Adriaen Ockersdr., Weyn Duijf (?-1568)

ADRIAEN OCKERSDR., Weyn Duijf, vooral bekend als Weyn Ockers, ook als Lange Weyn (gest. Amsterdam 22-6-1568), ter dood veroordeeld wegens deelname aan de beeldenstorm. Dochter van Adriaen Ockersz., notaris, en Duyf Jansdr. Gaeff. Weyn Ockers trouwde met Jurriaen ter Meulen. Over kinderen uit dit huwelijk is niets bekend.

Weyn Ockers werd in maart 1568 samen met haar dienstmaagd Trijn Hendricksdr. gevangengenomen. De twee vrouwen werden ervan beschuldigd anderhalf jaar daarvoor, om precies te zijn op 23 augustus 1566, te hebben meegedaan aan de beeldenstorm in de Oude Kerk in Amsterdam. Beide vrouwen werden schuldig bevonden en ter dood veroordeeld.

Weyn Ockers werd onder meer veroordeeld omdat zij tijdens de bestorming van de Oude Kerk haar pantoffel naar een Mariabeeldje zou hebben gegooid. Het beeldje stond in het altaar van Simon Slecht, priester in de Oude Kerk. Deze had enkele jaren eerder een zusterschap opgericht waarbij jonge dochters van welgestelde families zich aansloten. Zij omhingen het Mariabeeldje in het altaar met juwelen en kostbare stoffen. De manier waarop Simon Slecht zich verrijkte met deze ‘vette offer-penningen’ was volgens tijdgenoten onderwerp van veel kwaadsprekerij en spot. Volgens de algemene lezing was Weyn Ockers die eerste dag van de Amsterdamse beeldenstorm in woede ontstoken toen zij het veelbesproken altaar zag en had zij daarom haar muil naar het beeld geworpen.

Het verhaal van Weyn en haar pantoffel is geregeld door historici opgevoerd om er de willekeur van de kettervervolgingen onder de hertog van Alva mee te illustreren. Toch was het gooien met de pantoffel oorspronkelijk niet de reden waarom Weyn Ockers en haar dienstmaagd waren gearresteerd. Aanvankelijk werden zij ervan beschuldigd het stenen hondje bij het beeld van Sint Rochus mee te hebben genomen nadat dit beeld omver was geworpen. Beide vrouwen ontkenden dit. Wel gaven beiden toe dat ze die dag in de kerk waren geweest, maar zeiden dat zij weer snel waren weggegaan. Ook bekenden ze dat ze nog vaak op straat waren nageroepen voor ‘beeldenstormster’, en dat ze geregeld hagenpreken hadden bijgewoond. Het verhaal van de pantoffel kwam in hun proces pas een week na hun arrestatie aan de orde, nadat een andere van ketterij beschuldigde Amsterdammer op de pijnbank had verklaard dat Weyn haar ‘toffel’ tegen het glas van het altaar had gegooid.

Na de beschuldiging door haar stadsgenoot werd Weyn Ockers nog twee keer ondervraagd, nu onder tortuur. Ze bekende het glas van het altaar kapot te hebben gegooid en verklaarde daarnaast dat ze nog vele andere beelden had gebroken samen met haar dienstmaagd. Trijn werd ook twee keer gemarteld, maar zij legde geen bekentenis meer af. De bekentenissen van haar bazin zorgden er echter voor dat ook zij ter dood werd veroordeeld – op 22 juni werden beide vrouwen op de Dam verdronken in een met water gevuld wijnvat.

Van de jeugd en familieomstandigheden van Weyn Ockers is weinig bekend. Zij kwam uit een vermogend poortergezin: haar vader was in 1517 notaris in de Kalverstraat. Haar echtgenoot Jurriaen ter Meulen bezat waarschijnlijk een huis op de Zeedijk, waar de gegoede burgerij zetelde. Weyn Ockers was overigens niet de eerste vrouw in haar familie die van ketterij werd beschuldigd en dat met de verdrinkingsdood moest bekopen. Haar grootmoeder van moeders kant Lijsbeth Jansdr. was in 1535 ter dood veroordeeld voor haar aandeel in het anabaptistenoproer van 1534-1535.

Naslagwerken

Van der Aa.

Archivalia

Gemeentearchief Amsterdam: Archief Marquette, inv. nr. 130, Een waarachtigh ende cort verhael van ’t gene gepasseert is in de principaelste troublen, door Laurens Jacobsz. Reael; Archief Schout en Schepenen, inv. nr. 273, Confessieboek 18 augustus 1567 – 30 juni 1572 [verhoor Weyn Adriaen Ockers en Trijn Hendricksdr., 13 en 21 maart 1568].

Literatuur

  • Adriaen van Haemstede, Historie der martelaren (Dordrecht 1657) 449b.
  • Geeraerdt Brandt, Historie der Reformatie, en andre kerkelyke geschiedenissen 1 (Amsterdam 1671) 356-358.
  • Jan Wagenaar, Amsterdam, in zijne opkomst, aanwas, geschiedenissen, voorregten, koophandel, gebouwen, kerkenstaat, schoolen, schutterije, gilden en regeeringe 1 (Amsterdam 1760) 284.
  • Hendrik van Biesten, ‘Vervolg der anteykeningen van Broer Hendrik van Biesten, over het gebeurde te Amsterdam, […] (1567-1574)’, De Dietsche Warande 8 (1869) 417-463.
  • Jan ter Gouw, Geschiedenis van Amsterdam 6 (Amsterdam 1879) 100.
  • Joh. C. Breen, ‘Uittreksels uit de Amsterdamsche gedenkschriften van Laurens Jacobsz. Reael, 1542-1567’, BMHG 17 (1897) 1-60.
  • G. Grosheide, Bijdrage tot de geschiedenis der Anabaptisten in Amsterdam (Hilversum 1938) 62 [vonnis Lijsbeth Jansdr].
  • Johan E. Elias, De vroedschap van Amsterdam, 1578-1795 (Amsterdam 1963) 272.
  • R.B. Evenhuis, Ook dat was Amsterdam 1 (Amsterdam 1965-1978) 75.
  • Henk van Nierop, Beeldenstorm en burgerlijk verzet in Amsterdam, 1566-1567 (Nijmegen 1978) 40, 79, 80.
  • Henk van Nierop, ‘Van wonderjaar tot Alteratie, 1566-1578’, in: M. Carasso Kok red., Geschiedenis van Amsterdam 1 (Nijmegen 2004) 451-481.

Illustratie

Fragment van een gravure door R. Vinkeles en C. Bogert naar J. Buys (ca. 1790). Uit: Herman Kaptein, De beeldenstorm (Hilversum 2002).

Auteur: Femke Deen

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 90

laatst gewijzigd: 13/01/2014