Bake, Alijt (1415-1455)

 
English | Nederlands

BAKE, Alijt (geb. Utrecht? 13-12-1415 – gest. Antwerpen? 18-10-1455), priorin en schrijfster van een autobiografie.

Alijt Bake was al 25 jaar oud toen zij in 1440 intrad in het Gentse regularissenklooster Galilea. Gewoonlijk traden meisjes eerder in, maar Alijt schrijft in haar autobiografie dat ze eerst kennis had gemaakt met andere religieuze levensvormen. In Utrecht was zij bevriend met een kluizenares en een gasthuiszuster; gezien deze connectie lijkt het aannemelijk dat zij uit de omgeving van Utrecht afkomstig was, maar over haar achtergrond schrijft ze niet.

Alijt Bake was de eerste vrouw die een autobiografie in het Nederlands schreef. Dit uitvoerige werk geeft ruimschoots informatie over haar wederwaardigheden op haar geestelijke levensweg. Het eerste deel, dat Alijt Dat boeck der tribulatien had genoemd en waarin onder meer haar Utrechtse ervaringen moeten zijn beschreven, is helaas verloren gegaan. In het wel bewaard gebleven tweede deel, Mijn beghin ende voortganck, bespreekt zij de periode van haar verblijf in Galilea van 1440 tot de jaren 1451-1452, wanneer zij op het hoogtepunt is van haar roem als priorin van de Gentse gemeenschap.

Priorin

Met haar intrede in het klooster Galilea, dat tot het Kapittel van Windesheim behoorde, verbond Alijt Bake zich met de spiritualiteit van de Moderne Devotie. Uit Mijn beghin ende voortganck komt zij naar voren als een bevlogen gelovige, vastbesloten om op radicale wijze Christus na te volgen. De twijfel, zo schrijft zij, sloeg echter vrijwel onmiddellijk toe toen zij merkte dat haar medezusters zich vooral met uiterlijke vroomheden bezighielden. Ze beoefenden allerlei kloosterlijke deugden, waren volstrekt gehoorzaam aan hun priorin en probeerden waar mogelijk zichzelf te vernederen. Alijt had juist ervaring met wat zij inwendige vroomheid noemt: een mystiek gerichte, innerlijke omgang met Christus. In Mijn beghin ende voortganck beschijft ze een reeks van dialogen die ze met Hem hield over het inwendig geestelijk leven.

Op Hemelvaartsdag 1441 liet Christus haar met een visioen zien wat zij te doen had. Ze moest in Galilea blijven en haar medezusters het inwendige leven leren. Hij zou haar zelfs de opdracht hebben gegeven om het hele Kapittel van Windesheim in die richting te hervormen. In 1445 kreeg zij de kans om haar plannen te realiseren, want in dat jaar werd ze door de gemeenschap van Galilea tot priorin gekozen.

Schrijfster

Dat Alijt Bake er geen gras over liet groeien, blijkt wel uit het feit dat ze in 1446 al meerdere teksten had geschreven die ze haar ‘kinderen’ bij wijze van literair testament wilde nalaten. In de epiloog op deze tekstverzameling typeert ze zichzelf als een spin. De spin moet een deel van zichzelf te niet doen om een web te kunnen spinnen waarmee hij vliegen kan vangen. Hij loopt echter de kans dat zijn inspanningen geen resultaat opleveren. Zo zet zij zichzelf in om zielen te winnen voor de Heer, in het volle besef dat ze niet weet of haar opofferingen ergens toe zullen leiden.

De meest kenmerkende tekst uit het begin van haar prioraat is misschien wel De vier kruiswegen. Alijt beschrijft daarin vier opeenvolgende manieren om Christus na te volgen. De eerste weg bestaat uit het steeds opnieuw overwegen van het lijden van Christus. Wie dat lang en intensief genoeg doet, belandt op de tweede weg, waar het lijden intensief wordt meebeleefd. Via de derde kruisweg wordt men opgenomen in het levende binnenste van Jezus Christus, waar de menselijke ziel wordt verlicht door goddelijke klaarheid. Vermoedelijk beleefde Bake zelf de doorbraak naar deze mystieke weg na haar Hemelvaartsvisioen van 1441. Daarna moet zij een nog hogere weg hebben ervaren. Deze vierde kruisweg leidt tot de grootst mogelijke eenheid tussen God en mens die hier op aarde mogelijk is. Om deze weg te bewandelen moet de mens alles wat hem aan de schepping bindt loslaten en zich helemaal aan Gods wil overgeven.

Voorzover wij weten werkte Alijt Bake in de winter van 1451-1452 aan Mijn beghin ende voortganck, waarin ze rekenschap aflegt over de keuzes die ze in haar leven heeft gemaakt. Ze prijst zich gelukkig dat ze bij haar intrede in Galilea haar eigen, inwendig gerichte spiritualiteit is blijven beoefenen. In een niet altijd even goed te volgen betoog legt ze de zusters van Galilea uit op welke wijze zij uiteindelijk de vierde weg heeft leren bewandelen, een hoge weg die normaliter alleen voor ‘sterke mannen’ begaanbaar was.

Afgezet

In de periode waarin ze aan haar autobiografie werkte, stond Alijt Bake op het toppunt van haar roem. Niet alleen wist zij haar ideeën over inwendige vroomheid in haar eigen klooster te introduceren, ook enkele kloosters in de omgeving van Gent gingen in deze tijd het leefmodel van Galilea volgen. Gebonden als zij was door de clausuur, kon zij deze nieuwe kloosters niet zelf bezoeken, maar ze onderhield goede betrekkingen met enkele invloedrijke geestelijken uit haar omgeving, die in haar geest wilden handelen. Alijts ideaal van een grootscheepse hervorming van het kloosterleven begon werkelijkheid te worden.

In 1455 werd zij echter hardhandig tot de orde geroepen door de leiding van het Kapittel van Windesheim. Bij een visitatie door Windesheimse hoogwaardigheidsbekleders waren in Galilea zoveel misstanden geconstateerd dat de visitatoren Alijt Bake direct afzetten. In datzelfde jaar besloot het Kapittel dat vrouwen uit de aangesloten kloosters niet meer over eigen religieuze ervaringen mochten schrijven. Dit ‘schrijfverbod van 1455’ houdt ongetwijfeld verband met de afzetting van Alijt Bake.

Het afzetten van een niet goed functionerende priorin was binnen de Windesheimse gebruiken niet heel ongewoon, maar wel bijzonder was in dit geval dat Alijt Bake werd verbannen naar een klooster in Antwerpen, vermoedelijk Facons, dat ook onder het Kapittel van Windesheim viel. Zo kon ze geen invloed meer op haar zusters uitoefenen.

Vanuit Antwerpen schreef Bake nog eenmaal een brief aan haar getrouwen in Galilea. In deze Brief uit de ballingschap bleef zij vasthouden aan haar eigen opvatting dat de kern van het geestelijk leven in innerlijke vroomheid ligt. Zij verwijt de leiding van het Kapittel van Windesheim dat het zich te veel concentreert op uiterlijkheden zoals goddelijke tekens en mirakelen, terwijl de mens juist Christus in zichzelf moet zoeken. Deze brief is het laatste persoonlijke relaas van Alijt Bake. Volgens een opmerking in een handschrift uit Galilea overleed zij in hetzelfde jaar 1455, slechts veertig jaar oud.

Alijt Bake is na haar dood vrijwel onmiddellijk vergeten. Alleen in haar klooster Galilea bleef haar gedachtenis nog lang in ere; zo schreef zuster Augustina Baert in 1705 de autobiografie van de vroegere priorin voor de kloostergemeenschap over. Pas nadat Robrecht Lievens haar leven en werk in 1958 in een artikel had beschreven, volgde een opleving in de belangstelling voor Alijt. In de jaren zestig van de twintigste eeuw werden de meeste van haar werken voor het eerst uitgegeven. Vanaf de jaren negentig volgde, mede door toedoen van de feministische interesse in vrouwen in de Middeleeuwen, een tweede periode van wetenschappelijke belangstelling. Sindsdien is Alijt Bake ook in standaardwerken opgenomen.

Publicaties

Een lijst van edities van de werken van Alijt Bake is opgenomen in: Scheepsma, Deemoed en devotie, 251-264.

Literatuur

  • R. Lievens, ‘Alijt Bake van Utrecht (1415-1455)’, Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis 42 (1958) 127-151.
  • G. Dresen, Onschuldfantasieën. Offerzin en heilsverlangen in feminisme en mystiek (Nijmegen 1990) 53-131.
  • R.Th.M. van Dijk, ‘De mystieke weg van Alijt Bake (1415-1455)’, Ons Geestelijk Erf 66 (1992) 115-133.
  • R.Th.M. van Dijk en M.K.A. van den Berg, Alijt Bake. Tot in de peilloze diepte van God. De vrouw die moest zwijgen over haar mystieke weg (Kampen 1997).
  • W. Scheepsma, Deemoed en devotie. De koorvrouwen van Windesheim en hun geschriften (Amsterdam 1997) 175-201 en 251-264.
  • K. Ruh, Geschichte der abendländische Mystik, dl. 4 (München 1999) 252-267.
  • W. Scheepsma, ‘Mysticism and Modern Devotion. Alijt Bakes (1415-1455) lessons in the mystical way of living’, in: Hein Blommestijn, Charles Caspers en Rijcklof Hofman red., Spirituality renewed. Studies on the significant representatives of the Modern Devotion (Leuven 2003) 157-167.
  • A. Bollmann, ‘“Een vrouwe te sijn op min selfs handt”. Alijt Bake (1415-1455) als geistliche Reformerin des innerlichen Lebens’, Ons Geestelijk Erf 76 (2002) 64-98 [Engelse vertaling in: A.B. Mulder-Bakker red., Seeing and knowing. Women and learning in medieval Europe 1200-1550 (Turnhout 2004) 67-96].
  • W. Scheepsma , ‘Alijt Bake’, in: M. Schaus red., Women and gender in medieval Europe: an encyclopedia (New York 2006).

Auteur: Wybren Scheepsma

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 47

laatst gewijzigd: 13/01/2014

De datum onder dit biografisch lemma geeft aan wanneer er voor het laatst aanvullingen en/of correcties in het stuk zijn doorgevoerd. Met ingang van 2023 is het project afgesloten.