Deken, Agatha Pieters (1741-1804)

 
English | Nederlands

DEKEN, Agatha Pieters, vooral bekend als Aagje Deken (ged. Amstelveen 10-12-1741 – gest. Den Haag  14-11-1804), romanschrijfster en dichteres. Dochter van Pieter Teunisz. Deken (1700-1745), veeboer, en Geertruy Bebber (gest. 1745). Agatha Deken bleef ongehuwd.

Na de dood van haar beide ouders in 1745 werd de vierjarige Agatha Deken ondergebracht in het weeshuis van de collegianten, De Oranje Appel in Amsterdam. Andere familieleden zagen geen kans het weesje in huis te nemen maar wel kon (mede) uit de erfenis nog een behoorlijk entreegeld aan het weeshuis betaald worden. In deze vrijzinnig-protestantse omgeving kreeg zij een goede opvoeding waar ze later in de dubbel-autobiografie in romanvorm van haar en Elisabeth Wolff-Bekker, Geschrift eener bejaarde vrouw (1802), tevreden op terugziet: ‘De meisjes hebben het daar, voor hunne stand in de wereld, al te wel: men leert haar daar denken! [...] Zij kunnen niet zo willeloos zijn, als men van de dienstboden eist. [...] Zij zijn zedig beleefd, maar kunnen zich zo niet alles laten zeggen; zij denken niet, dat een geschenk alles weer goed maakt’.

In 1760 liet Agatha Deken zich in het collegiantencentrum Rijnsburg dopen. Daarmee trad ze toe tot de geloofsgemeenschap van de collegianten, voorstanders van de doop naar eigen wilsbeschikking. In 1767, 25 jaar en voor de wet volwassen, nam ze afscheid van het weeshuis. Vervolgens liepen enkele betrekkingen als dienstbode op ontslag uit. Blijkbaar liet Deken zich inderdaad niet alles zeggen.

Eerste publicaties

In 1770 werd Agatha Deken in Amsterdam betaalde ‘compagne’ en al snel ‘zielsvriendin’ van een ziekelijke jonge vrouw, Maria Bosch. In die periode begon ze te schrijven. Deken debuteerde in 1772 in de Hedendaagsche Vaderlandsche Letteroefeningen met het gedicht ‘Euzebia of de godvruchtige dienstmaagd’. Uit andere gedichten blijkt dat ze contact heeft gehouden met het weeshuis. Zo kreeg ze in 1775 de opdracht een gedicht te schrijven op het honderdjarig bestaan ervan.

In 1773 stierf Maria Bosch. Twee jaar later verscheen een bundel Stichtelyke gedichten van Agatha Deken en Maria Bosch, royaal uitgegeven met een titelgravure van Reinier Vinkeles, mogelijk bekostigd door de moeder van Maria Bosch, mogelijk ook door Dekens gefortuneerde neef Hendrik Busserus (mecenas van Vinkeles), aan wie het boek is opgedragen en die haar later een erfenis van ruim dertienduizend gulden naliet. Deken leverde het merendeel van de verzamelde verzen. Het boek laat iets zien van een kleine vriendenkring, ofwel een dichtgenootschapje, waarin vroomheid het belangrijkste bindend element vormt. We ontmoeten in de bundel onder anderen een vriendin van Deken, Maria Elizabeth Schreuder, met wie ze een vroom-introspectieve briefwisseling voerde (Buijnsters, Briefwisseling 1, nr. 56 e.v.). Waarschijnlijk voorzag ze in deze jaren met een theehandel in haar levensonderhoud.

Relatie met Betje Wolff

In het voorwerk van de Stichtelyke gedichten staat een gedicht van Jan Everhard Grave, de man in wiens huis Agatha Deken in 1776 voor het eerst Elisabeth Wolff ontmoette. De vrouwen kenden elkaar van naam en hadden enkele brieven met elkaar gewisseld. Wolff had gehoord dat Deken kwaad van haar had gesproken, Deken ontkende dat maar greep wel de gelegenheid aan de haar nog onbekende predikantsvrouw te vermanen over haar ‘grilligheden’ en haar op te wekken zich meer aan de godsdienst gelegen te laten liggen. Wolff reageerde in een brief die geïrriteerd begint maar merkwaardigerwijs uitloopt op een uitnodiging: wat zou ik je graag persoonlijk willen leren kennen, wat zouden we niet met elkaar kunnen delen.

De ontmoeting leidde tot een hechte vriendschap tussen Deken en Wolff. Toen in april 1777 Wolffs echtgenoot stierf, kreeg Deken dat als eerste te horen, met het verzoek zich onverwijld te begeven naar de Beemster pastorie, waar Wolff woonde. In september 1777 gingen de twee vrouwen definitief samenwonen, eerst in De Rijp, later in Beverwijk. Wolffs verliefdheden op telkens weer nieuwe jonge vriendinnen heeft hun verbondenheid misschien wel eens beschadigd maar nooit verbroken. Wolff heeft elementen uit Dekens karakter naar voren gehaald die in de vrome vriendenkring niet tot hun recht konden komen: uitbundige vrolijkheid en geestigheid.

Samenwerking

De samenwerking tussen Deken en Wolff begon in 1777 met een bundeling van de gedichten die de vrouwen elkaar hadden geschreven bij het overlijden van Wolffs echtgenoot. Er volgden enkele pamfletten en in 1780-1781 kwam hun eerste grote prozawerk uit, drie delen essays over van alles en nog wat onder de titel Brieven over verscheiden onderwerpen. In 1782 verschenen de drie delen vaak herdrukte Economische liedjes,  bedoeld om het arbeidsethos van brave burgers, met name de lagere standen, te verhogen. Datzelfde jaar bracht het grote kassucces van de schrijfsters, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart, later gevolgd door Willem Leevend (1784-1785) en Cornelia Wildschut (1793-1796). Zo nu en dan heeft Deken ook werk onder eigen naam gepubliceerd: een pamflet ter verdediging van de scheiding van kerk en staat, christelijke gezangen en liederen, kinderverhalen en de Liederen voor den boerenstand (1804).

In al hun werk hebben Deken en Wolff naar volksopvoeding in verlichte zin gestreefd. Ze pleitten voor tolerantie en raakten daarbij in conflict met de calvinistische orthodoxie. Hun sympathie ging steeds meer uit naar het democratisch gedachtegoed van de patriotten, al bleven ze de Oranjes welgezind. Willem V beschouwden ze als goedwillend maar misleid. Na de nederlaag van de patriotten in 1787 verlieten Wolff en Deken, vele anderen achterna reizend, eind 1788 het land. Ze vestigden zich in Trévoux (Frankrijk), kennelijk met de bedoeling daar te blijven want in 1789 lieten ze hun hele Nederlandse bezit veilen.

In 1795 stond de weg naar het door de Fransen ‘bevrijde’ vaderland weer voor hen open. Toen ze in 1797 terugkeerden, kon dat alleen dank zij de steun van een kapitaalkrachtige vriend. Immers, financieel was hun een ramp overkomen: hun zaakwaarnemer in Nederland was bankroet en hun kapitaal van ruim 32.000 gulden was grotendeels verloren gegaan. Terug in Nederland moesten de schrijfsters met eigen creatief werk en vertalingen in hun onderhoud voorzien. Na enkele moeilijke jaren stierf Agatha Deken in 1804. Ze werd begraven in hetzelfde graf als haar negen dagen eerder gestorven vriendin, op Ter Navolging in Den Haag.

Waardering

Agatha Deken heeft altijd in de schaduw gestaan van haar vriendin. Al bij hun leven is er gediscussieerd over het aandeel van beide schrijfsters, waarbij men Wolff als hoofdauteur zag en aan Deken voornamelijk de saaie belerende passages toeschoof.  Deken zelf is daar geïrriteerd over geweest en beloofde aan het eind van haar leven nog een lijst te maken van haar bijdragen. Daar is ze niet meer aan toegekomen. Wel heeft ze duidelijk aangegeven dat ze gezamenlijk voor de complete inhoud van hun werken verantwoordelijk waren en dat zij daaraan net zoveel ‘grappige’ gedeelten had bijgedragen als Wolff. Haar verweer hielp niet. Conrad Busken Huet zag het schrijfsterspaar als de combinatie van auteur en secretaresse. In ‘Aagje Ammers en Top Deken’ zette Martinus Nijhoff Deken in gezelschap van Jo van Ammers Küller en Top Naeff te kijk als afschrikwekkend symbool van burgerlijke vrouwenschrijverij. Daar de handschriften van hun grote romans verloren zijn gegaan, zal de waarheid nooit geheel aan het licht komen, maar het getuigt van grote vooringenomenheid Agatha Deken louter te willen zien als ‘het zwarte mens’ (Nijhoff) achter de superieure Elisabeth Wolff. Ten slotte verscheen over hen een roman van Kees ’t Hart, Ter navolging (2004), waarin de beide vrouwen in een weinig historisch daglicht worden gesteld. De belangstelling voor werk van (Wolff en) Deken is nog altijd groot en blijkt vooral uit de talloze heruitgaven van Sara Burgerhart en recentelijk uit enkele nieuwe edities van andere titels.

Naslagwerken

Van der Aa; Lauwerkrans; NNBW.

Archivalia

Zie Höweler, Archivalia, en Buijnsters, Wolff & Deken, 344-396.

Publicaties

Zie P.J. Buijnsters, Bibliografie der geschriften van en over Betje Wolff en Aagje Deken (Utrecht 1979).

De meest recente heruitgaven sinds de verschijning van Buijnsters’ Bibliografie zijn:

  • E. Bekker, wed. ds. Wolff en A. Deken, Historie van Cornelia Wildschut, Willem en Koosje Breekveld en Joost Kloek ed. (Amsterdam 1992) [bloemlezing].
  • E. Bekker, wed. ds. Wolff en A. Deken, Geschrift eener bejaarde vrouw, A. Hanou ed. (Amsterdam 2007).
  • E. Bekker, wed. ds. Wolff en A. Deken, De historie van Sara Burgerhart (Amsterdam 2005) [de laatste van een reeks heruitgaven sinds 1979].

Literatuur

  • Cd. Busken Huet, ‘Elizabeth Wolff’, in: Idem, Litterarische fantasien en kritieken, 19 (Haarlem z.j.) 206-210.
  • H.A. Höweler,  Archivalia betreffende Aagje Deken, Betje Wolff en personen uit haar kring (Amsterdam 1949) 7-20 (‘De jeugd van Aagje Deken’).
  • J.C. Brandt Corstius, Lotje Roulin. Een liefde in de achttiende eeuw zoals zij wordt verhaald in de roman Willem Leevend (Zwolle 1954) 5-9 (Inleiding: ‘Wolff én Deken’).
  • M. Nijhoff, ‘Aagje Ammers en Top Deken’, in: Idem, Verzameld werk, II.1 (Den Haag/Amsterdam 1961) 557-559.
  • P.J. Buijnsters, Wolff & Deken. Een biografie (Leiden 1984).
  • P.J. Buijnsters, Briefwisseling van Betje Wolff en Aagje Deken, 2 delen (Utrecht 1987).
  • M.A. Schenkeveld-van der Dussen, ‘Leven in de schaduw. Over Aagje Deken’, in: Kees Fens red., Verlichte geesten. Een portrettengalerij voor Piet Buijnsters (Amsterdam 1996) 145-157.
  • Edwina Hagen, ‘Aagje Dekens “Offerande aan het vaderland” (1799): godsdienst en de zedelijke invloed van de “Bataafsche vrouwen”’, in: Peter Altena en Myriam Everard red., Onbreekbare Burgerharten. De historie van Betje Wolff en Aagje Deken (Nijmegen 2004) 159-164, 213 [speciaal nummer van Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 27 (2004) 3].
  • Pim van Oostrum, ‘Twee potentaatjes: onthullende berichten van Elisabeth Bekker en Aagje Deken over elkaar’, in: Annemarie Armbrust e.a. red., ‘Dat gij mij niet vergeet’. Correspondentie van vrouwen in de zeventiende en achttiende eeuw (Amsterdam 2006) 49-82.

Zie voorts literatuuropgave bij het lemma over Elisabeth Bekker.

Illustratie

Miniatuurportret, door onbekende kunstenaar, ongedateerd (Letterkundig Museum, Den Haag).

Auteur: Riet Schenkeveld-Van der Dussen

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 533

laatst gewijzigd: 13/01/2014