Bruyning, Aeltgen (1629-1679)

 
English | Nederlands

BRUYNING, Aeltgen, vooral bekend als Alida Bruno (geb. Alkmaar 22-4-1629 – begr. Alkmaar 27-1-1679), gelegenheidsdichteres. Dochter van Martinus Bruno (1592/1593-1650), predikant, en Heyltjen van Heuvel (gest.1633). Alida Bruno bleef ongehuwd.

Aeltgen Bruyning, later vooral bekend als Alida Bruno, groeide op als middelste kind in een Alkmaars predikantengezin met vijf kinderen – drie meisjes en twee jongens. Een ouder zusje met dezelfde naam, gedoopt op 9 april 1628, moet kort na de geboorte zijn gestorven. Haar moeder stierf toen Aeltgen drie jaar oud was. Haar vader hertrouwde datzelfde jaar nog met Aeltgen Jansdr., door wie de kinderen verder werden opgevoed. Op 2 maart 1645 deed Alida Bruno belijdenis. Evenals haar twee zussen bleef zij ongehuwd; bijna haar leven lang woonde zij met hen in Alkmaar in één huis.

Van de hand van Alida Bruno zijn 27 gelegenheidsgedichten bewaard gebleven. Het oudste daarvan dateert van maart 1646, toen zij waarschijnlijk in eigen kring al enige naam als dichteres had gemaakt. Vermoedelijk was zij bevriend met Maria Crombalch, de dochter van Maria Tesselsschade Roemersdr. Visscher, en vermoedelijk was zij ‘de nieuwe zon der poëzie’ in Alkmaar waarover Maria Tesselschade in 1645 tegenover Hooft de loftrompet had gestoken (Strengholt, 65). In een ongedateerde brief aan Caspar Barlaeus uit de zomer van 1647 noemt Tesselschade de jonge dichteres wel bij naam en prijst haar om haar ‘zoete gedichtjes’.

Ook stond Alida Bruno in contact met Constantijn Huygens, bij wie haar broer Henrick in dienst was als gouverneur voor de kinderen. In 1646 vroeg Huygens aan de nog jonge dichteres – ze was toen pas zestien jaar oud – of zij Tesselschade over wilde halen weer eens wat van zich te laten horen. Het oudst bekende gedicht van haar is een antwoord op dit verzoek in haar 28 versregels ‘aan den heer van Zuilichem’ meldt ze onder meer: ‘’k Heb de vraag aan Tesselscha,/ Gadeloze wederga/ Van Apoll’, met winst besteed,/ Want haar antwoord is gereed’. Huygens beantwoordt haar puntige gedicht met veel woordspel met onder andere de woorden: ‘Meisje, mooie makelaars [: makelares],/ Niet van liefde, niet van geld,/ maar van dichtjes wel besteld./ Boven al de kakelaars/ van Noord Holland, man of wijf,/ stel ik uw beknopt bedrijf’ (gecit. bij Strengholt, 73).

In 1655 zocht Alida Bruno contact met de dichter Jacob Westerbaen. Ook hij was onder de indruk van haar dichtkunst, en prijst in een aan haar opgedragen gedicht het ‘zoet Bruno’s kind’, dat hem ‘verzen zond vol geest en aardigheden’. In 1657 nam hij twee lofdichten van haar hand op in zijn bundel Gedichten. In datzelfde jaar 1657 stuurde ze opnieuw wat gedichten naar Huygens, ter gelegenheid van zijn te verschijnen verzamelbundel Koren-bloemen. Ze vroeg hem om advies over enkele passages waarover ze onzeker was – ze had ze in haast geschreven, en daarom nog niet kunnen kiezen welke versie de beste was. Ongetwijfeld hoopte ze dat hij een van haar gedichten zou opnemen in zijn bundel, maar dat is niet gebeurd. Wel nam de Delftse predikant Volker van Oosterwijck haar lofdichten op zijn werk op in de tweede druk van zijn De christelycke Seneca (1659). Het is duidelijk dat Alida Bruno via mannen van naam probeerde aansluiting te vinden bij het netwerk van de dichters van haar tijd. 

Tussen 1655 en 1660 zijn diverse gelegenheidsgedichten van Alida Bruno opgenomen in bloemlezingen (Klioos Kraam 2 (1657) en Bloemkrans van verscheiden gedichten (1659)). Daarna wordt het stiller rond haar. In 1672 liet ze nog eens van zich horen: ze schreef Constantijn Huygens enkele korte brieven om een goed woordje te doen voor de Alkmaarse burgemeester Arent van der Graef, die ambities had in het Haagse. Bij een van die brieven stuurde ze een lofdicht op Willem III mee. Uit dat rampjaar 1672 en uit het jaar 1677 zijn nog enkele gedichten van haar hand overgeleverd. Ze was kennelijk wel blijven schrijven. Twee jaar later, in januari 1679, stierf Alida Bruno, 49 jaar oud. Op 27 januari werd zij begraven in de Grote Kerk van Alkmaar. Romanus van Wezel schreef een grafdicht op haar waarin hij haar ‘grote geest’ prees.

Ondanks haar netwerk en de lovende woorden van onder anderen Maria Tesselschade, Huygens en Westerbaen is Alida Bruno niet echt een beroemde dichteres geworden. Strengholt noemt haar werk middelmatig: deze Alkmaarse ‘zon van de poëzie’ is zijns inziens niet meer geworden dan ‘een zwak sterretje’.  

Naslagwerken

Van der Aa; Frederiks/Van den Branden; Lauwerkrans; NNBW; Witsen Geysbeek.

Werk

Overzicht van haar overgeleverde gedichten in bijlage bij Strengholt.

Literatuur

L. Strengholt, ‘Een klein Alkmaars sterretje. Over Alida Bruno en haar literaire bedrijvigheid’, in: Alkmaarse silhouetten. Uit de geschiedenis van Alkmaar en omgeving (Zutphen 1982) 65-90; herdrukt in: H. Duits e.a. red., Een lezer aan het woord. Studies van L. Strengholt over zeventiende-eeuwse Nederlandse letterkunde (Amsterdam 1998) 203-227.

Redactie

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 294

laatst gewijzigd: 13/01/2014

De datum onder dit biografisch lemma geeft aan wanneer er voor het laatst aanvullingen en/of correcties in het stuk zijn doorgevoerd. Met ingang van 2023 is het project afgesloten.