23/06/1626, 9

23/06/1626, 9

9 De ambassadeur van Frankrijk compareert en laat een aan hem gerichte brief van de koning lezen. Het betreft een door de Oost-Indische Compagnie van Dieppe tegen de VOC aanhangig gemaakte kwestie. De inhoud van de brief is op schrift gesteld en ingeleverd1 met het verzoek om een schriftelijk antwoord.
In het eerste met Louis en - lager - met Phelijpeaux ondertekende deel van de brief d.d. Fontainebleau 6 mei, vraagt Z.M. de Staten-Generaal zijn onderdanen tegemoet te komen volgens de door D'Espesses uiteen te zetten details. In het vervolgdeel vraagt de ambassadeur HHM om een een minnelijke schikking. Men moet dat los zien van het oordeel dat op 20 juni 1625 in 's- Gravenhage is geveld in de zaak tussen de Oost-Indische Compagnie te Dieppe en de VOC en dat de Franse Compagnie niet geheel tevreden heeft gesteld. De schikking zou eventueel tot stand gebracht kunnen worden door Langerack te machtigen hierover in Frankrijk met gecommitteerden van Z.M. te onderhandelen.
HHM hebben gezegd de ambassadeur schriftelijk te zullen antwoorden. Een afschrift van de Franse tekst gaat naar de VOC voor een reactie waarin hetgeen is voorgevallen wordt weergegeven.

1 De in het Frans gestelde brief is geïnsereerd in S.G. 3185.