Blogs en ander nieuws over De Witt

Tijdens het werk aan de brieven van Johan de Witt komen we vaak bijzondere zaken tegen. Dat kunnen noemenswaardige personen zijn, vreemde voorvallen, persoonlijke voorvallen, opvallende materiële zaken, enzovoort. Vooruitlopend op de openstelling van het Johan de Witt-archief door het Nationaal Archief, zullen we hiervan via blogpagina's en tweets regelmatig melding maken. Volg ons daarom ook via Facebook: Johan de Witt NL en Twitter: @JohandewittNL.

Is het hem of niet?

 

Een lias

 

In de Admiraliteitsliassen van de Staten-Generaal bevinden zich vele brieven die getuigen van de uitgebreide bemoeienis van Hare Hoog Mogenden met de vloot van de Republiek. De klerken van de Generaliteit hebben de inkomende brieven keurig gebundeld door de brieven aaneen te rijgen. Na afloop van een kalenderjaar ging de bundel naar het archief van de Staten-Generaal. Tegenwoordig zitten de Admiraliteitsliassen in mappen, maar de kleine gaatjes in elke brief laten zien hoe deze lias tot stand kwam.

Naast de brieven afkomstig van de vijf Admiraliteitscolleges, zijn er ook briefjes waarop een kort antwoord - meestal een ontvangstbevestiging - is gekrabbeld dat de klerken in een net handschrift moest uitwerken en terugsturen. Wie heeft deze briefjes geschreven? Het handschrift lijkt erg veel op dat van Johan de Witt. Heel erg veel zelfs, maar net niet helemaal. Zouden de briefjes door De Witt geschreven kunnen zijn?

Al voor zijn benoeming tot raadpensionaris in 1653 maakte De Witt deel uit van de commissie voor zeezaken van de Staten-Generaal.(1) In deze commissie trad De Witt als secretaris op en hij nam deze taak zeer serieus, omdat hij de vloot wilde gebruiken om de handelsbelangen van de Republiek te beschermen. Tijdens de Eerste Engelse oorlog (1652-1654) bleek dat de Nederlandse marine niet tegen de Engelse was opgewassen. Dat mocht in de toekomst niet weer gebeuren. De Witt kreeg toestemming van de Staten-Generaal om een briefwisseling met de Admiraliteiten te voeren om zich te informeren hoe de uitrusting van de vloot verliep.(2) In praktijk betekende het dat hij met zijn gedetailleerde vragen de Admiraliteiten achter de broek aan zat en hen aanspoorde zich meer in te spannen.

Mede dankzij De Witt besloten de Staten-Generaal in jaren vijftig en zestig van de zeventiende eeuw een compleet nieuwe vloot van ruim zestig grote, moderne schepen te laten bouwen. De bemoeienis van de raadpensionaris met de marine verplaatste zich van schrijftafel naar de vloot zelf. Tijdens de Tweede Engelse oorlog was De Witt in het najaar van 1665 en het voorjaar van 1666 zelf op de vloot aanwezig. Met zijn onvermoeibare inzet kreeg hij de vlootvoogden zo ver dat zij actief op zoek gingen naar de Engelsen, maar helaas voor De Witt (en gelukkig voor de Republiek) kwam het in zijn aanwezigheid het niet tot een confrontatie met de vijand.

 

NA, archief Staten-Generaal, Admiraliteitsliassen,
toegangsnr. 1.01.02 inv.nr. 5581 mrt 1664.
Vermoedelijk het handschrift van Johan de Witt.

 

Zijn de briefjes in de liassen van Johan de Witt? Gezien de grote interesse die hij voor de Nederlandse marine aan de dag legde en persoonlijk correspondeerde met de Admiraliteiten vind ik het zeer waarschijnlijk dat de kladantwoorden van zijn hand zijn. Het handschrift lijkt, zoals gezegd, heel erg veel op dat van De Witt. Er is nog een argument dat ervoor pleit om de briefjes aan De Witt toe te schrijven. Na het overweldigende succes van de Tocht naar Chatham in 1667 verflauwde de belangstelling van De Witt voor de marine. Hij had met de vloot bereikt wat hij wilde: een eervolle vrede met Engeland.(3) Het is goed mogelijk dat hij vanaf die tijd minder vaak aanwezig was in de commissie voor zeezaken en de afwerking van de correspondentie aan iemand anders overliet. Vanaf 1670 verschijnt er een ander handschrift in de liassen op de beantwoordingsbriefjes. Dit is een bekende hand, namelijk die van Gaspar Fagel. Fagel werd in dat jaar griffier van de Staten-Generaal en in die hoedanigheid maakte hij deel uit van de commissie voor secrete zeezaken. Het lijkt erop dat Fagel De Witts secretariële taken heeft overgenomen.

NA, De Witt-Gevaerts, 3.20.66.02, inv.nr. 5.,
Handschrift Johan de Witt in een brief aan zijn vader

Kortom: gezien De Witts correspondentie als raadpensionaris met de Admiraliteiten en zijn lidmaatschap van de commissie voor zeezaken ga ik ervan uit dat de beantwoordingbriefjes inderdaad van hem zijn. Dat zijn afnemende aandacht voor de vloot na 1667 leidde tot een minder directe bemoeienis met de Admiraliteiten en dat iemand de afhandeling van de correspondentie voor zijn rekening nam, vind ik aannemelijk.

Jaap de Haan, 8 maart 2017

  • (1) Zie voor De Witts bemoeiingen met de vloot o.a. J.R. Bruijn, Varend verleden. De Nederlandse oorlogsvloot in de zeventiende en de achttiende eeuw (Amsterdam 1996) hoofdstuk 6, H.H. Rowen, John de Witt, Grand Pensionary of Holland (Princeton 1978) hoofdstuk 15-16 en 28-29 en J.K. Oudendijk, Johan de Witt en de zeemacht (Amsterdam 1944) passim.
  • (2) Oudendijk, De Witt en de zeemacht, 35-36. De correspondentie bevindt zich in het archief van Johan de Witt: NA, toegangsnr. 1.01.17, [oud] inv.nr. 2644.
  • (3) Oudendijk, De Witt en de zeemacht, 191.