Gerhardt, Geertruida (1899-1960)

 
English | Nederlands

GERHARDT, Geertruida (geb. Amsterdam 22-8-1899 – gest. Den Haag 13-2-1960), dichteres. Dochter van Dirk Reinier Gerhardt (1871-1953), schooldirecteur, en Grietje (ook wel: Ietje of Ida) Blankevoort (1873-1934). Truus Gerhardt trouwde (1) op 9-12-1920 in Rotterdam met Sidney James van den Bergh (1898-1977), zakenman; (2) op 6-2-1929 in Den Haag met Leonardus Josephus Niehorster (1882-1957), filosoof en beeldend kunstenaar. Uit huwelijk (1), dat in 1928 werd ontbonden, werden 2 zoons geboren; huwelijk (2), in 1946 ontbonden, bleef kinderloos.

Truus Gerhardt was de oudste van drie dochters in een Nederlands-hervormd onderwijzersgezin. Ida (ook wel: Zus) was zes en Mia (1918-1988) negentien jaar jonger. In 1901 werd een broertje geboren, dat slechts één dag bleef leven. De moeder voedde op met harde hand. De sfeer in huis werd meer dan eens verstoord door botsingen tussen zus Ida en haar moeder. Truus en Ida waren leergierige kinderen die veel van lezen hielden en goed met elkaar konden opschieten. Twee jaar zat Truus op het Stedelijk Gymnasium van Schiedam. Toen verhuisde het gezin naar Rotterdam en kwam ze op het Erasmiaans Gymnasium. In 1918 deed ze eindexamen.

Natuurpoëzie

In 1916, dus nog in haar gymnasiumtijd, verloofde Truus zich met Sidney J. van den Bergh, een schoolgenoot van het Erasmiaans en zoon van een rijke margarinefabrikant. Zij trouwden op 9 december 1920 en betrokken een woning aan de Mathenesserlaan (nr. 214). Daar werd op 27 oktober 1922 hun eerste zoon geboren, Jan Seymour. Hun tweede zoon Peter Lodewijk werd geboren op 4 februari 1924.

Vanwege de werkzaamheden van Sidney voor het familiebedrijf Van den Bergh verhuisde het gezin in 1926 naar Berlijn-Dahlem en een jaar later naar het Noord-Limburgse dorp Plasmolen. Daar betrokken ze het huis van de schilder Leo Niehorster en zijn vrouw Mieke Niehorster-van den Berg, die zelf in de molen op het terrein gingen wonen. Na een gezamenlijke vakantie in Spanje en Marokko kreeg Truus een verhouding met Leo, en Sidney niet veel later met Mieke. Op aandringen van Sidney kwam het in 1928 tot een echtscheiding. Truus en Leo trouwden in februari 1929 en gingen wonen in Loosduinen. Daar zette Truus zich aan het schrijven van gedichten over de natuur en het Hollandse landschap.

In 1933 stuurde Truus Gerhardt een aantal gedichten op aan Dirk Coster, redacteur van maandblad De Stem. Hij was enthousiast, noemde haar een ‘zeer levend talent’ en nam in de jaren 1934-1935 achttien gedichten van haar op in De Stem (1934). In 1935 verscheen haar debuut De Engel met de zonnewijzer, een bundel natuurpoëzie die welwillend werd ontvangen. De bundel werd onder meer besproken door Donker, Ter Braak, Engelman, Bloem en Gijsen en was binnen een jaar uitverkocht. De ontvangst van haar tweede bundel, Laagland (1937), was overwegend positief, maar Marie van der Zeyde, partner van haar zus Ida, schreef een negatieve recensie in het religieus-socialistische tijdschrift Tijd en Taak. De kritiek van Van der Zeyde was ‘ad hominem’: ‘zeer vrouwelijk – wel bepérkt vrouwelijk’, is haar oordeel. Van een jonge dichteres is dit te billijken, zo vervolgt ze, maar het gaat om een volwassen vrouw, moeder van twee opgroeiende jongens, en dat gegeven ‘doet ons de zaak aanzienlijk minder gunstig inzien’. Truus Gerhardt was gekwetst, en zo verslechterde de toch al broze relatie tussen de zussen Gerhardt (Van den Berg en Idzinga,73-77).

Na Laagland publiceerde Truus Gerhardt nauwelijks meer, terwijl zus Ida als dichteres juist begon door te breken. Ongetwijfeld moet Truus geleden hebben onder deze concurrentie, die in besprekingen van Anton van Duinkerken en Jan Campert ook openlijk werd gevoed door het werk van de twee zussen te vergelijken. In een brief uit deze tijd stelt Truus dat ze over Ida ‘nooit anders dan in bitterheid’ denkt (Van den Berg, 2003-4, 79). Zelf schreef ze nog wel poëzie, maar deze werd pas na haar dood uitgegeven.  Vanaf het voorjaar van1937 tobde ze met haar gezondheid – waarschijnlijk leed ze aan TBC en aan depressies. Korte tijd leefde ze op, toen ze rond 1940 in Den Haag het middelpunt was van een groep Haagse letterkundigen. Ze leerde Martinus Nijhoff kennen, met wie ze in de winter van 1941-1942 een korte relatie had. Ook trad ze weer in contact met de historicus Pieter Geyl, die ze kende als leraar van het gymnasium en met wie ze ooit (in 1922) een kortstondige affaire had gehad.

Toen Loosduinen in 1944 op last van de bezetter werd ontruimd, verhuisde Truus Gerhardt naar Den Haag. In februari 1946 scheidde zij van Leo Niehorster. Langzaam maar zeker verloor ze haar contact met familie en literaire vrienden. Ze vereenzaamde. Op 13 februari 1960 stierf Truus Gerhardt vrij onverwacht aan een darmbloeding, zestig jaar oud. Ze werd in stilte begraven op de Algemene Begraafplaats in Wassenaar. Een jaar later droeg Ida Gerhardt haar bundel De Hovenier op ‘aan de nagedachtenis van mijn zuster Truus’.

Reputatie

Truus Gerhardt werd bij haar dood geprezen als ‘de dichteres van het Hollands landschap’ die meer erkenning had verdiend (’s-Gravesande). Mieke van den Berg heeft leven en werk van haar in diverse publicaties opnieuw onder de aandacht gebracht. In 2010 publiceerde ze met Dirk Idsinga onder de titel De sluier weggevallen een uitgave van het volledige oeuvre van Truus Gerhardt, voorafgegaan door een uitvoerige biografie. De auteurs kwalificeren Truus Gerhardt als een ‘ten onrechte vergeten en te weinig gewaardeerde dichteres’. De natuurpoëzie van Ida Gerhardt geldt tegenwoordig als gedateerd, al zijn er nog altijd liefhebbers. Meer waardering is er voor haar ‘nagelaten’ gedichten, geschreven vanaf 1944 en postuum – in 1961 – verschenen. Het zijn vooral kwatrijnen met een rauwe ondertoon over de teleurstelling die het leven haar heeft gebracht. Een voorbeeld: ‘Mijn huis verbrand, mijn kinderen verstrooid,/ het rijke leven reddeloos berooid./ Wat stuurt de hand, die ’t glas zorgvuldig vormt/ en ’t dan moedwillig weer in scherven gooit?’

Naslagwerken

Van Bork/Verkruijsse; Ter Laan.

Archivalia

Letterkundig Museum, Den Haag: Brieven van Truus Gerhardt.

Publicaties

  • De engel met de zonnewijzer (Amsterdam 1935).
  • Laagland (Amsterdam 1937).
  • Verzamelde gedichten (Amsterdam 1961) [incl. de nagelaten gedichten].

 Literatuur

  • Anthonie Donker. ‘Truus Gerhardt: de engel met de zonnewijzer’, NRC, 15-12-1935.
  • Menno ter Braak. ‘Oogst der poëzie. Vele dichteressen en dichters. De sterke persoonlijkheid ontbreekt’, Het Vaderland, 7-1-1936.
  • G.H. ’s-Gravesande, [In memoriam], Het Vaderland, 19-2-1960.
  • Jacques C. Bloem. ‘Truus Gerhardt. Het onzegbare geheim.’, In: Idem, Verzamelde essays en kritieken 1911-1963 (Amsterdam 1995) 602-604. 
  • Mieke van den Berg. ‘Truus Gerhardt’, Zacht Lawijd  3 (2003-2004) nr.3, 66-83.
  • Mieke van den Berg, Truus Gerhardt. Van rozentuin tot sintelhoop’,  Jaarboek Die Haghe (2005) 116-145.
  • Mieke van den Berg. ‘Geboren uit één moederschoot. Zusters die dichters worden’, Schriftuur 4 (2009) voorjaar, 27-41.
  • Mieke van den Berg en Dirk Idzinga, De sluier weggevallen. Truus Gerhardt: biografie en verzamelde gedichten (Den Haag 2010).
  • Guus Middag. ‘Uit schaatsen met Nijhoff’, NRC Handelsblad, 7-1-2011.
  • Rudi van der Paardt. ‘Nabij en toch zo ver. Over Ida Gerhardt en haar zuster Truus’, Schriftuur 6 (2011) voorjaar, 46-69.
  • H. Werkman. ‘Truus in de schaduw van Ida’, Nederlands Dagblad, 28-1-2011.

Illustratie

Ongedateerde foto door onbekende fotograaf (in bestelling)

 

Auteur: Redactie (met dank aan Pauline Beckers)

 

laatst gewijzigd: 30/01/2015