Bodenheim, Johanna Cornelia Hermanna (1874-1951)

 
English | Nederlands

BODENHEIM, Johanna Cornelia Hermanna (geb. Amsterdam, 27-5-1874 – gest. Amsterdam 7-1-1951), illustratrice, naaldkunstenares, vormgeefster. Dochter van Godfried August Bodenheim (1840-1894), ondernemer en kunstverzamelaar, en Johanna Wispelweij (1847-1914), onderneemster. Nelly Bodenheim bleef ongehuwd.

Nelly Bodenheim was het tweede kind in een welvarend gezin van drie jongens en drie meisjes. Een jonger broertje stierf als zuigeling. Haar vader was eigenaar van een kleermakerij voor gala- en uniformkleding en hield zich daarnaast bezig met het verzamelen van kunst. Na zijn dood zette Nelly’s moeder het bedrijf voort onder de naam ‘Wed. G.A. Bodenheim’. Tussen 1887 en 1892 kreeg Nelly haar eerste tekenonderwijs aan de Amsterdamse Dagtekenschool voor Meisjes. Daarna ging zij van 1893 tot 1895 naar de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam, waar ze les kreeg van onder anderen August Allebé. Omdat zij zich meer wilde richten op tekenen en lithograferen, ging zij in 1894 ook in de leer bij Jan Veth in Bussum. Dat duurde tot 1896.

Prentenboeken en ander werk

Na haar leertijd legde Nelly Bodenheim zich toe op het illustreren, vooral van kinderboeken. In 1895 werd haar eerste, losse illustratie gepubliceerd in De Kroniek. Een jaar later verscheen Rietjes Pop van Tine van Berken, het eerste kinderboek met prenten van Bodenheim. De afbeeldingen in dit boek waren allemaal nog gekleurd. Het in 1900 verschenen Handje Plak, dat geheel op Bodenheims naam staat, bevatte behalve gekleurde, naïef aandoende illustraties ook de zwarte silhouetvoorstellingen van historiserende, burgerlijke tafereeltjes (‘zwartjes’) waarmee Bodenheim bekendheid zou verwerven. In totaal zou zij 22 kinderboeken illustreren, de meeste met versjes en liedjes.

Nelly Bodenheim beoefende ook andere genres. Aan het begin van haar carrière tekende zij voor bioloog Hugo de Vries enkele tientallen botanische platen (1899/1902). Tevens maakte ze een serie tekeningen van antiquiteiten in de verzameling van haar broer Frederik Paulus. In 1913 was Bodenheim betrokken bij de organisatie van de tentoonstelling De Vrouw. 1813-1913. Ze ontwierp bovendien de titelpagina van de catalogus van de afdeling Beeldende Kunst. Daarbij gebruikte ze beelden om de letters van het woord ‘catalogus’ voor te stellen, iets wat zij in het kinderboek Groen Grasje (1923) zou herhalen. Daarin wordt de beginletter van ieder versje in een illustratie verbeeld, waardoor aan het einde van het boek het hele alfabet is afgebeeld.

Vanaf 1913 ging Nelly Bodenheim kunstnaaldwerken maken en exposeren. Zij bedacht een eigen techniek waarbij zij met gekleurde draden van wol en zijde voorstellingen borduurde, ook op monumentale schaal, in grote, grove netten. Hiervoor koos ze onderwerpen uit het moderne leven, zoals ‘schouwburgbezoekers in lôge’, ‘sportgirls in de wintersport’, showdanseres Josephine Baker en filmster Charlie Chaplin. Dit werk stond in uitvoering en themakeuze ver af van haar kinderillustraties. Verder ontwierp Bodenheim bij gelegenheid affiches, toneeldecors en -kostuums, tasjes, kussens, haardschermen et cetera. Daarnaast maakte zij ‘vrije’ tekeningen en aquarellen.

Leven in Amsterdam

Nelly Bodenheims leven speelde zich hoofdzakelijk af in Amsterdam. Tot de dood van hun moeder in 1914 woonden zij en haar twee zusters thuis. Ook daarna bleven de zusters samen. Vanaf 1922 woonden zij in de Valeriusstraat, maar haar atelier had Bodenheim op de Herengracht (nr. 520). Zij ging slechts enkele malen naar het buitenland. Nelly Bodenheim ging om met kunstenaars als Isaac Israëls en Thérèse Schwartze, en actrice Jacqueline Royaards-Sandberg, maar vooral met een groep kunstenaressen voor wie kunstcriticus Albert Plasschaert de naam ‘Amsterdamse Joffers’ bedacht. De meeste van hen had zij leren kennen op de academie. Onder hen waren Lizzy Ansingh, Marie van Regteren Altena en Coba Ritsema. Nelly Bodenheim was de enige in de groep die niet schilderde. Wel exposeerde zij regelmatig met de andere Joffers. Met hartsvriendin Ansingh werkte zij enkele malen samen. Zo maakten zij gezamenlijk een paar kinderboekjes (‘n Vruchtenmandje, 1927; Tante Tor is jarig, 1950) en leverden zij tekst en afbeeldingen voor het kinderservies De Familie Kakelbont van de Société Céramique in Maastricht.

Nelly Bodenheim was tot eind jaren dertig actief; daarna verscheen nog slechts sporadisch werk van haar. In het Historisch Archief van het ANP is een telexbericht uit mei 1944 bewaard waarin de redacties van Nederlandse kranten wordt verboden een artikel uit het Algemeen Handelsblad van 25 mei naar aanleiding van de zeventigste verjaardag van Bodenheim over te nemen: ‘Over deze joodse kunstenares mag niets worden gepubliceerd' – overigens waren de Bodenheims Nederlands-hervormd. Nelly Bodenheim stierf in 1951 en werd begraven op Begraafplaats Zorgvlied, waar zij een graf deelt met haar twee zusters. Volgens Royaards-Sandberg was ze de hongerwinter nooit te boven gekomen. Door haar vele kunstenaarsvrienden werd zij omschreven als een mooie, teruggetrokken en lieve vrouw.

Tentoonstellingen en waardering

Het werk van Nelly Bodenheim was vanaf 1902 te zien op tentoonstellingen. Meestal exposeerde zij met anderen bij kunstenaarsgenootschappen zoals Arti et Amicitiae, en kunsthandels, zoals Buffa en Kleykamp. Museum Boymans kocht in 1902 voor 725 gulden de originele tekeningen van Handje Plak en Het regent het zegent, maar verder werd haar werk tijdens haar leven slechts zelden aangekocht door musea. Toen zij een keer voor een opdracht – onbekend is welke – zeshonderd gulden had gekregen, vond ze dat zelf eigenlijk veel te veel voor 'een stukje papier waar ik wat op teken' (geciteerd naar Royaards-Sandberg 1979, 134).

De vroege prentenboeken van Nelly Bodenheim, met hun burgerlijke toneeltjes, kregen al snel de waardering van een breed publiek. Ook recensenten waardeerden haar ongekunsteldheid en humor, de aansprekende, eenvoudige kleuren, en de verfijndheid van haar zwartjes. Men beoordeelde Bodenheims illustraties echter vooral in het kader van de kinderliteratuur, niet als kunstuiting. Het feit dat zij niet zelf met grafische technieken werkte, maar anderen litho’s liet maken, werd kritisch bekeken door aanhangers van de Nieuwe Kunst. Haar naaldwerk kreeg wel positief onthaal in de kunstrubrieken, zij het dat een enkeling zich afvroeg of het wel echt om ‘kunst’ ging (H.v.M 1931). Critici prezen vooral haar subtiele kleurgebruik, geestigheid en fantasie.

In de loop der jaren werd Bodenheims werk volwassener en lyrischer, haar tekenstijl expressiever en de sfeer sprookjesachtig. In haar tekeningen namen (fabel-)dieren en insecten een steeds grotere plaats in – bij voorbeeld in Waarom en waardoor (1936). Haar boekillustraties werden in deze tijd ook door kunstcritici vaker positief beoordeeld. Zo schreef Jos. de Gruyter over de illustraties in Waarom en waardoor, dat ze ‘onmiddellijk boei[d]en door de gevoelige en levende sfeer, de ongewone vindingrijkheid en het fantastische van kleur en lijn’ (De Gruyter 1936).

In 1949 kreeg Bodenheim een grote overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum. Lovende recensies verschenen in de NRC, de Volkskrant en De Groene Amsterdammer: men prees haar onafhankelijke geest, oorspronkelijkheid, fantasie en humor, en vergeleek haar werk met dat van James Ensor. Ook na haar dood was Bodenheims werk regelmatig op tentoonstellingen te zien, meestal samen met dat van de andere Joffers. In 1991 kreeg zij een tweede grote overzichtstentoonstelling, in het Amsterdams Historisch Museum.

Naslagwerken

DBNL; Groot; Jacobs (2000); Petteys; Saur; Scheen; Thieme; Waller. 

Archivalia

  • Rijksprentenkabinet, Amsterdam: schildersbrieven.
  • Koninklijke Bibliotheek, Den Haag: brieven van Nelly Bodenheim
  • Letterkundig Museum, Den Haag: diversen.
  • Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, Den Haag: o.a. Archief Dagteeken- en Kunstambachtschool voor Meisjes; PDO.
  • ANP, Den Haag: telexbericht 1944.

Publicaties en werk

Werk van Bodenheim bevindt zich o.a. in Amsterdam, Instituut Collectie Nederland; Amsterdam, Rijksprentenkabinet; Den Haag, Gemeentemuseum; Rotterdam, Museum Boijmans van Beuningen.

Voor een overzicht van de publicaties en van het overig werk, zie de oeuvrecatalogus in Schenk-Baumann en Schippers, Nelly Bodenheim (1988). 

Literatuur

  • Jan Veth, Hollandsche teekenaars van dezen tijd (Amsterdam 1905) 196-199.
  • A.J. Derkinderen, De Rijks-Academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam (Haarlem 1908) 21.
  • Aty Brunt, ‘Nelly Bodenheim’, Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift, 20-40 (1910) 217-230.
  • Elis Rogge, ‘Nelly Bodenheim’, De Vrouw en haar Huis 14 (1919) mei, 12.
  • R. van Flissingen, ‘Geborduurde schermen en gordijnen’, Ons Eigen Tijdschrift (oktober 1926) 373-375.
  • Cornelis Jan Kelk, ‘Levensversiering’, Balans. Algemeen Jaarboek der Nederlandsche Kunsten (Maastricht 1931) 96-97.
  • H.v.M. ‘Arti et Amicitiae. Een belangrijke tentoonstelling’, De Tijd. Godsdienstig-Staatkundig Dagblad, 9-11-1931.
  • Jos. De Gruyter, ‘Een boekje voor kinderen en voor sommige volwassenen. Oude dierfabels met nieuwe illustraties’, Het Vaderland, 6-11-1936.
  • Cornelis Veth, Nelly Bodenheim. Illustratrice (Rotterdam 1946).
  • Adriaan Venema, Amsterdamse Joffers (Baarn 1977) 63-79.
  • Jacqueline Royaards-Sandberg, Herinneringen (Baarn 1979) passim.
  • Tonia Schenk-Baumann en Ariette Schippers, Nelly Bodenheim, haar leven en werk (Amsterdam 1988) [met oeuvrecatalogus en bibliografie].
  • Saskia de Bodt en Jeroen Kapelle, Prentenboeken. Ideologie en Illustratie 1890-1950 (Amsterdam 2003) passim.
  • Hanna Klarenbeek, Penseelprinsessen & broodschilderessen, Vrouwen in de beeldende kunst 1808-1913 (Bussum 2012) passim.
  • Saskia de Bodt red., De verbeelders. Nederlandse boekillustratie in de twintigste eeuw (Nijmegen 2014) 28-29, 76, 81, 85-87.
  • ‘Johanna Cornelis Hermanna Bodenheim’, Documentatie van Beeldende Kunst in Noord-Holland [met overzicht van literatuur en tentoonstellingen].

Illustraties

  • Nelly Bodenheim, door Thérèse Schwartze, 1905 (particuliere collectie).
  • Omslag van Het regent – Het zegent (vierde druk, ca. 1929)

 

Auteur: Marloes Huiskamp

laatst gewijzigd: 22/10/2016