Lier, Geertruida Elisabeth van (1914-2002)

 
English | Nederlands

LIER, Geertruida Elisabeth van (geb. Utrecht 13-11-1914 – gest. Ede 29-11-2002), actief in het verzet. Dochter van Alfred Johan Salomon van Lier (1874-1971), advocaat en bankdirecteur, en Cornelia Geertruida Guldensteeden Egeling (1877-1936). Trui van Lier trouwde in 1939 met met Joost Verheus (1915-1979), verzetsstrijder. Uit dit huwelijk, dat in 1959 werd ontbonden, werden 2 dochters en 1 zoon geboren.

Geertruida (Truitje of Trui) van Lier groeide op als jongste van drie in een liberaal gezin in de Willem de Zwijgerstraat (nr. 1a) in Utrecht, bij het Wilhelminapark. Haar Joodse vader was advocaat en vanaf 1920 directeur van de Utrechtse Hypotheekbank. Truitje doorliep het Stedelijk Gymnasium en ging aansluitend (in 1935) rechten studeren aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Haar studie liep vertraging op vanwege de dood van haar moeder in 1936; een jaar later overleed ook haar tien jaar oudere zus na een longontsteking. Trui ontfermde zich over haar vader en paste vaak op de kinderen van haar gestorven zus. Naast deze zorgtaken was ze in het studiejaar 1937-1938 praeses van de Utrechtsche Vrouwelijke Studenten Vereeniging (UVSV). In het voorjaar van 1940 haalde ze haar kandidaats.

Kindjeshaven

Na de Duitse inval brak Trui van Lier haar studie af omdat ze iets wilde doen voor kinderen in oorlogstijd. Met geld uit de nalatenschap van haar grootmoeder opende ze in oktober 1940 ‘kinderbewaarplaats’ Kindjeshaven aan de Prins Hendriklaan 4, aan de achterzijde slechts door een tuin gescheiden van haar ouderlijk huis. Ze leidde het kinderdagverblijf met Jet Berdenis van Berlekom, die over de benodigde diploma’s kinderverzorging beschikte. Het eerste jaar was Kindjeshaven vooral een opvang voor kinderen uit de buurt. Dat veranderde toen Van Lier via haar broer Bertus in augustus 1941 het verzoek kreeg een driejarige Joodse tweeling uit Amsterdam op te nemen. Met de toenemende anti-Joodse maatregelen nam ook de vraag naar onderduikplekken snel toe. Via haar contacten bij de universiteit raakte Trui van Lier vanaf het najaar van 1942 betrokken bij het reddingswerk van het Kindercomité: een Utrechtse studentengroep die voornamelijk Joodse kinderen uit Amsterdam probeerde weg te sluizen.

Onder leiding van Trui van Lier groeide Kindjeshaven uit tot een doorgangshuis voor kinderen voor wie nog geen permanent onderduikadres was gevonden. Na de Amsterdamse razzia’s in de zomer van 1943 kon de crèche – met een capaciteit van maximaal 25 kinderen – de vraag nauwelijks meer aan en raakte de opvang overvol. Toen twee kinderwerkers, Hetty Voûte en Gisele Sönnlein, dezelfde zomer werden gearresteerd, moesten alle illegale kinderen tijdelijk worden weggehaald uit Kindjeshaven. Nieuwe problemen volgden toen Trui van Lier in verband werd gebracht met de aanslag op politiecommissaris Kerlen op 3 september 1943. De persoonsverwisseling kwam pas uit na arrestatie van de feitelijke dader: haar nichtje en naamgenote Geertruida (Truus) van Lier.

Ondanks de grote risico’s wist Trui van Lier de autoriteiten lange tijd te misleiden met een schaduwadministratie van schuilnamen en valse adressen. Opvallend donkere kinderen werden vaak geregistreerd als ‘half-Joden’, een categorie die grotendeels buiten het deportatiebeleid van de nazi’s viel. Naast de Joodse kinderen werden in de crèche ook baby’s uit relaties tussen Duitse militairen en Nederlandse vrouwen ondergebracht. Deze kinderen stonden rechtstreeks onder voogdij van de Ortskommandant van Utrecht, een connectie waarmee Van Lier handig schermde om lastige vragen, controleurs en ‘Jodenjagers’ af te wimpelen. Half augustus 1944 deden de Duitse opsporingsdiensten een nachtelijke inval in Kindjeshaven. Trui van Lier wist buiten schot te blijven, maar moest onderduiken. Ze sliep in die tijd in Zeist, waar haar echtgenoot Joost Verheus ondergedoken zat. Vanwege haar kinderhulp en zijn betrokkenheid bij het gewapend verzet zagen ze elkaar nog maar weinig. Het stel dook samen onder in Culemborg, waar ze bleven tot aan de bevrijding.

Na de oorlog

In de jaren na 1945 kregen Trui van Lier en Joost Verheus drie kinderen, maar hun relatie hield geen stand. Van Lier had moeite om los te komen van angstgevoelens uit de oorlogsjaren en stuitte bovendien op onbegrip als het ging over Kindjeshaven: ‘Alsof je niet geacht werd daarover te praten’ (Dobber, 1995). Naar schatting 150 Joodse kinderen had Trui van Lier via de kinderbewaarplaats in veiligheid gebracht. In 1947 kreeg ze op grond van de valse boekhouding van het kinderdagverblijf een forse belastingaanslag opgelegd. Pas vijftig jaar later volgden excuses en een schadevergoeding van de gemeente Utrecht. Erkenning voor het reddingswerk van Kindjeshaven kwam in 1994, toen Van Lier, samen met Jet Berdenis van Berlekom, de Yad Vashem-onderscheiding ontving. Ze leidde toen al jaren een teruggetrokken bestaan in het Friese dorpje Zandhuizen. Trui van Lier overleed in 2002, op 88-jarige leeftijd.

Literatuur

  • Margriet van der Linden, ‘Yad Vashem-onderscheiding voor het redden van kinderen’, Nieuw Israëlitisch weekblad, 28-5-1993.
  • Lidwien Dobber, ‘Belastingaanslag voor Joodse onderduikertjes’, Trouw, 10-4-1995.
  • T. Spaans-van der Bijl, Utrecht in verzet, 1940-1945 (Utrecht 1995).
  • Henny Ram, Omdat hun hart sprak (2010) [documentaire URL: http://www.npo.nl/omdat-hun-hart-sprak/05-05-2011/POW_00386296, geraadpleegd 11-10-2015].
  • Bert Jan Flim, Onder de klok. Georganiseerde hulp aan Joodse kinderen (Leeuwarden 2012) 79-88.

Illustratie

Trui van Lier, door onbekende fotograaf, ca. 1945 (Joods Historisch Museum, Amsterdam).

Auteur: Norbert-Jan Nuij

laatst gewijzigd: 04/07/2016