Appeldoorn, Christina Adriana Arendina (1884-1938)

 
English | Nederlands

APPELDOORN, Christina Adriana Arendina (geb. Rotterdam 26-12-1884 – gest. Den Haag 5-12-1938), pianiste en componiste. Dochter van Johannes Appeldoorn (1852-1905), leraar Nederlands, en Margaretha Jacoba Cornelia Frings (1855-1935). Dina Appeldoorn trouwde op 18-7-1913 in Den Haag met Jan Koudijs (1885-1955), medewerker Posterijen en Telegrafie. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Dina Appeldoorn groeide op met een oudere en een jongere broer – twee andere broertjes stierven jong. Op haar zevende verhuisde het gezin van Rotterdam naar Delft. Als dochter van een leraar Nederlands werd ook Dina belangstelling voor literatuur bijgebracht, maar haar ouders zorgden eveneens voor een muzikale opvoeding. Dina kreeg vanaf haar negende pianoles en volgde koorzang bij de Delftse organist Willem van Thienen. In 1899, na de hbs, begon ze aan een onderwijzersopleiding op de Rijksnormaalschool in Delft en nam ze pianoles bij Antonie Ackerman aan de Koninklijke Muziekschool in Den Haag. Op vijftienjarige leeftijd schreef ze een Sonatine voor Viool en Piano – als pianiste voerde ze het stuk zelf uit. Al snel koos Dina definitief voor de muziek: vanaf 1900 studeerde ze piano bij Carl Oberstadt op het Koninklijk Conservatorium voor Muziek, zoals de Haagse muziekschool inmiddels heette. Ze speelde er vaak tijdens de zogenaamde voordrachtoefeningen en volgde er waarschijnlijk ook compositieles. In 1906 behaalde ze bij Oberstadt haar solodiploma. Op de einduitvoering in het Haagse concertgebouw K&W voerde ze een pianoconcert van Xaver Scharwenka uit.

Piano of compositie

Na haar solo-examen maakte Appeldoorn een tournee door Nederland met het Ensemble Esperanto, bestaande uit sopraan, bariton, viool en piano. Ze behaalde bij de Haagsche Onderwijzers Zangvereeniging het diploma ‘accompagnatrice’ en begeleidde veel zangers en koren. Daarnaast trad ze regelmatig op als solo-pianiste, maar het componeren bleef trekken en ze nam compositielessen bij Frits Koeberg en later bij Johan Wagenaar, die een levenslang vriend werd. Ook nam zij vioollessen bij violist Dirk Balfoort, met wie zij in 1908 een recital gaf. Dit inspireerde haar om zelf kamermuziek te schrijven.

Appeldoorn bleef als pianiste concerten geven en vocalisten, zoals Lena van Diggelen, begeleiden. Soms programmeerde zij bij deze gelegenheden ook eigen werk. Vanaf 1909 werden uitvoeringen van haar werk besproken in de kranten. De eerste kritieken op haar composities waren niet altijd positief. Appeldoorn werd daar soms wanhopig van en uitte haar gevoelens in een brief aan haar docent Koeberg. Deze antwoordde laconiek dat zij zich van de kritieken vooral niets moest aantrekken (brief, 21-3-1909).

In haar beginjaren schreef Appeldoorn voornamelijk liederen, maar na de lessen bij Koeberg componeerde ze ook enkele orkestwerken, zoals twee symfonieën en het symfonisch gedicht Pêcheurs d’Islande, dat in 1912 zijn première beleefde bij het Utrechtsch Stedelijk Orkest onder leiding van Wouter Hutschenruyter en een jaar later door hetzelfde orkest werd uitgevoerd ter gelegenheid van de tentoonstelling ‘De vrouw 1813-1913’. Datzelfde jaar 1913 trouwde Appeldoorn met Jan Koudijs, in die tijd adjunct-commies bij de Posterijen en Telegrafie.

Doorbraak als componiste

Dina Appeldoorn bouwde langzamerhand een reputatie op als componiste. In 1918 verscheen over haar een stuk in De Haagsche Vrouwenkroniek en een jaar later schreef Marie Berdenis van Berlekom in De Vrouw en haar Huis onder de titel ‘Beroemde Nederlandsche vrouwelijke componisten in onze tijd’ een artikel over Appeldoorns composities. Vanaf 1920 nam de waardering voor haar composities verder toe. Ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van Koningin Wilhelmina in 1923 schreef ze een Jubileumlied dat werd bekroond door de Nederlandschen Volkszangersbond. Op het Vierdaagsch Muziekfeest in 1925 van de Nederlandsche Toonkunstenaars-vereeniging in Utrecht werd De Noordzee uitgevoerd, een stuk voor groot orkest dat ze in 1924 had geschreven – in 1930 werd het ook in Keulen gespeeld. Dirigent Peter van Anrooy voerde met het Residentie Orkest in 1932 het orkestwerk Volksfeest uit, dat lovende recensies kreeg. Ook dirigent Eduard Flipse van het Rotterdams Philharmonisch Orkest zette zich in voor het werk van Appeldoorn. Grote solisten als de hoboïst Jaap Stotijn, zangeres Julie de Stuers en de pianist Hans Schouwman, vertolkten haar kamermuziekwerken regelmatig in Nederland en daarbuiten.

In 1937 vonden veel uitvoeringen van Appeldoorns composities plaats. Zo bracht het Haagsch Strijkkwartet meermaals haar Strijkkwartet, zongen Die Haghe Sanghers het Zwerverslied en speelde het Nederlandsch Kamerorkest in Parijs haar Serenade voor hobo en klein orkest. Appeldoorns composities kregen veelal goede kritieken. In 1937 wijdde pianist en componist Hugo van Dalen een uitgebreid artikel aan Appeldoorn, waarin hij eindigt met de uitspraak dat de componiste ‘een eerste plaats inneemt, in de rij der Hollandsche nationale componisten’ (Haagsche Courant, 18-8-1937). Hierbij doelde Van Dalen waarschijnlijk op Appeldoorns composities die geïnspireerd waren op Holland, met titels als de Hollandse Suite en Hollandsche liederen. En hoewel haar Pastorale voor orkest dat jaar ook negatieve kritiek kreeg, werd dit werk in korte tijd een twintigtal keren uitgevoerd, tot in Italië toe.

Lang kon Dina Appeldoorn niet van haar groeiende succes genieten. Ze werd ernstig ziek en overleed in de nacht van 4 op 5 december 1938 in haar woonplaats Den Haag, 53 jaar oud. Zij werd op de begraafplaats Oud Eik en Duinen begraven.

Betekenis

Het oeuvre van Dina Appeldoorn omvat ruim tweehonderd composities met opvallend veel vocale werken – ook voor koorbezettingen. Voor haar liederen gebruikte zij naast Duitse teksten werk van Guido Gezelle, Johannes Reddingius, René De Clercq en Joost van den Vondel en ook componeerde ze muziek bij zes teksten van Catharina Roskes-Dirksen in het Esperanto. Een groot deel van haar werk werd tijdens haar leven uitgegeven en na haar dood nog uitgevoerd. Met haar grote oeuvre is Dina Appeldoorn een componiste van belang. Dat zij zich ondanks de soms negatieve kritieken staande wist te houden, getuigt van doorzettingsvermogen. Haar composities wachten op herontdekking.

Naslagwerken.

Persoonlijkheden.

Archivalia

  • Haag Gemeentearchief, BS: huwelijk; Bevolkingsregister 1913-1939.
  • Nederlands Muziek Instituut, Den Haag: Archief Dina Appeldoorn (o.a. partituren, brief van Koeberg d.d. 21-03-1909 en andere correspondentie,).
  • Stadsarchief, Rotterdam, BS: geboorte.

Werken

  • Een lijst van composities is te vinden via de website van het Nederlands Muziek Instituut [URL http://www.nederlandsmuziekinstituut.nl; geraadpleegd 16-4-2017].
  • Composities van Dina Appeldoorn zijn onder meer uitgegeven bij Musico, Alsbach, Van Eck en Schott, en zijn te vinden in het archief van het Nederlands Muziek Instituut.

Opname

Pastorale [voor hobo], uitvoering door Maarten Karres, 1998 (Erasmus 234).

Literatuur

  • R.v.R.: ‘Bekende vrouwen XXI: Mevrouw Dina Appeldoorn’, De Haagsche Vrouwenkroniek, 21-9-1918, 1.
  • Marie Berdenis van Berlekom, ‘Dina Appeldoorn’, De Vrouw en haar Huis 13 (1919) nr. 9, 283-285.
  • Johannes P.J. Wierts: ‘Dina Appeldoorn en haar werk’, De wereld der Muziek 10 (1944) 106-108.
  • Katja Brooijmans, Dina Appeldoorn (1884-1938) (Utrecht 1994) [doctoraalscriptie].
  • Tabitha Kierszka, Dina Appeldoorn [URL http://nederlandsecomponistes.zierikzeenet.nl; geraadpleegd 16-4-2017].

Illustratie

Dina Appeldoorn, door onbekende fotograaf, ongedateerd (Nationaal Archief, Den Haag).

Auteur: Margaret Krill

laatst gewijzigd: 13/05/2017