Gaspoel, Susanna (na 1601-1664?)

 
English | Nederlands

GASPOEL, Susanna (geb. Londen? na 1601 – begr. Amsterdam 2-8-1664?), (architectuur)schilderes. Dochter van John Gaspoel (gest. 1622/1623) en Clara (gest. na 28-8-1623). Susanna Gaspoel trouwde tussen 1623 en 1629 met Hendrick van Steenwijck (1580-1649), architectuurschilder. Uit het huwelijk werden ten minste 2 zoons geboren.

Waar en wanneer Susanna Gaspoel werd geboren, is niet duidelijk. Ze stamde hoogstwaarschijnlijk uit een Leuvense familie die in Engeland was neergestreken. In 1611 was een steenhouwer genaamd John Gaspoole werkzaam in Berwick. Mogelijk gaat het hier om een directe verwant van Susanna. In de National Archives is namelijk het testament te vinden dat ene John Gaspoole, ‘gentleman’ afkomstig uit Leuven en inwoner van Westham, Essex, op 28 augustus 1623 liet opmaken. Daarbij testeerde hij de weduwe (Clara) en de drie kinderen van zijn in 1622 of 1623 in Westham begraven zoon John: John, Susan en Clara, die op dat moment allen jonger waren dan 21 jaar en met hun moeder waarschijnlijk in of nabij Londen woonden. Clara zou daar in 1630 trouwen in de Nederlandse kerk.

Huwelijk

Het huwelijk van Susanna is niet gedocumenteerd, maar vast staat dat ze trouwde met de uit Antwerpen afkomstige architectuurschilder Hendrick van Steenwijck. Deze was vanaf het midden van de jaren 1610 werkzaam in Engeland, onder meer aan het hof van Karel I. Op basis van het testament van Susanna’s grootvader uit 1623 en een aan haar toegeschreven schilderij uit 1629 (zie hieronder) zou het huwelijk in de tussenliggende periode moeten hebben plaatsgevonden. Susanna was veel jonger dan haar echtgenoot, die in 1580 was geboren.

Susanna Gaspoel en Hendrick van Steenwijck kregen in ieder geval twee zoons. In de doopboeken van de Nieuwe Kerk in Amsterdam staat te lezen dat daar op 16 november 1632 Henrick werd gedoopt, zoon van Susanna Gaspoel en Henrick van Steenwijck, en in die van de Hooglandse Kerk in Leiden werd op 3 september 1634 de doop van Fredericus genoteerd. In 1632 trad als doopgetuige Servaes de Cock op, een goudsmid uit Frankfurt en zwager van Hendrick; in 1634 waren diens vrouw Anna van Steenwijck, en zoon, de schilder Martinus [Maerten] de Cock, de getuigen. Deze dopen zijn opmerkelijk, aangezien over het algemeen wordt aangenomen dat Hendrick van Steenwijck tot omstreeks 1637 in Londen bleef. Ook twee latere, indirecte bronnen wijzen op het bestaan van één of twee zonen: in 1736 zag de Engelse schrijver-politicus Horace Walpole in het huis van zijn vader een zelfportret van ‘Stenwick’, zoals de naam van de schilder in Engeland wel werd geschreven, met ‘his wife and two sons’. Dezelfde Walpole beweerde in 1762 dat Hendrick van Steenwijck een zoon had, Nicholas, die voor koning Karel had gewerkt (Howarth 2009, 16, 290).

Architectuurschilderes

Het is aannemelijk dat Susanna Gaspoel het vak van architectuurschilderes van haar man heeft geleerd en dat zij samen met hem in zijn atelier werkte. Het vroegste schilderij dat van haar bekend is, is een kerkinterieur dat de signatuur SvS draagt en 1629 is gedateerd (privébezit, toeschrijving van Jeremy Howarth). Het feit dat het stuk nauw aansluit bij het werk van Van Steenwijck duidt erop dat ze al enige tijd met Van Steenwijck getrouwd was of in ieder geval al langer bij hem in de leer was geweest. Ook met een eveneens gesigneerd en gedateerd gotisch kerkinterieur uit 1639 volgt zij in onderwerpkeuze en stijl het werk van haar echtgenoot (Dessau, Anhaltische Gemäldegalerie). In die tijd woonde het paar waarschijnlijk (nog) in Leiden. In 1639 was Susanna (van) Gaspoel daar getuige bij een doop. Daarnaast is bekend dat zij in augustus 1642 aan het Leidse stadsbestuur een voorstelling van de Lakenhal verkocht, door ‘haar zeer curieus [: zorgvuldig] en kunstig afgebeeld’ (ELO inv. nr. SAII 188). Uit de documenten blijkt dat zij het schilderij enkele malen aan de stad heeft aangeboden – het lijkt niet echt om een opdracht te zijn gegaan – en dat de stad het stuk uiteindelijk voor de aanzienlijke prijs van zeshonderd gulden aanschafte. Onduidelijk is waarom de stad bereid was dit hoge bedrag te betalen.

Naar we mogen aannemen woonde Susanna in 1645 in Den Haag. In de Iconographia van Antoon van Dijck uit dat jaar is het portret van Hendrick van Steenwijck namelijk opgenomen met het bijschrift ‘pictor architectonices Hagae Comitis’. Mogelijk keerde zij later toch weer terug naar Leiden. Volgens Wurzbach zou zij in een Leids archiefstuk van 17 november 1649 de weduwe worden genoemd van Hendrick, die voor zover bekend in dat jaar voor het laatst een schilderij dateerde. Ook schilderde zij in de jaren 1650 een voorstelling van het interieur van de Pieterskerk in Leiden (Leiden, Stedelijk Museum De Lakenhal) en trad zij in 1656 op als getuige bij een doop in diezelfde stad. Volgens Joachim von Sandrart vestigde Susanna Gaspoel zich na de dood van haar man in Amsterdam ‘und übte sich ebenmässig im Perspectiv-Mahlen, verdiente darmit so viel, dass sie sich wol und ehrlich ausbringen können’ (Sandrart, 299). Susanna Gaspoel wist zich in Amsterdam dus goed staande te houden als architectuurschilderes. Een andere bron zou bevestigen dat zij in 1648 in ieder geval nog niet in Amsterdam woonde, omdat zij in dat jaar vier schilderijen voor de verkoop naar Amsterdam stuurde (zie Musée Royal de La Haye, 362).

Er zijn maar weinig werken van de hand van Susanna Gaspoel bekend. In de meeste gevallen gaat het om architecturale voorstellingen, maar er worden ook enkele stukken met een religieus thema aan haar toegeschreven (vgl. ook Susanna van Steen). Zo wordt in het Leidse Prentenkabinet een gesigneerde tekening bewaard met als onderwerp ‘de kruisdaging’. Omdat de schilderes waarschijnlijk vooral architectuurschilderijen maakte en nauw met haar echtgenoot zal hebben samengewerkt, bevinden zich onder de aan hem (of zijn omgeving) toegeschreven werken ongetwijfeld stukken van Susanna’s hand.

Een opmerkelijk onderdeel van het oeuvre van Susanna Gaspoel vormen de panelen die deel uitmaken van een kabinet dat rond 1664 werd gemaakt, mogelijk voor een Leidse opdrachtgever. De laatjes en het deurtje van dit kastje zijn beschilderd. Op de voorkanten van de lades is een bloemstilleven te vinden. De bodems van negen kleine lades zijn beschilderd met portretjes van reformatoren, zoals Luther, Melanchthon en Calvijn. Op de bodem van de grote, onderste lade is een kerkinterieur te vinden, terwijl op de binnenkant van het deurtje een voorstelling van ‘Christus en de Samaritaanse vrouw’ is geschilderd. Beide laatste panelen zijn door Susanna gesigneerd en 1664 gedateerd, maar het is aannemelijk dat ook de andere schilderingen van haar hand zijn. De datering is des te opmerkelijker, omdat Susanna Gaspoel waarschijnlijk in 1664 in Amsterdam is gestorven. In de Zuiderkerk werd op 2 augustus van dat jaar een Susanna Gansepoel begraven in een eigen graf. Verdere gegevens ontbreken (op 14 februari 1673 werd daar ook een Susanna ‘van’ Gansepoel begraven, maar aangezien van een vrouw met die naam ook een huwelijk is gevonden, lijkt het minder aannemelijk dat dit Susanna Gaspoel is).

Receptie

Dankzij Sandrart kreeg Susanna Gaspoel al vroeg (1675) een bescheiden plaats in de kunstgeschiedenis. Als zij later in de literatuur of een tentoonstelling aan bod kwam, was dat meestal als ‘vrouw van’ of als voorbeeld van een vroege vrouwelijke kunstenaar. Ook het schilderij van de Lakenhal en de ruime vergoeding die zij daarvoor kreeg, kwamen vaker ter sprake. Het feit dat zij als vrouw koos voor de architectuurschilderkunst maakte haar extra interessant. Historicus Jeremy Howarth besteedde in 2009 en 2012 aandacht aan Susanna Gaspoel in het kader van zijn onderzoek naar het familiebedrijf Van Steenwijck. In 2015 kreeg zij wat meer ‘persoonlijke’ aandacht in een publicatie en tentoonstelling rondom het door haar beschilderde kabinet.

Naslagwerken

Van der Aa; Delvenne [onder H. Steenwyck]; Elck zijn waerom; Van Eijnden en Van der Willigen [onder Susanna van Steen]; Immerzeel [onder H. van Steenwijk]; Kramm; Lexicon Noord-Nederlandse kunstenaressen; NNBW [onder H. van Steenwijck]; Petteys; Thieme; Wurzbach.

Archivalia

  • Stadsarchief Amsterdam: DTB, Dopen 5001, p. 220 (zoon). DTB, Begraven 1091, 87v, d.d. 2-8-1664, en 126v, d.d. 14-2-1673.
  • Erfgoed Leiden en omstreken: Stadsarchief II 188, BGDbps C, fol. 296v (aanbod van schilderij van de Lakenhal); II 239, KRBGB 1642-1646; II 1423, ob o fol. 131v-132; II 9583, RTO 1642 III, fol. 1668-1668v (over aankoop schilderij van de Lakenhal, augustus 1642); DTB, dopen NH, Hooglandsche Kerk, 3-9-1634 (zoon); Pieterskerk, 5-1-1639 (getuige); Hooglandsche Kerk, 17-04-1656 (getuige).
  • National Archives, Kew: Prob. 11/143, file reference 299, fol. 220-221 (testament van John Gaspoole, 28-8-1623; prob. 17-3-1624).

Werk

Werken van Susanna Gaspoel bevinden zich onder meer in: Stedelijk Museum Alkmaar; Dessau, Anhaltische Gemäldegalerie; Leiden, Stedelijk Museum De Lakenhal; Leiden, Universiteitsbibliotheek, Prentenkabinet.

Zie ook Howarth, 281-283; Huiskamp 2015.

Literatuur

  • J. von Sandrart, Teutsche Academie der Bau-, Bild- und Mahlerey-Künste, deel 1-2: Die Künstler-Viten (Neurenberg 1675-1680) 299.
  • H. Walpole, Anecdotes of painting in England, deel 2 (Strawberry Hill 1762) 104.
  • D. Lysons, The environs of Londen, deel 4, Counties of Herts, Essex & Kent (Londen 1796) 262.
  • Les femmes artistes. Catalogue d’une collection unique de dessins, gravures et eaux-fortes, composés ou executés par des femmes (Amsterdam z.j. [ca. 1884]) 65, nr. 733.
  • W.J.C. Moens, The marriage, baptismal, and burial registers, 1571 to 1874, and monumental inscriptions, of the Dutch reformed church, Austin Friars, London: with a short account of the strangers and their churches, London, 1571-1874 (Lymington 1884) 106.
  • D. Franken Dzn., ‘Albert Jansz. Vinckenbrinck’, Oud-Holland 5 (1887) 73-92, aldaar 81.
  •  A. Bredius, ‘Het schildersregister van Jan Sysmus, stads-doctor van Amsterdam’, Oud-Holland 4 (1891) 137-152, aldaar 146.
  • D.W. Rannie (ed), Remarks and collections of Thomas Hearne, IV (15 dec. 1712 – 30 nov. 1714) (Oxford 1898) 23.
  • Catalogus van de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid. Historische afdeling (Den Haag 1898) 63, 64, 131.
  • Musée Royal de La Haye. Catalogue raisonné des tableaux et des sculptures (Den Haag 1914) 362.
  • R.H. Wilenski, Flemish painters 1430-1830, deel 1 (Londen 1960) 661.
  • Stedelijk Museum De Lakenhal. Catalogus van de schilderijen en tekeningen (Leiden 1983) 321-322.
  • J. Schaeps, ‘Een tekening van Susanna van Steenwijck’, Bulletin van het Prentenkabinet Leiden 2 (2001) [heeft geen paginering].
  •  L. Dukelskaya en A. Moore, A capital collection. Houghton Hall and the Hermitage; with a modern ed. of Aedes Walpolianae, Horace Walpole’s catalogue of sir Robert Walpole´s collection (New Haven 2002) 449, nr. 406.
  • G. Steenmeijer, Tot cieraet ende aensien deser stede. Arent van ‘s-Gravensande, architect en ingenieur ca. 1610-1662 (Leiden 2005) 139, 140, 318 noot 1109.
  •  J. Howarth, The Steenwyck family as masters of perspective: Hendrick van Steenwyck the Elder (c. 1550-1603), Hendrick van Steenwyck the Younger (1580/82-1649), Susanna van Steenwyck (dates unknown - active 1639-c. 1660) (Turnhout 2009).
  • J. Howarth, ‘The Steenwyck paintings, products of family enterprise’, in Koenraad Brosens, Leen Kelchtermans en Kalijne van der Stighelen (red.), Family Ties. Art Production and Kinship Patterns (...) (Turnhout 2012) 145-158.
  • M. Huiskamp, Curieus kabinet. Een zeventiende-eeuws pronkkabinetje van Landgoed Nijenburg (Alkmaar 2015).

Illustratie

  • Susanna van Steenwijck-Gaspoel, Gezicht op de Lakenhal, 1642, Leiden (Stedelijk Museum De Lakenhal).
  • Kabinet, Noord-Nederlands, ca. 1664, met schilderingen van Susanna van Steenwijck-Gaspoel [deurtje niet compleet afgebeeld] (Stedelijk Museum Alkmaar).

Auteur: Marloes Huiskamp (met dank aan Christi Klinkert, Stedelijk Museum Alkmaar en Anna de Haas)

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 240

laatst gewijzigd: 23/02/2016