Mulder, Jakoba Helena (1900-1988)

 
English | Nederlands

MULDER, Jakoba Helena (geb. Breda 2-3-1900 – gest. Amsterdam 5-11-1988), architecte en stedenbouwkundige, ontwerpster van het Amsterdamse Bos. Dochter van Hendrik Mulder (1874-1947), officier infanterie, en Sara Maria Boon (1878-1943). Jakoba Mulder bleef ongehuwd.

Jakoba (Ko) Mulder werd geboren in Breda maar groeide op in Semarang (Nederlands-Indië), waar haar vader officier was bij het Koninklijk Nederlands Indisch Leger. Ze had vaak last van malaria en toen zij dertien jaar oud was, werd ze met haar jongere zusje naar Nederland gebracht. Haar ouders bleven in Indië achter en gingen enkele jaren later uit elkaar. Ko verbleef aanvankelijk bij ooms en tantes in Laren (Gelderland) en ging al tijdens haar middelbare schooltijd op zichzelf wonen bij particulieren in Assen. Ze voltooide daar de hbs-b en besloot op haar achttiende in Delft aan de Technische Hogeschool bouwkunde te gaan studeren.

Architectuur en stedenbouwkunde

In 1926 studeerde Jakoba Mulder af. Datzelfde jaar won ze een prijsvraag voor een brandweerkazerne, uitgeschreven door de Vereeniging Bouwkunst en Vriendschap in Rotterdam. Toen ze zich bij de jury meldde, toonde deze zich verbaasd dat achter winnaar ‘ir. Mulder’ een vrouw schuilging. Het bleek moeilijk om aan werk te komen: bij haar eerste sollicitatie werd ze afgewezen, want ‘vrouwen kunnen moeilijk de steigers op worden gestuurd’ (gecit. Teijmant, 53). Bovendien kampte de bouwsector met een tekort aan opdrachten. Na een vergeefse sollicitatie bij Berlage zei hij haar dat ze daarom werd afgewezen, niet vanwege gebrek aan talent. Uiteindelijk werd ze aangenomen bij het Haagse architectenbureau Gerritsen en Wegerif. Hier werkte ze voornamelijk schetsontwerpen uit, zoals dat van een antroposofische school. Maar de grotere schaal en het sociale aspect van de stedenbouw trokken haar meer dan de architectuur en na twee jaar stapte ze over naar de gemeente Delft, waar ze als adjunct-architect meewerkte aan stadsuitbreidingsplannen.

In 1930 werd Mulder na sollicitatie aangenomen als stedenbouwkundig ingenieur bij de speciale afdeling Stadsuitbreiding en Stadsontwikkeling van de Amsterdamse Dienst Publieke Werken omdat ze als een van de weinige kandidaten ervaring had met stedenbouw. Als adjunct-architecte kwam ze te werken bij onder anderen Theodoor K. van Lohuizen en Cornelis van Eesteren, geestelijk vader van ‘de functionele stad’. Het drietal ging nauw samenwerken: Van Eesteren en architect-planoloog Van Lohuizen verzorgden de stadsuitbreidingen voor het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) in grote lijnen, Mulder was verantwoordelijk voor de uitwerking van de ontwerpen.

Boschplan

Onderdeel van het AUP was de aanleg van een stadspark dat bijna negenhonderd hectare openluchtrecreatie moest bieden voor Amsterdammers. Mulder werd aangewezen als hoofdontwerper, hoewel zij naar eigen zeggen nog geen beuk van een eik kon onderscheiden. Na een aantal studiereizen ontwikkelde zij een concept van een ruime ‘Engels aandoende’ parkaanleg met slingerende waters en glooiingen, uitwaaierend naar de randen om daar over te gaan in de meer functionalistische stijl met voorzieningen voor sport en spel. Mulder wist de opgave tot een geheel te smeden volgens een formule van 1/3 bos, 1/3 open ruimte en 1/3 water. De driedeling zou zij eind jaren zestig opnieuw toepassen bij haar ontwerp van recreatiegebied Spaarnwoude. Deze verhouding en de ruime opzet waarin stiltegebieden en activiteiten elkaar afwisselden zou een tijdlang overal in het land richtsnoer blijven bij de inrichting van grote parken en werd zelfs eind jaren zestig opgenomen in de richtlijnen van het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk.

Van 1935 tot aan de voltooiing in 1970 bleef Jakoba Mulder intensief betrokken bij het Amsterdamse Bos, als supervisor van een team van uiteenlopende deskundigen op het gebied van bodemkunde, waterhuishouding, flora en fauna, maar ook van sport, natuureducatie en volksgezondheid. Tegelijk met het Boschplan ontwierp Mulder het latere Beatrixpark (1938).

Hovenbouw en speelplaatsen

In 1952 werd Jakoba Mulder benoemd tot hoofdarchitecte van Amsterdam. Van Eesteren was inmiddels hoofd van de afdeling Stadsontwikkeling en na zijn afscheid in 1958 nam Ko Mulder deze functie over. Ze vond dat hoogbouw, middelhoogbouw en laagbouw elkaar zoveel mogelijk dienden af te wisselen. In reactie op de eentonige ‘strokenbouw’ in bijvoorbeeld nieuwbouwwijk Bos en Lommer ontwikkelde ze de zogenoemde ‘hovenbouw’, waarbij bouwblokken van twee verdiepingen werden gegroepeerd rondom een gezamenlijke binnenplaats met veel groen. De hovenbouw werd toegepast bij het plan Frankendael en in uitbreidingsplan Slotermeer. Mulder was ook nauw betrokken bij het ontwerpproces van Buitenveldert (1958-1960) en had in Amsterdam-Noord de supervisie over het stedenbouwkundig plan Molenwijk (1962), waar de flats geclusterd zijn in de vorm van molenwieken. Ze zorgde tevens voor de aanleg van moderne speelplaatsen (naar ontwerp van Aldo van Eyck) in de oude wijken en de nieuwe tuinsteden – in 1963 kreeg zij hierdoor de bijnaam ‘Moeder van de speelplaatsen’ (Algemeen Dagblad 13-4-1963).

In de jaren zestig kwam Jakoba Mulder in conflict met Siegfried Nassuth, een van de architecten van de Bijlmer. Volgens haar werd de menselijke maat uit het oog verloren: zo vond ze dat moeders op hun kinderen moesten kunnen letten – iets wat vanuit torenhoge flats niet meer mogelijk was. Ze kwam met een alternatief ontwerp, maar was niet bestand tegen de druk van wethouder Den Uyl en de projectontwikkelaars. In 1965 ging Jakoba Mulder met pensioen en daarna bleef ze tot haar zeventigste lector planologie aan de Universiteit van Amsterdam.

Over haar privéleven was Ko Mulder terughoudend. Vanaf haar 52ste woonde zij samen met haar vriendin Greet de Vries, die het huishouden deed. In haar overlijdensadvertentie van 5 november 1988 ondertekende alleen haar ongetrouwde zuster E.J.M. Mulder.

Betekenis

Jakoba Mulder brak een lans voor sociale verbanden in de naoorlogse wijken en had oog voor de leefomstandigheden van moeders en kinderen. In de door haar gepropageerde ‘hovenbouw’ bijvoorbeeld, konden huisvrouwen een buurpraatje houden of matten kloppen terwijl ze de kinderen in de zandbak of op de klimrekken in de gaten hielden. Mulder baseerde zich op sociologische inzichten, zoals van de ontwikkelingspsychologe Wilhelmina Bladergroen. Ook hechtte zij waarde aan esthetische vormgeving en vond zij het belangrijk dat beeldende kunst een plaats kreeg in de publieke ruimte. De introductie van deze ‘zachte’ kanten in de door de Nieuwe Zakelijkheid gedomineerde wereld van Van Eesteren kan zeker op haar conto worden geschreven. Ook voorzag zij dat de Bijlmer geen succes zou worden. Ko Mulder, de ‘juffrouw met het mantelpak’, opereerde in een mannenwereld. Ze profileerde zich nooit als feministe, maar was wel lid van de Vereniging van Vrouwen met een Academische Opleiding (VVAO) en de Soroptimistenclub. Er bestaat nog altijd een Stichting ‘Mejuffrouw Mulder’, die zich ten doel stelt om de kwaliteit van de gebouwde omgeving te bevorderen volgens haar gedachtegoed. 

Publicaties

  • Het Amsterdamse Bos, The Amsterdam Forest Park, Le Bois d’Amsterdam, Der Amsterdammer Wald (Amsterdam 1960).
  • Op de drempel (Amsterdam 1966) [inaugurele rede UvA].
  • [Commissie onder voorzitterschap van J.H. Mulder]: ‘Jeugd en woonmilieu’, Stichting Ruimte voor de Jeugd 11 (1966).

Literatuur

  • Koos van Zomeren, Een gegeven moment. Interviews met mensen van 1900 (Amsterdam 1984).
  • Ellen van Kessel en Froukje Palstra, De juffrouw van het Bos. Stedenbouwkundige en landschapsarchitecte. Ir. Jakoba Mulder, 1900-1988 (Amsterdam 1988).
  • Ineke Teijmant, ‘Ko Mulder (1900-1988). Stedebouw op ooghoogte’, Maandblad Amstelodamum 100 (2013) 51-67.
  • Anne Mieke Backer: Er stond een vrouw in de tuin. Over de rol van vrouwen in het Nederlandse landschap (Rotterdam 2016).

Illustratie

Jakoba Mulder met Cornelis van Eesteren, door onbekende fotograaf, 1958 (Van Eesterenmuseum, Amsterdam).

Auteur: Anne Mieke Backer

laatst gewijzigd: 27/05/2017