Hajary, Ilse-Marie (1944-1994)

 
English | Nederlands

HAJARY, Ilse-Marie (geb. Paramaribo 4-5-1944 – gest. Paramaribo 31-8-1994), danseres, danspedagoge en choreografe. Dochter van Wilfred Stuart Tjon-Kong-Hong (1919-1994), cineast, en Eleonoor Caroline (Toetie) Hajary (1923-1990), actrice en danseres. Ilse-Marie Hajary had van ca. 1973 tot 1984 een relatie met Max Chin A Sen (geb. 1949), edelsmid. Uit deze relatie werd 1 zoon geboren.

Ilse-Marie (Immeke) was het enige kind van een actrice en een cineast. Kort na haar geboorte gingen haar ouders uit elkaar, waarna Ilse-Marie officieel haar moeders achternaam kreeg. Ze bracht een groot deel van haar kindertijd door bij haar grootouders van moederszijde, ‘Maake’ en ‘Paake’ Hajary-Tjong Ayong. Daar maakte Ilse-Marie deel uit van een open en vrolijk huishouden, waar regelmatig feesten en gekostumeerde danspartijen werden gehouden en piano werd gespeeld. De tantes van Ilse-Marie, Majoie en Jetty Hajary, waren getalenteerde musici die beiden aan het conservatorium in Amsterdam studeerden. Haar moeder Toetie bleef in Suriname. Zij was als actrice verbonden aan toneelgenootschap Thalia en verdiepte zich daarnaast in Indiase dans. Geregeld trad zij op, gekleed in een sari en met rinkelende belletjes rond haar enkels. Zelf kreeg Ilse-Marie al vroeg balletlessen.

Opleiding in Nederland

Na het overlijden van haar grootvader vertrok Ilse-Marie Hajary begin jaren zestig als tiener met haar grootmoeder naar Nederland, waar ze gingen wonen in Bennebroek. Ze volgde de middelbare meisjesschool (mms) en schreef zich daarna met een beurs van Sticusa (Stichting voor Culturele Samenwerking met Suriname en de Nederlandse Antillen) in op de balletacademie van Nel Roos in Amsterdam. Hier kreeg ze les in klassieke, Spaanse en oosterse dansen en jazz dans. Haar jazzleraar was de zwarte Amerikaanse trendsetter Felix White. Hajary trad toe tot zijn dansgroep en deed mee aan optredens in Spanje, Noorwegen en Zweden. Nadat de groep begin jaren zeventig uiteengegaan was, zong en danste ze in de Nederlandse cast van de musicals Hair en Oh! Calcutta!

In 1973 keerde Ilse-Marie Hajary terug naar Suriname. Ze leerde er edelsmid Max Chin A Sen kennen, met wie ze een zoon kreeg: Ralph Willem (1974). In Paramaribo begon ze met het geven van lessen in vrije expressie in het middelbaar onderwijs en op de kweekschool. Bij het maatschappijkritische Doe-theater van Henk Tjon en Thea Doelwijt gaf ze bewegingslessen aan de acteurs. Zelf speelde ze ook in een aantal voorstellingen van het Doe-theater.

Hajary richtte midden jaren zeventig haar eigen balletschool op. Haar onderwijs baseerde ze op de westerse klassieke dans, aangevuld met danstechnieken uit India en Java, jazz en Surinaamse dansen, ritmes en verhaalelementen. Samen met de vijf andere balletpedagogen in het land maakte ze vanaf 1977 deel uit van het dat jaar opgerichte Nationaal Ballet Suriname (NBS). Ze maakten gezamenlijk verschillende voorstellingen, maar in 1983 was van de oprichtersgroep alleen Hajary overgebleven. Vanaf dat moment trad zij op als artistiek directrice van het semiprofessionele NBS.

Dogla-stijl

Door elementen uit de verschillende culturen van Suriname te verwerken kwam Hajary tot heel vernieuwende, samengestelde choreografieën voor het NBS, die ze aanduidde met de term Dogla-stijl (dogla: iemand die half hindostaans, half creools is). Het was een samengaan van jazzballettechnieken met expressieve Afro-ritmes en -bewegingen, in combinatie met klassieke Indiase hand-, voet- en hoofdbewegingen, en gedanst op het samenspel van zowel hindostaanse als Afrikaanse trommels (tabla’s en apintidrums) – ook dit samenspel was nieuw. Deze stijl paste Hajary in 1985 voor het eerst toe in een voorstelling van het Nationaal Ballet Suriname. In de jaren daarna ontwikkelde ze de Dogla-stijl eveneens tot een volwaardige warming-up en trainingstechniek voor de dansers van het NBS. Ze maakte choreografieën op negrospirituals en op poëzie van Surinaamse dichters onder wie R. Dobru Raveles. Hajary bracht deze mix van dans- en woordkunst in het theater, maar ze reisde met haar NBS-groep ook naar het binnenland van Suriname, waar de choreografieën op verschillende locaties gedanst en verfilmd werden: in marrondorpen, langs watervallen, op het witte zand van de savannen en onder de oerwoudbomen. Hajary en het NBS werden uitgenodigd naar onder meer Cuba, Trinidad en Tobago, Puerto Rico en Jamaica, waar interesse bestond voor de dansen in de Dogla-stijl.

Hajary verdiepte zich in de winticultuur en consulteerde maandenlang drummers en andere deskundigen op het gebied van deze Afro-Surinaamse religie. In 1988 maakte ze het avondvullende dansdrama Jaw en Balinia, opgebouwd uit bestaande rituelen van Afrikaanse tradities en moderne dans. Het jaar daarop bracht het NBS haar choreografie Mandela-Dobru tijdens een festival waarmee het 150-jarig bestaan van theater Thalia werd gevierd.

Ilse-Marie Hajary overleed op 31 augustus 1994 in Paramaribo, slechts vijftig jaar oud. Het onbegrip voor haar creatieve pioniersgeest, waar zij vaak op stuitte, en het gebrek aan animo en budget voor de kunsten, veroorzaakt door een economische neergang in het Suriname van die jaren, waren er mede de oorzaak van dat zij er zelf voor koos te sterven.

Betekenis

Als Surinaamse choreografe heeft Ilse-Marie Hajary grenzen verlegd. Ze introduceerde een nieuw artistiek concept in de danskunst, waarin tradities van verschillende continenten en invloeden uit de moderne en klassieke dans werden vermengd. Wat zij deed was onorthodox, maar Hajary was niet bang om buiten de gebaande paden te treden: ze danste met blote voeten op toneel, gaf voorstellingen met livemuziek en baseerde haar choreografieën op de winticultuur, die tot in de jaren zeventig bij wet verboden was en als afgoderij bestempeld werd. Haar Dogla-stijl heeft veel navolging gekregen. Hajary's dansschool hield na haar dood op te bestaan, maar de lessen in de Dogla-stijl werden voortgezet door haar leerling Jules Brewster. In 2002 werd de eerste voorstelling van de stichting ArtLab Suriname opgedragen aan Ilse-Marie Hajary – een postuum eerbetoon aan deze danseres en choreografe, die een belangrijke inspiratiebron was voor een nieuwe generatie dansers.

Archivalia

  • Archief Chandra van Binnendijk, Paramaribo.
  • Archief Nationaal Ballet Suriname, Paramaribo.

Choreografieën

  • Primitive Moods (1982).
  • Kaseko (1985).
  • Dogla (1985).
  • Vredesdans (1986).
  • Wan so Fri (1986, ook tv-film).
  • Da tori fu Judas (1986, videofilm).
  • Jaw en Balinia (1988).
  • Mandela-Dobru (1989).

Stukken van het Doe-theater waarin Hajary speelde

  • Libi span ini na ati foe Sranan (1974).
  • Lafoe a no sjen (1977).
  • Ba Uzi (1980).

Literatuur

  • Public Relations NBS, ‘Nationaal Ballet Suriname’, Kalá. Kunsttijdschrift van de Academie voor Hoger Kunst- en Cultuuronderwijs, 2 (1987) nr. 2, 2-4.
  • ‘Hajary: “Roze balletschoenen voor mij toppunt amateurisme”’, Amigoe, 18-1-1992. ‘Ilse-Marie Hajary’, Theaterencyclopedie [URL: http://theaterencyclopedie.nl/wiki/Ilse-Marie_Hajary; geraadpleegd 2-11-2017].
  • Michiel van Kempen, Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur (Breda 2003) 680, 721, 958.
  • Annika Ockhorst en Thea Doelwijt, Lachen, huilen, bevrijden. De weerspiegeling van de Surinaamse samenleving in het werk van het Doe-theater, 1970-1983 (Leiden 2012) 28, 60, 87, 112.

Illustratie

Ilse-Marie Hajary in Mandela-Dobru, door Hermien Kamphuis, 1989.

 

 

 

Auteurs: Chandra van Binnendijk en Robertine Romeny

 

laatst gewijzigd: 14/12/2017