27/12/1628, 10

27/12/1628, 10

10 HHM besluiten over de op 16 dec. ingediende punten van Joachimi na overleg met Z.Exc. als volgt:
I Ter voldoening van de besproken voorwaarden voor het ontslag van de drie in Engeland gearresteerde Oost-Indiëvaarders, zal worden geschreven aan de VOC ter Kamer Amsterdam om de gedecreteerde deputatie daarheen te laten doorgaan. Er is al opdracht gegeven om voor Joachimi commissie en een geloofsbrief aan de koning van Groot-Brittannië te depêcheren, om namens HHM de gerezen misverstanden tussen de VOC en de Engelse Compagnie.
II De kwestie Amboina [Ambon] zal nader worden onderzocht door Eck, Noortwyck, Duijck, Beaumont, Ploos, Eysinga, Haersolte en Schaffer.
III HHM willen niet ingaan op de vergoeding van de brandschade aan de meubelen van Joachimi in zijn logement te Londen, om het land niet met deze uitgaven te belasten.
IV Aangaande het vuurbaken op Lizard Head gelasten HHM ambassadeur Joachimi hun eerst nauwkeurig te informeren over de ordonnantie, de voet en de order waarop het recht daarvan wordt geïnd. Hij moet doorgaan met de restitutie van de 650.000 pond op obligatie van Carleton, geleend op het verzoek van de koning van Groot-Brittannië, en ook van het geld dat verstrekt is aan de vier regimenten. Indien enige opening wordt geboden tot de reële teruggave, dan moet hij Z.Exc. daarvan bijtijds verwittigen. Daarna zullen HHM op zijn advies handelen naar goeddunken.
V Aangaande de malversaties in de verkoop van de buit in het buitenland door vrijbuiters schrijven HHM aan de verschillende Admiraliteiten dat zij voor het uitvaren van deze kapiteins conform de regel van het land borg moeten laten stellen voor hun trouw en het inbrengen van hun buit, en deze ook van tijd tot tijd moeten zuiveren. Desondanks mag de ambassadeur in de belangrijke zeehavens in Engeland iemand gelasten scherp toezicht te houden op het handelen van de vrijbuiters. Zodra zij kennisnemen van malversaties, moeten deze HHM daarvan op de hoogte brengen.
VI Over de geschenken voor de commissarissen van Southampton zullen de retroacta worden nagezien. Het punt van de twaalf of veertien naar Frankrijk gezonden valken wordt in beraad gehouden.
VII Aangaande de klachten over de onbeschaamdheden van het bootsvolk en vissers uit deze landen begaan in Schotland zullen uittreksels worden gemaakt van de plakkaten die daartegen zijn uitgevaardigd. De ambassadeur zal deze aan de kanselier van Schotland overhandigen. Ook zullen de Admiraliteits- en de Visserijcolleges worden bevolen het scheepsvolk te vermanen deze onbeschaamdheden achterwege te laten of er zullen conform de plakkaten straffen volgen.
VIII Aangaande de nieuwe akte van machtiging om aan Willem Engelbrecht 100 mark te verschaffen, zal met Joachimi nader worden gesproken.
IX Aangaande de punten om erop te letten dat de Sont, de Eider, de Elbe, de Wezer, de Jade en de Eems niet onder de Spaanse macht komen of binnen het gebied van degenen die aan de Spanjaarden het gebruik van deze stromen niet zouden kunnen of willen verbieden of daartegen optreden, worden Eck, Bas, Bruninxs, Beaumont, Ploos, Eysinga, Haersolte en Clant gecommitteerd. Zij moeten deze punten nader onderzoeken en voorbereiden met het oog op een schikking tussen de kroon van Frankrijk en van Groot-Brittannië. De ordinaris en extraordinaris ambassadeurs van HHM bij de twee kronen worden volkomen gelast en geïnstrueerd.
X Aangaande de geruchten van de vredesonderhandelingen met Spanje dringen HHM er bij ambassadeur Joachimi op aan dit scherp in het oog te houden en te protesteren tegen alles wat in strijd is met het traktaat van Southampton. Hij moet HHM en Z.Exc. van tijd tot tijd op de hoogte brengen, om afhankelijk van de situatie daarin te kunnen optreden.
XI De rekesten van Sir Francis Willougby en van weduwe Francque Sprey zijn op 14 dec. voor advies aan de RvS gegeven.