Ruys, Wilhelmina Jacoba (1904-1999)

 
English | Nederlands

RUYS, Wilhelmina Jacoba (geb. Dedemsvaart 12-4-1904 – gest. Dedemsvaart 9-1-1999), tuinarchitecte en grondlegster van de tuinarchitectuur in Nederland. Dochter van Bonne Ruys (1865-1950), plantenkweker, en Engelina Gijsberta Fledderus (1872-1935). Wilhelmina Jacoba Ruys trouwde op 4-1-1950 in Amsterdam met Theodorus Aloisius Maria Moussault (1888-1974), fotograaf en uitgever.

Wilhelmina (Mien) Ruys groeide op in Dedemsvaart als vijfde van acht kinderen. Haar moeder was de dochter van een predikant in Hellendoorn. Haar vader had een internationaal gerenommeerde kwekerij van vaste planten, Moerheim geheten, waarvoor hij al sinds 1896 catalogi uitbracht, inclusief beplantingsadviezen. In 1904, het geboortejaar van Mien, had de kwekerij het predikaat ‘koninklijke’ verkregen.

Na haar schooljaren, in 1920-1922 afgesloten op een kostschool voor meisjes (de Luitgarde School, Bussum), besloot Mien Ruys tuinarchitect te worden, een beroep waarvoor toen nog geen opleiding was in Nederland. Ze was vooral geïnteresseerd in ‘wat te doen met al die planten’, meer dan in het kweken (Zijlstra, 12). In die tijd ging ze soms met haar vader mee op zijn buitenlandse zakenreizen. In 1923 begon ze als tekenares voor de in 1916 opgezette afdeling tuinarchitectuur van haar vaders kwekerij, waar ook haar oudere zus Ina in dienst was. Mien Ruys beschouwde dit als het begin van haar loopbaan. Twee jaar later kreeg ze op het terrein van Moerheim de beschikking over een stuk grond voor experimenten met planten en beplantingen. De eerste ‘proeftuin’ die ze daar in 1925 aanlegde – de ‘verwilderings-‘ of ‘schaduwtuin’ – is nog altijd te bezichtigen.

In 1928 ging Mien Ruys in de leer bij de afdeling tuinarchitectuur van een kwekerij in Tunbridge Wells (Engeland), waar ze ingewijd werd in het ontwerpen en tekenen van tuinen en het (bege)leiden van de aanleg daarvan. Ze bezocht toen ook de befaamde tuinarchitecte Gertrude Jekyll, een goede kennis van haar vader. Terug op Moerheim nam ze de taken van zus Ina over: het maken van beplantingsplannen. Een jaar later ging ze naar Berlijn, waar ze een van de eerste leerlingen werd van het nieuwe ‘Institut für Gartengestaltung’ van de Economische Hogeschool. Ze bleef werken voor Moerheim, maar stortte zich ook in het culturele leven. Naar eigen zeggen werd ze maatschappelijk ‘wakker geschud’ na het zien van de Dreigroschenoper van Bertolt Brecht: ‘in één nacht ben ik communist geworden’ (Manschot, 52). Diegenen die over haar geschreven hebben, kwalificeren haar meestal als ‘socialist’. Haar oudste zus, de bacteriologe Charlotte Ruys (1898-1977), zou overigens een rol gespeeld hebben in deze ‘bekering’.

Begin jaren dertig werd Mien Ruys hoofd van de afdeling tuinarchitectuur van de Moerheim-kwekerij, waar ze aanvankelijk vooral tuinen voor ‘rijkelui’ ontwierp (Manschot, 50). Hiernaast volgde ze in 1931-1932 colleges bouwkunde bij M.J. Granpré Molière aan de Technische Hogeschool van Delft. In 1933 brak een nieuwe episode aan toen ze de gemeenschappelijke tuin van de Geuzenhof (Amsterdam West, sociale woningbouw) mocht ontwerpen. Nadien kreeg ze opdrachten van vooral particuliere woningbouwverenigingen voor gemeenschappelijke tuinen in diverse woningbouwprojecten.

Nadat Mien Ruys in 1937 met de afdeling tuinarchitectuur van Moerheim naar Amsterdam was verhuisd, woonde ze ’s winters in de stad en ’s zomers op Moerheim. Ze werd lid van het Comité van Waakzaamheid van Anti-nationaalsocialistische Intellectuelen, dat onder anderen Menno ter Braak, Rosa Manus, Benno Premsela en Annie en Jan Romein onder zijn leden telde. Met het echtpaar Romein raakte ze goed bevriend. Vlak voor de oorlog verscheen Ruys’ eerste boek, Borders: hoe men ze maakt en onderhoudt (1939).

Nauwelijks was Mien Ruys in april 1940 als secretaresse toegetreden tot het bestuur van het Comité van Waakzaamheid of de Duitsers vielen Nederland binnen. Twee dagen had ze nodig om het archief ‘in een ouderwets kacheltje’ op te stoken (Manschot, 52). Vervolgens deed ze een vergeefse poging naar Engeland te vluchten. In 1942 zegde ze haar lidmaatschap van de Bond van Nederlandse Tuinarchitecten op omdat de Bond weigerde zichzelf op te heffen (en zich aldus aanpaste aan het regime van de Duitse bezetter). Omdat ze geen lid werd van de Cultuurkamer raakte ze officieel werkloos. Inofficieel was ze onder meer werkzaam voor het Nationale Park De Hoge Veluwe, waarvoor ze ook na de oorlog werkzaam bleef (ontwerp binnentuin van Museum Kröller-Muller, 1948).

In 1943 kwam Mien Ruys via een studieweek voor architecten in Doorn in contact met leden van De 8 en Opbouw, pleitbezorgers van het functionalisme in de architectuur, zoals Ben Merkelbach, Gerrit Rietveld, Hein Salomonson en Arthur Staal. Op uitnodiging van Merkelbach werd ze kort daarna lid van De 8. Ruys had veel affiniteit met de ideeën van de architecten van De 8 en Opbouw en na de oorlog zou ze veel met hen samenwerken.

Huwelijk

In januari 1950 trouwde Mien Ruys, inmiddels 45 jaar oud, met de ruim vijftien jaar oudere uitgever Theodorus (Theo) Moussault. Zo’n drie maanden later overleed haar vader. Over haar huwelijksleven is weinig bekend, behalve dat Moussault degeen was die voor het eten zorgde (Ruys beweerde dat ze alleen thee kon zetten). Voortaan verschenen Ruys’ publicaties bij Moussault, te beginnen met het befaamde Vaste plantenboek (1950). In 1955 richtte het echtpaar het kwartaalblad Onze Eigen Tuin op, met Ruys als hoofdredacteur en Moussault als uitgever – het blad bestaat nog altijd. De 8 en Opbouw hield in 1956 op te bestaan, maar Ruys bleef contact houden en werken met de architecten die ze daar had leren kennen.

Ook heeft Mien Ruys, als invaller voor J.T.P. Bijhouwer, college gegeven: in tuin- en landschapsarchitectuur in Wageningen (1951-1952) en in ‘stedelijk groen’ aan de Technische Hogeschool (TH) in Delft (1953-1955). Ze stopte ermee toen de TH weigerde tuin- en landschapsarchitectuur een zelfstandige plaats in het bouwkunde-curriculum te geven. In de jaren zestig ging Ruys met haar man regelmatig tuinen in het buitenland bekijken, van Denemarken tot de Caribische eilanden. Ook organiseerde ze tuinreizen voor de lezers van Mijn Eigen Tuin, een novum in die tijd.

Na de dood van haar man in 1974 zette Mien Ruys haar werkzaamheden onverminderd voort. Uit behoefte aan gezelschap schreef ze zich in bij de Amsterdamse kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae, als kunstenaar: ‘Daar heb ik hard voor moeten vechten […]. Twee jaar heeft het geduurd voor ze mij die status wilden geven’ (Manschot, 50). Eind jaren 1980 werkte ze op verzoek van een Amerikaanse uitgeverij aan een boek over haar ontwerpprincipes: From chaos to design. Principles of garden design. Om onbekende redenen is het nooit uitgegeven.

Tuin- en groenontwerpen

Mien Ruys heeft zich veel, maar allerminst uitsluitend met het ontwerpen van privétuinen beziggehouden. Het openbaar groen als onderdeel van de ruimtelijke ordening en architectonische omgeving had haar volle aandacht. Zo raakte ze in 1954-1955 betrokken bij de door De 8 en Opbouw gemaakte ontwerpen voor de bouw en aanleg van Nagele in de in 1942 drooggelegde Noordoostpolder. Ze ontwierp rondom het dorp een windsingel in de vorm van een recreatiebos met inheemse bomen. Eveneens in de jaren vijftig werkte ze met de architect Gerrit Rietveld samen voor weverij De Ploeg in Bergeijk. Daarna volgden nog veel andere tuinontwerpen voor fabrieken en bedrijven (o.a. Van Nelle in Rotterdam, een textielfabriek in Hengelo, Tomado in Etten Leur, Bata in Beest), al dan niet in samenwerking met betrokken architecten.

Verder ontwierp Mien Ruys gemeenschappelijke binnentuinen voor sociale woningbouwprojecten: ‘Ik wilde functioneel groen maken voor gewone mensen’, zei ze eens in een interview (gecit. Peters). Dat Mien Ruys zich bekommerde om de ‘gewone man’, blijkt ook uit haar streven om mooie tuinen binnen zijn bereik te brengen – voor kleine, particuliere tuinen bedacht ze betaalbare ‘confectieborders’: een reeks vaste ontwerpen voor verschillende grondsoorten waaruit de klant kon kiezen. Zulke ontwerpen publiceerde ze in haar tijdschrift Mijn Eigen Tuin en sommige waren te bezichtigen op Moerheim.

Een belangrijk principe van Mien Ruys was dat een beplanting aangepast moest worden aan de bodem ter plaatse en niet andersom. Dit was ook een van de eerste principes die ze formuleerde in haar boek over borders en die ze testte in haar proeftuinen op Moerheim. In die proeftuinen bestudeerde ze niet alleen kleurencombinaties door de seizoenen heen, maar ook zaaddozen, bladverkleuring, verwildering, bladvormen en de werking van licht en schaduw. Haar ontwerpen onderscheiden zich door functionalistische helderheid: rechte lijnen en vierkanten, waarvan de rechtlijnigheid verdoezeld wordt door de beplanting. Ruys introduceerde allerlei elementen die vooral in de jaren 1970 in talloze tuinen werden toegepast en waarvan de grindtegels en de biels de bekendste zijn. Die laatste bezorgden haar zelfs de bijnaam ‘Bielzen Mien’.

Het laatst bekende ontwerp van Mien Ruys dateert van 23 maart 1995: een beplantingsplan voor een particuliere tuin in Wychen. In de laatste jaren van haar leven woonde Ruys, toen ze niet meer lopen kon, in haar huisje op de tuin in Dedemsvaart – een in de jaren vijftig door Merkelbach verbouwde varkensstal. Vanaf haar divan keek ze uit over haar proeftuinen en zat tot het laatst ‘te broeden op ideeën’ (De Lange). Daar overleed Mien Ruys op 9 januari 1999 op de leeftijd van 94 jaar.

Reputatie

Mien Ruys hield zich naar eigen zeggen nooit met ‘man-vrouwdingen’ bezig en heeft er in haar werk nooit last van gehad dat ze een vrouw was (Manschot, 53). Ze vond het onnodig haar memoires te schrijven: ‘Mensen moeten maar naar mijn tuinen kijken. Daar ligt mijn ziel’ (Idem). In ieder geval is ze met haar modernistische, op geometrische principes gebaseerde tuinontwerpen beroemd geworden in binnen- en buitenland. Het door haar geïntroduceerde gebruik van spoorbiels, grindtegels, vlonders en bamboe heeft zich snel en wijd verbreid in de Nederlandse tuin en ze behoorden er decennialang tot de standaardelementen. Haar boeken Borders (1939), Rotsplanten in de tuin (1953) en Het vaste planten boek (1950) waren zeer populair en werden tot in de jaren 1980 herdrukt.

Aan de Amstel in Amsterdam zit nog altijd het kantoor dat Mien Ruys in 1943 betrok met haar tuinontwerpafdeling van Moerheim. De afdeling werd in 1979 verzelfstandigd en heet tegenwoordig Buro Mien Ruys. Verschillende van haar experimentele tuinen in Dedemsvaart bestaan nog. Als Tuinen Mien Ruys zijn ze gemeentelijk monument en open voor publiek. Haar drie vroegste tuinen zijn sinds 2004 rijksmonument.

Het omvangrijke archief van Mien Ruys bevindt zich bij de Speciale Collecties van Wageningen Universiteit. Daar is in 2007 een onderzoeksproject gestart dat moet uitmonden in een biografie en oeuvrecatalogus van Mien Ruys.

Naslagwerken

Atria; Wie is wie in Overijssel (www.wieiswieinoverijssel.nl).

Archivalia

  • Wageningen Universiteit, Speciale Collecties: Archief Mien Ruys [omvat o.m. collegedictaten (van Granpré Molière), ontwerpen, foto’s, brieven, dagboeken, een kopie van het handschrift van From chaos to design].
  • Nederlands Architectuurinstituut, Rotterdam: enkele van Ruys’ tekeningen van tuinontwerpen.

Publicaties

Behalve de hierboven genoemde titels schreef Mien Ruys vanaf 1929 in allerlei tijdschriften (o.a. Onze Tuinen) en vooral, vanaf 1955, in haar Onze Eigen Tuin.

  • ‘De architect en de tuin. Het nieuwe materiaal: de vaste planten’, de 8 en Opbouw 13 (1942) nr. 2.
  • [met J.J. Vriend], Bouwen en wonen (Amsterdam 1953).
  • Voor een (onvolledige) ‘Lijst van publicaties van Mien Ruys’ zie Zijlstra, 76.

Tuinontwerpen

  • Amsterdam: wijk Jeruzalem, 1947/51 (Maxwellstraat e.o., arch. Merkelbach e.a.; sinds 2010 Rijksmonument); parkje KNSM-eiland (Surinamekade); Andreasziekenhuis; Muzenhof, 1954 [nog bestaand]; GAK-gebouw, 1955/60 (Bos en Lommerplantsoen, arch. B. Merkelbach); binnentuin Turmac, 1966 (Drentestraat, arch. H. Salomonson); ABN Amro, 1969/73 (Vijzelstraat, arch. M. Duintjer c.s.).
  • Bergeyk: particuliere tuin, 1956 (arch. G. Rietveld); park van weverij De Ploeg, 1958 (arch. G. Rietveld) [beide nog bestaand; het park sinds 2010 Rijksmonument].
  • Den Haag: crematorium Ockenburg, 1959 (arch. J. Wils).
  • Etten-Leur: fabriek Tomado N.V. [nog bestaand].
  • Hardegarijp: particuliere tuin, 1962 (arch. A. Bonnema) [nog bestaand].
  • Heerhugowaard: park Reigersdaal [nog bestaand].
  • Nagele: landschapsarchitectuur, 1954/55 (stedebouw en architectuur o.a. G. Rietveld, B. Merkelbach, A. van Eyck, C. van Eesteren) [nog bestaand; de (landschaps)architectonische geschiedenis is te zien op de permanente expositie in Museum Nagele].
  • Zwolle: provinciehuis Overijssel (arch. M. Duintjer, tuin hersteld 2004/06 door Buro Mien Ruys).

Bovenstaande lijst is een selectie uit de talloze tuin- en openbaar groen-ontwerpen van Mien Ruys. Informatie over haar werk is zeer verspreid te vinden in boeken over architectuur of architecten. Voor haar werk met bijv. de architect Salomonson, zie Smit, Schijnbare eenvoud.

Literatuur

Illustratie

Mien Ruys. ANP/Kippa, 1983 (Nationaal Archief / Collectie Spaarnestad).

Auteur: Anna de Haas

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 907

laatst gewijzigd: 26/12/2017

De datum onder dit biografisch lemma geeft aan wanneer er voor het laatst aanvullingen en/of correcties in het stuk zijn doorgevoerd. Met ingang van 2023 is het project afgesloten.