Haren, Carolina Wilhelmina van (1741-1812)

 
English | Nederlands

HAREN, Carolina Wilhelmina van (geb. Den Haag 25-4-1741 – gest. Den Haag 23-11-1812), beschuldigde haar vader van seksueel misbruik, was de moeder van Gijsbert Karel van Hogendorp. Dochter van Onno Zwier van Haren (1713-1779), gecommitteerde bij de Raad van State, en Sara Adel van Huls (1718-1793). Caroline van Haren trouwde op 24-2-1760 in Scheveningen met Willem van Hogendorp (1735-1784), jurist. Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 2 dochters geboren.

Carolina Wilhelmina van Haren was een van de elf kinderen van Onno Zwier van Haren, namens de Friese steden gecommitteerde bij de Raad van State, en Sara Adel van Huls, telg uit een patriciërsfamilie. Ze had vijf broers en vijf zusters, onder wie Amelia Henriette Wilhelmina (1738-1800), Marianne Elisabeth (1744-1821), Betje genoemd, en Magdalena Adriana (1746-1822). Het gezin woonde in Den Haag. In haar jeugd had Caroline pokken, waardoor ze drie jaar lang bijna blind was.

Schandaal

In 1760 barstte er in en rond de familie Van Haren een schandaal los nadat Caroline en haar toen vijftienjarige zuster Betje hun vader beschuldigd hadden van pogingen tot incest. Het waren echter niet Caroline en Betje zelf die dit aan de orde stelden, maar Willem van Hogendorp, met wie Caroline op het punt stond te trouwen. Hij had uit opmerkingen van Betje opgemaakt dat ze te lijden had van ‘schandelijke aanzoeken’ van haar vader. Desgevraagd vertelde Betje dat zij sinds een half jaar regelmatig door haar vader apart werd genomen, meestal in de huisbibliotheek, en dan geprest werd om seksuele handelingen met hem te verrichten. Zij vreesde dat zij ‘niet langer zoude konnen resisteren’. Caroline verklaarde dat haar eerder ongeveer hetzelfde was overkomen, onder de verzekering dat zij ‘in allen dele zuiver en ongeschonden’ was gebleven.

Samen met de echtgenoot van Caroline van Harens oudste zuster Amelie, Johan Alexander van Sandick, wendde Van Hogendorp zich tot zijn aanstaande schoonvader. Uiteindelijk was deze gedwongen een verklaring te ondertekenen waarin hij poging tot incest bekende en beloofde zich uit Holland terug te trekken, tenzij zij hem toestemming gaven terug te keren. Alleen onder deze voorwaarden zou de familie Hogendorp instemmen met het huwelijk van Willem en Caroline. Verder zou de affaire binnenskamers worden gehouden.

Dat er toch een publiek schandaal ontstond, kwam doordat Onno Zwier van Haren zich niet neerlegde bij het verlies van zijn positie. Hij publiceerde in 1761 een lijvig geschrift waarin hij beweert dat Caroline, Amelie en hun echtgenoten een complot tegen hem gesmeed hadden. Caroline beschrijft hij als zeer intelligent maar onbetrouwbaar: zij was ‘van haar tederste kindsheid aan altijd gepasseerd [: doorgegaan] voor het gauwste en listigste kind van het gehele huis’ (Deductie, 80), maar het kindermeisje zou al vroeg hebben opgemerkt: ‘mr. en mevr. kennen die Caroline niet, die zal haar vroeg of laat vrij wat te doen geven, die zal nog historiën maken!’ (idem, 8). Caroline en haar verloofde zouden Betje de beschuldiging in de mond hebben gelegd, waarna Caroline onder tranen het verhaal had bevestigd, iets wat haar gemakkelijk afging omdat ‘zij het talent bezit om te krijten als zij wil’ (idem, 29). Waarom zij en haar verloofde zo’n rancune koesterden, zei Onno Zwier van Haren niet te begrijpen, maar ongetwijfeld wilden zij en alle andere betrokkenen hem om persoonlijke dan wel politieke redenen ten val brengen. De beschuldigingen wierp hij verre van zich: hij was een eerbaar man. Bovendien, zo voerde hij aan, waarom zou hij zich aan deze onaantrekkelijke dochters willen vergrijpen? Betje was ziekelijk en gehandicapt en Caroline was ‘schrikkelijk van de kinderziekte [: pokken] geschonden, de ogen bijna altijd vol bloed hebbende’ en had bovendien ’s zomers en ’s winters last van stinkende voeten.

Van Harens Deductie riep vele reacties op: tientallen pamfletschrijvers, al dan niet bij de zaak betrokken, lieten zich erover uit. Uiteindelijk reageerden ook de schoonzoons, mede namens ‘hunne huisvrouwen’, om ‘de absurditeit van het romaneske verhaal’ van hun (schoon)vader aan te tonen en zich tegen diens verdachtmakingen te verweren (Verdediging, 1 en 38). Ze zeiden dat ze Van Haren gedwongen hadden Den Haag te verlaten, niet om hem ten val te brengen of om zijn ambten te kapen, maar omdat het hun onmogelijk was nog langer met hem in het Haagse sociale en politieke leven te verkeren.

Om zijn naam te zuiveren liet Van Haren zich in 1761 in staat van beschuldiging stellen, opdat het Hof van Friesland over de zaak zou oordelen. Een jaar later verklaarde het Hof geen uitspraak te kunnen doen, vermoedelijk omdat de dochters en schoonzoons weigerden om verklaringen af te leggen, zodat de aanklacht zonder grond bleef. Hiermee waren Van Harens kansen op reputatieherstel en voortzetting van zijn politieke carrière verkeken. Hij legde zich voortaan toe op het schrijven van verzen en toneelstukken.

Breuk met de familie

Voor Caroline van Haren betekende het conflict een complete breuk met haar ouders en de meesten van haar negen broers en zusters. Met haar vader had ze direct alle contact verbroken. Haar moeder verbrak enige tijd later het contact en keerde zich tegen haar. Met Betje, die tot haar dood bij haar ouders bleef wonen, besloot Caroline zelf geen contact meer te onderhouden. Het zou, zo schreef ze Betje, ‘imprudent’ (onvoorzichtig) zijn om te corresponderen: ‘Vous pouvez compter sur une soeur qui vous aimera toujours […] mais qui ne vous écrira jamais’ (U kunt rekenen op een zuster die altijd van u zal houden, maar u nooit zal schrijven).

Caroline van Haren begon in 1760 een nieuw leven als mevrouw Van Hogendorp. Het echtpaar woonde eerst in Rotterdam, waar Van Hogendorp lid van de vroedschap was. In 1769 werd hij namens Rotterdam lid van de Gecommitteerde Raden van Holland en verhuisden ze naar Den Haag. Daar waren ze graag geziene gasten aan het hof van stadhouder Willem V en diens eega Wilhelmina van Pruisen. Ook onderhield Caroline een goede vriendschap met Amalia von Schmettau, prinses van Galitzin, een bekende intellectuele. Het echtpaar Van Hogendorp-van Haren leefde op grote voet door toedoen van de zich graag in luxe badende Willem, maar Caroline voedde hun zes kinderen sober op.

In 1773 ging Willem van Hogendorp bij een aandelencrisis failliet. Terwijl hij naar Oost-Indië vertrok om nieuw fortuin te maken, bleef Caroline met de kinderen achter. Dankzij een jaargeld en andere assistentie van Wilhelmina van Pruisen kon ze enigszins op stand blijven wonen en haar kinderen een opvoeding geven die uitzicht bood op een goede maatschappelijke positie. Ondertussen groeide het kapitaal weer aan door erfenissen en door de verdiensten uit Indië. Caroline van Haren zou haar echtgenoot niet meer terugzien: op zijn terugreis naar Nederland in 1784 stierf hij op zee. Caroline van Haren bleef trouw Oranjegezind. Toen in 1786, midden in de patriottentijd, haar zoon Gijsbert Karel van Hogendorp (1762-1834) promoveerde, verzocht ze hem dat te doen in legeruniform, als daad van openlijke prinsgezindheid.

Onterfd

De breuk tussen Caroline van Haren en haar ouders was inmiddels onherstelbaar. Toen haar vader in 1779 overleed, sprak haar moeder in de rouwcirculaires van ‘mijne acht kinderen’, daarmee het bestaan van Caroline en Amelie ontkennend. Ook bleken dezen te zijn onterfd, volgens het testament ‘omdat zij beiden ons zwaarlijk hebben geïnjurieerd in ene zogenaamde verdediging op naam en met toestemming van beiden openbaar uitgegeven’ (namelijk de Verdediging uit 1761). Hierover schreven de twee zusters in een brief aan een advocaat: ‘helaas! het is geen zogenaamde, maar ene hoognodige verdediging geweest, die zij hebben moeten uitgeven, en alleen geschikt [: bedoeld] om de waarheid van hunne onschuld tegens de publieke accusatie van hunne vader aan de dag te leggen – kan dat nu injurie genaamd worden?’ (brief in Van Sandick Archief). Ze zagen ervan af het testament aan te vechten, maar deden wel enkele vergeefse pogingen tot verzoening met hun moeder. In 1798 legde Caroline zich definitief neer bij de onterving, ‘hoezeer te mijne opzichte ongemeriteerd’, om elke nieuwe publieke discussie rond de familie te vermijden. In 1799 ging uiteindelijk één zuster, Magdalena Adriana, in op Carolines uitnodiging om het contact te herstellen.

De Franse inval in 1795 en de vlucht van de Oranjes betekende voor Caroline van Haren en haar gezin een zware slag. Vanaf 1797 woonde ze vermoedelijk het grootste deel van het jaar op haar buitenplaats Sion in Delft, waar ze zich dat jaar liet inschrijven bij de Waalse kerk. In 1800 verloor ze haar dochter Geertruide (geb. 1765), twee jaar later haar dochter Anna (geb. 1766) en weer twee jaar later haar zoon Frederik (geb. 1769). Caroline van Haren zelf stierf in 1812 in Den Haag. Een jaar later zou haar zoon Gijsbert Karel van Hogendorp de terugkerende prins van Oranje verwelkomen en een van de grondleggers van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden worden.

Reputatie

Het schandaal rond Onno Zwier van Haren is altijd tot de verbeelding blijven spreken. Toen hij in de negentiende eeuw werd ontdekt als schrijver, ontstond er een discussie over de vraag of hij schuldig kon zijn aan zo’n zedenmisdrijf dan wel slachtoffer was van een (politiek) complot. In 1939 hield E. du Perron de herinnering levend met zijn historische roman Schandaal in Holland, die in 1983 in een door Guus Vleugel en Ton Vorstenbosch bewerkte versie op het toneel werd gebracht.

In deze teksten gaat de aandacht uit naar de vader en blijven de dochters vage figuren. In Schandaal in Holland komt Caroline van Haren wel uitvoerig aan de orde, maar een eigen visie geeft Du Perron niet: hij nam Onno Zwiers negatieve beschrijving van zijn dochter over tot in details. Alleen in Van vrouwenleven (1913), een reeks beschrijvingen van maatschappelijk actieve vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis, krijgt Caroline van Haren zelfstandig aandacht in een bijdrage van haar achternicht A. van Hogendorp. Deze beschrijft haar als een sterke vrouw en lieve moeder. Ook de historica Henriëtte L.T. de Beaufort verdiepte zich wat meer in Caroline. In haar biografie van Gijsbert Karel van Hogendorp (1963) beschrijft ze Caroline van Haren als een vasthoudende vrouw die met haar bekoorlijkheid en distinctie Den Haag veroverde, en als een (over)zorgzame moeder. De Beaufort citeert ook veel uit Carolines nagelaten correspondentie, waarin overigens geen woord is te vinden over het zedendrama.

Naslagwerken

NNBW [onder O.Z. van Haren].

Archivalia

  • Van Sandick Archief, Rotterdam: hierin bevinden zich onder meer enkele teksten van Caroline en Amelie van Haren en anderen naar aanleiding van het testament van Onno Zwier van Haren, een brief uit 1799 van Magdalena van Haren aan Caroline en een brief van Gijsbert Karel van Hogendorp uit 1813 over de reacties van de familie Van Haren op het overlijden van Caroline. Inventaris: www.vansandick.com/familie/archief.
  • Nationaal Archief, Den Haag: Collectie 49 (G.K. van Hogendorp) [correspondentie van Caroline van Haren van na 1773]; Collectie 69 (Van Hogendorp) [hierin het testament uit 1760 van Willem van Hogendorp en Caroline van Haren].
  • Haags Gemeentearchief: Notarieel Archief, inv. nr. 2109, d.d. 26-1-1760 [huwelijkse voorwaarden Willem van Hogendorp en Caroline van Haren]; Burgerlijke Stand, Overlijden, akte nr. 1321 (d.d. 26-11-1812).

Literatuur

  • Onno Zwier van Haren, Deductie [...], ter zyner noodwendige suiveringe, van de lasterlyke geruchten en imputatien, tegen hem verspreid en ingebragt (z.p. z.j. [1761]).
  • Johan Alexander van Sandick en Wilhem van Hogendorp, Verdediging [...] tegens de verregaande beschuldigingen, hen en hunne huisvrouwen [...] ten laste gelegt, by zekere volumineuse Deductie door jr. Onno Zwier van Haren (Den Haag 1761).
  • Crimineele proceduren, gevoert bij de heer procureur generaal van de provincie Vriesland … met de sententien zo interlocutoir als definitief in die zaake gevallen, enz. (Amsterdam 1762).
  • A. van Hogendorp, ‘Wegbereidsters vóór en nà 1813’, in: Van vrouwenleven 1813-1913. Ontwikkelingsgang van het leven en werken der vrouw in Nederland en in de koloniën. Met inleiding van A. van Hogendorp (Groningen 1913).
  • E. du Perron, Schandaal in Holland (Den Haag 1939) [roman].
  • Henriëtte L.T. de Beaufort, Gijsbert Karel van Hogendorp (Rotterdam 1948; 3de herz. dr. 1963).
  • J. Teychiné Stakenburg, ‘Onno Zwier van Haren’s testament’, De Vrije Fries 42 (1955) 14-30.
  • Guus Vleugel en Ton Vorstenbosch, Schandaal in Holland (Amsterdam 1983) [toneelbewerking van het gelijknamige boek van Du Perron].
  • I. Groeneweg, ‘Enkele aspecten van mode en kleedgedrag in Nederland naar aanleiding van de brieven van de familie Van Hogendorp uit de late achttiende eeuw’, Textielhistorische Bijdragen 31 (1991) 60-98.
  • Liesbeth Brouwer, ‘Wat Jupiter mag, mag de stier nog niet’, in: Ph.H. Breuker, H.D. Meijering en J. Noordegraaf  red., Wat oars as mei in echte taal: Fryske stúdzjes ta gelegenheid fan it ôfskie fan prof. dr. A. Feitsma as heechlearaar Fryske Taal en Letterkunde (Leeuwarden 1994) 16-35.
  • Pieter van der Vliet, Onno Zwier van Haren (1713-1779), staatsman en dichter (Hilversum 1996).

Illustratie

Portret, door onbekende kunstenaar, ongedateerd (Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, Den Haag).

Auteur: Willemien Schenkeveld

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 532

laatst gewijzigd: 13/01/2014

De datum onder dit biografisch lemma geeft aan wanneer er voor het laatst aanvullingen en/of correcties in het stuk zijn doorgevoerd. Met ingang van 2023 is het project afgesloten.