12/01/1627, 1

12/01/1627, 1

11 Enkele bewindhebbers van de VOC reageren op de klachten die de Perzische ambassadeur bij zijn laatste audiëntie heeft geuit over de Compagnie. In het bijzonder wijzen zij erop dat hij tijdig is ingelicht over het vertrek van de schepen, maar dat hij met smoezen zijn verblijf heeft willen rekken. Marcus is zeker niet verboden hem nog langer te dienen, hij is juist aangesteld om de ambassadeur naar Perzië te begeleiden. Wat het verschepen van zijn goederen betreft zijn zij akkoord, ook al verzoorzaken de dertig kisten groot ongemak. De betaling voor deze vracht zal ter discretie van de koning worden gelaten. De ambassadeur kan naar Perzië terugkeren òf met de schepen die in Texel gereedliggen om bij gunstige wind uit te lopen òf door over Moskovië te gaan. In dat laatste geval zijn zij bereid op hun kosten een schip te huren en hem dat aanstaande mei te leveren.
Feit en Schagen is verzocht de ambassadeur tot vertrek te bewegen.
De bewindhebbers verzoeken tevens afrekening te mogen doen of anders te worden voorzien van een akte die voorkomt dat de Admiraliteitscolleges hen lastigvallen.
De afrekening wordt toegezegd en men zal er met de aanwezige gedeputeerden van de Admiraliteiten over spreken.

1 Deze resolutie is gedrukt: Dunlop, Bronnen Oostindische Compagnie Perzië I, 718.