op, omdat ik de zaak zoo krachtig en toch zoo taktvol behandeld had.

            ’s Avonds vergaderden we weer met de afgevaardigden der rechterzijde. De stemming was veel kalmer. ’t Liep nu vooral over de sociale hervormingen, bij welk debat ik vooral veel te vertellen had. Algemeen was de aandrang, krachtig in te grijpen. Ik zei tot slot: ‘Ik hoor met genoegen, dat alle heeren voor krachtige sociale hervormingen zijn. Ik verheug me erover en wil niets liever. Doch op deze ééne voorwaarde: dat als de toestand weer rustig is, en ik er mee kom, de heeren niet terugkrabbelen! De arbeiders vertrouwen ons thans ten volle. Als wij later dat vertrouwen beschamen, is dat erger, dan wanneer nu de revolutie tijdelijk zegepralen zou.’ Daar waren [ze] ’t mee eens. Ik zal ze er later nog wel eens aan herinneren!

            Bij tienen ’s avonds kwam de bode binnen  en zei me: ‘Excellentie, ’t Kabinet van de Koningin is voor u aan de telefoon.’ Ik zat tusschen Ruijs en Heemskerk in. Alle drie dachten we: de proclamatie! De koningin heeft er spijt van! Ik ging naar de telefoon: H.M. heeft me opgedragen, u te verzoeken, morgenochtend kwart voor tien bij haar te komen; doch zij vernam, dat u hedenavond een vergadering had, en vreest dat ’t wellicht erg laat voor u zal worden. Wanneer u dus liever morgen wat later wilt komen moet u ’t gerust zeggen, dan zal H.M. een later uur bepalen.’ Ik zei, dat ik geen bezwaar had, en om kwart voor tien present zou zijn.

uit: Dagboek VII (12 november 1918 tot 20 november 1920)