Horst, Antonia Wilhelmina van der (1915-2005)

 
English | Nederlands

HORST,  Antonia Wilhelmina van der (geb. Rotterdam 25-11-1915 – gest. Amsterdam 6-9-2005), schrijfster, dichteres en columniste. Dochter van Johannes van der Horst (1885-1969), kapper, later variétéartiest, en Anna de Graaf (1886-1983), variétéartieste. Antonia van der Horst trouwde (1) op 1-6-1938 in Amsterdam met Victor Emanuel van Vriesland (1892-1974), dichter, criticus, vertaler; (2) na echtscheiding (23-7-1946) op 25-5-1949 in Amsterdam met Jan Prent (1913-1979), binnenhuisarchitect en letterkundige; (3) na echtscheiding (2-3-1967) op 20-10-1971 met Hendrik Jan Scheepmaker (1921-2003), dichter en vertaler. Uit huwelijk (2) werden 4 zoons geboren, van wie er 2 als baby stierven; de huwelijken (1) en (3) bleven kinderloos.

Antonia (Tonny) van der Horst werd geboren in Rotterdam als enige dochter van een katholieke kapper en een Nederlands-hervormde moeder. Ze werd Nederlands-hervormd opgevoed, al lag er thuis weinig nadruk op het geloof. Toen Tonny ongeveer een half jaar oud was, verkocht haar vader zijn kapperszaak om een bestaan als variétéartiest te beginnen. Tonny’s moeder speelde en zong mee in de revues die hij opzette. Vanwege de onzekere en karige inkomsten verhuisde het gezin vaak en vanwege de onregelmatige werktijden werd Tonny regelmatig aan de zorg van haar grootmoeder en twee ongetrouwde tantes toevertrouwd, bij wie ze vooral stil moest zijn.

Literaire tijdschriften

Na de lagere school ging Tonny werken op kantoor, als leerling-verkoopster in een kledingzaak en als danseres in de revues van haar vader – alleen het eerste jaar zat ze daarnaast nog op een avondschool. Rond haar vijftiende hoorde ze dat een opstel dat ze in de zesde klas schreef, ooit met een negen beloond, nog steeds werd voorgelezen op haar vroegere lagere school: ‘Ik kon dus iets’ (Het huis aan de Schiekade, 135). Vol goede moed begon ze te schrijven, maar ontevreden over het resultaat gaf ze het weer op. Toen ze het op haar zeventiende opnieuw probeerde, kreeg ze een van haar verhalen gepubliceerd in het tijdschrift Groot Rotterdam, wat haar een vaste maandelijkse opdracht voor een te schrijven verhaal opleverde. Haar kring van opdrachtgevers breidde zich al snel uit tot de Zaterdagavond Post in Batavia (Jakarta), de romanbijlage van het Rotterdamsch Nieuwsblad en de familiebladen Astra, Nova en Favoriet.

Eind 1933 ontmoette Tonny van der Horst de 23 jaar oudere Victor van Vriesland, dichter en op dat moment redacteur bij de NRC. Ze legde hem enkele van haar verhalen voor en hij zegde toe haar te helpen haar schrijfstijl te verbeteren. Bijna twee jaar lang hadden ze een geheime en stormachtige verhouding, totdat hij haar in 1935 – kort voor haar meerderjarigheid – ten huwelijk vroeg. Van Vriesland regelde vanaf begin 1936 een kamer voor haar in Den Haag, waar zij lessen Frans, Duits en literatuurgeschiedenis volgde om zich verder te ontwikkelen. In deze periode begon Van der Horst te schrijven voor literaire tijdschriften als Het Venster, De Litteraire Revue, Helikon en Elsevier’s Maandschrift.

Amsterdam

Na hun huwelijk in juni 1938 vestigde het echtpaar Van Vriesland-Van der Horst zich in Amsterdam, waar ze vaste bezoekers werden van kunstenaarssociëteit De Kring. Van der Horst bleef onder haar eigen naam schrijven, onder andere voor de kinderpagina van De Telegraaf. Toen in 1940 de oorlog uitbrak, raakte Van Vriesland, die Joods was, overspannen en kwam terecht in een psychiatrische inrichting. Na zijn herstel woonden ze enige tijd in het Noord-Hollandse Bergen (Renbaanlaan 1). Daar kregen ze een kostganger in huis, de student Hendrik Jan (Henk) Scheepmaker. Vlak voor het echtpaar in februari 1943 terugkeerde naar Amsterdam, kreeg Van der Horst een verhouding met Scheepmaker. Vanwege de (deels vermeende) bescherming die het huwelijk met een niet-Joodse vrouw Van Vriesland bood, besloten Van der Horst en Van Vriesland pas na de oorlog te scheiden (1946).

Over het leven van Van der Horst tussen 1945 en 1990 is weinig bekend. Na de scheiding woonde zij op kamers in Amsterdam, met onder anderen Fiep Westendorp. Geleidelijk trok ze zich terug uit de culturele wereld, al bleef ze trouw aan de vrienden die ze daar had opgedaan, zoals Adriaan Roland Holst. In 1949 trouwde ze met Jan Prent, die een paar maanden eerder was gescheiden van cabaretière Martie Verdenius. Hij trok bij haar in op de De Lairessestraat (nr. 108-II) en in 1955 verhuisden ze naar de Tintorettostraat (nr. 8-II). Ze kregen vier zoons, van wie er een dood geboren werd en een kort na de geboorte stierf. In 1967 eindigde het huwelijk in een scheiding. Van der Horst ging in Buitenveldert wonen en trouwde in 1971 alsnog met Henk Scheepmaker, die zich inmiddels als vertaler had gevestigd. Vanaf 1988 woonden ze een aantal jaar in Linschoten, maar uiteindelijk keerden ze terug naar Amsterdam-Buitenveldert.

Van der Horst schreef nog maar weinig: in 1958 verscheen de bundel novellen Behalve jij en ik en in 1971 de roman Een engel achter een handkar. In beide – tamelijk gunstig ontvangen – werken belichtte ze de tragische kant van de liefde.

Jeugdherinneringen

Begin jaren negentig kreeg Van der Horsts schrijfcarrière een nieuwe impuls toen haar autobiografie Het huis aan de Schiekade verscheen. Vanaf 1995 publiceerde NRC Handelsblad een wekelijkse column met haar jeugdherinneringen die later werden gebundeld en uitgegeven. Het huis aan de Schiekade en het vervolg Liefde en oorlog, waarin ze haar leven tussen 1938 en 1945 beschrijft, kregen juichende kritieken.

In de laatste jaren van haar leven kreeg Van der Horst veel erkenning voor haar schrijftalent. Ze genoot van de aandacht die dit met zich meebracht en had volop ideeën voor nieuwe schrijfprojecten. Tonny van der Horst stierf op 6 september 2005 in Amsterdam, in de ouderdom van 89 jaar. Ze werd gecremeerd.

Tonny van der Horst werd als jonge schrijfster en dichteres gezien als een belofte. Haar literaire productie bleef echter klein. Haar grootste waardering kreeg ze op latere leeftijd vanwege haar autobiografische teksten die vanaf de jaren negentig verschenen. Haar boeken bereikten landelijk geen groot publiek, maar in Rotterdam was zij een plaatselijke beroemdheid. Met haar fotografische geheugen kon zij als geen ander een beeld schetsen van de vooroorlogse stad die na het bombardement was weggevaagd. Recensenten en auteurs als Maarten ’t Hart, Adriaan Morrien en Alfred Kossmann waardeerden Van der Horst vanwege haar onberispelijke stijl, haar vermogen een verdwenen wereld op te roepen en vanwege haar persoonlijke herinneringen aan bekende letterkundigen uit het Interbellum.

Archivalia

  • Stadsarchief Rotterdam: gezinskaart [Johannes van der Horst].
  • Stadsarchief Amsterdam: archiefkaart.
  • Letterkundig Museum, Den Haag: ongeïnventariseerde correspondentie Van der Horst.

Publicaties

  • Ik schreef een kerstverhaal voor jonge meisjes (Amsterdam 1946).
  • De levend begraven maagd, in: Maurits Dekker, Klaverblad van vier. Vier novellen. (Amsterdam 1952).
  • Behalve jij en ik. Novellen (Den Haag 1958).
  • Een engel achter een handkar (Amsterdam 1971).
  • Poema en droomkonijn (Amsterdam 1994).
  • Het huis aan de Schiekade (Rotterdam 1990).
  • Liefde en oorlog. Een autobiografisch verslag (Amsterdam 1995).
  • Vroeger leeft nog. Herinneringen aan Oud-Rotterdam (Amsterdam 1996).
  • Vroeger is niet voorbij (Amsterdam 1998).
  • Verliefd op vroeger (Amsterdam 2001).
  • Voor altijd vroeger (Amsterdam 2005).

Literatuur

  • Margriet Prinssen en Lucie Th. Vermij, red., Schrijfsters in de jaren vijftig (Amsterdam 1991).
  • Tijs van den Boomen, ‘Omzien in weemoed’, Uit&thuis, 1-1-1997.
  • Xandra Schutte, ‘Beroepsherinneraar’, De Groene Amsterdammer, 3-3-1999.
  • Een leven lang, interview Tonny van der Horst op NPS radio, 21-1-2001 [URL http://www.woord.nl/luister.IMX_NOS_722594.html?; geraadpleegd 19-9-2016].

Illustratie

in bestelling

Auteur: Sanne van Heijst

laatst gewijzigd: 04/10/2016