Stants, Hendrika Henriëtte Cornelia (1903-1968)

 
English | Nederlands

STANTS, Hendrika Henriëtte Cornelia (geb. Utrecht 17-1-1903 – gest. Culemborg 3-2-1968), componiste. Dochter van Willem Herman Stants (1870-1938), huisarts, en Elizabeth Henriëtte de Waal (1871-1950). Iet Stants trouwde op 6-10-1938 in Utrecht met Leendert Sillevis (1889-1971), jurist. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Iet Stants was de dochter van een huisarts die in Utrecht bekend stond als ‘dokter van de armen’. Met haar jongere broer (1905-?) groeide ze op in een gebroken gezin. Haar ouders gingen uit elkaar toen ze vijf jaar oud was maar lieten zich pas officieel van elkaar scheiden toen Iet dertien jaar was. Haar vader hertrouwde met Gerrigje van Os, die uit een eerdere relatie een zestienjarige dochter had – dit was de latere toneelspeelster Nel Stants.

Al vroeg kwam de muzikale aanleg van Iet Stants aan het licht: moeiteloos kon ze op haar gehoor lange passages muziek op de piano naspelen. Ze zat op het Stedelijk Gymnasium in Utrecht, maar na de vierde klas ging ze van school om zich geheel aan de muziek te wijden. Ze stond sterk onder invloed van de negen jaar oudere Willem Pijper, muziekcriticus bij het Utrechtsch Dagblad en als avantgardist een controversiële persoonlijkheid binnen het Utrechts muziekleven. In die tijd trok ze veel op met de latere dichter Roel Houwink, met wie ze zich verloofde. In 1920 verbrak ze de verloving omdat Pijper vond dat ze niet goed bij elkaar pasten – dit duidt op de grote invloed die hij toen op haar had.

Een jonge componiste

Vanaf 1919 studeerde Iets Stants muziektheorie aan de Toonkunstmuziekschool in Utrecht. Haar eerste – overgeleverde – composities dateren van 1920: drie liederen, een strijkkwartet en drie pianostukken. In de zomer van 1921 slaagde ze voor haar theorie-examen. Een toekomst als ‘pianojuf’ was haar een gruwel, maar op aanraden van Pijper ging ze hierna toch piano studeren bij Helena van Lunteren-Hansen, ook aan de Toonkunstmuziekschool. Intussen bleef ze componeren. Zo schreef ze een pianokwintet (1921), een opera-parodie Carmen (1921), een tweede strijkkwartet (1922) en een Pastorale voor orkest (1923). Haar composities werden ook uitgevoerd. Zo trad het Groninger Strijkkwartet in december 1922 op diverse plaatsen in het land op met haar tweede strijkkwartet en speelde het Utrechtsch Stedelijk Orkest (USO) in oktober van 1923 haar Pastorale. De reacties waren welwillend positief, al vonden sommige critici de twintigjarige componiste nog wat jong. Men noemde haar werk ‘modern’, ‘verrassend’, ‘niet altijd even boeiend’, ‘kleurrijk’, maar over één ding was men het eens: het talent van de jeugdige componiste was veelbelovend.

Iet Stants verkeerde in kunstenaarskringen – ze was onder meer bevriend met de dichter Hendrik Marsman, de architect Ben Merkelbach en de schilderes Charley Toorop – en was extravagant in haar gedrag en haar kleding. Zo had ze kortgeknipt haar en trad ze op in een vuile witte trui. In haar brieven van die tijd komt ze naar voren als een vrijgevochten vrouw die zich stoorde aan de burgerlijke normen en zeer kritisch was over de muziekpraktijk van haar tijd. Bij Willem Pijper en diens vrouw An was ze kind aan huis – An Pijper ondertekende haar brieven aan Iet met ‘je moes’. Van huis uit had ze ook connecties met de sociaal-democratie. Dat verklaart waarom ze in 1924 meedeed aan het pinksterkamp van de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC), waar ze tot haar eigen verbazing van had genoten (Bolt, 173).

Na in 1924 cum laude te zijn geslaagd voor haar piano-examen ging Iet Stants ondanks haar eerder geuite bezwaren toch werken als pianolerares, onder andere aan een montessorischool. Zelf nam ze pianolessen bij Ulfert Schults in Amsterdam. Begin 1925 brak ze met Pijper omdat ze vond dat hij te veel invloed op haar had. Dat jaar voltooide ze alleen nog een pianotrio en een koorstuk. Onzeker en gedesillusioneerd besloot ze met componeren te stoppen (Bolt, 177). De breuk betekende ook dat ze het Utrechtse kunstenaarsmilieu de rug toekeerde. Ze trok in bij Marius Brinkgreve, een oud-leraar klassieke talen aan het Stedelijk Gymnasium. Toen hij het jaar daarop (1926) directeur werd van de medaille-afdeling van zilverfabriek Begeer in Voorschoten, regelde hij dat ze er een baan kreeg als secretaresse. Samen met haar moeder verhuisde Iet Stants naar Voorschoten.

Na de breuk

Iet Stants was 23 jaar oud toen ze in Voorschoten begon aan haar kantoorbaan van negen tot vijf. Toch liet de muziek haar niet los: dagelijks speelde ze na haar werkdag piano en ze werd lid van het Leids Toonkunstkoor. Ook nam ze weer pianolessen. In het Muziek Instituut bevinden zich enkele composities van haar hand die dateren uit deze Voorschotense jaren: een orkeststuk zonder titel (1927), een Chanson d’autumne op tekst van Paul Verlaine (1928), twee werken voor vrouwenkoor (1932 en 1934), een vioolsonate (1932) en een pianotrio (1938). Het is onbekend of deze muziekstukken toen professioneel zijn uitgevoerd.

In oktober 1938 trouwde Iet Stants met de veertien jaar oudere weduwnaar Leendert Sillevis uit Culemborg – Iet had hem leren kennen via een achternichtje dat bevriend was met zijn dochter. Door dit huwelijk werd ze stiefmoeder van twee opgroeiende kinderen. Een maand na haar trouwen stierf haar vader, met wie ze kennelijk geen contact meer had: haar naam stond niet onder de rouwadvertentie. In 1940 verhuisde het gezin Sillevis-Stants naar Gorkum, waar Leendert Sillevis secretaris-penningmeester werd van Waterschap Beneden-Linge – in de oorlogsjaren had het gezin onderduikers in huis.

Na haar huwelijk gaf Iet Sillevis-Stants piano- en muzieklessen en ging ze weer componeren. Ze had in deze jaren intensief contact met Willem van Otterloo, die zowel het Utrechts toonkunstkoor als het USO dirigeerde. Bij hem nam ze ook instrumentatielessen. In 1940 voltooide ze haar Concerto grosso voor fluit, cello en strijkorkest, een opdracht ter gelegenheid van het zesde lustrum van de Utrechtsche Vrouwelijke Studenten Muziekvereniging Canto – het stuk werd in maart 1940 onder leiding van Karel Mengelberg uitgevoerd. Hierop volgde in 1942 de voltooiing van haar Suite voor klein orkest, dat op 19 juli 1942 voor de Rijksradio-omroep werd uitgevoerd door het USO onder leiding van Willem van Otterloo. Aan haar nicht schrijft ze er moeite mee te hebben dat haar stuk onder deze oorlogsomstandigheden werd gespeeld, maar dat ze nu eenmaal niet zonder muziek kon en ijdel genoeg was om het fijn te vinden dat haar eigen werk uitgevoerd werd. Terloops merkt ze in deze brief (d.d. 25-1-1943) op dat ze de staatsprijs voor compositie heeft geweigerd ‘omdat ik hun smerige geld niet wil hebben (gecit. Bolt, 180).

Na de oorlog wijdde Sillevis-Stants zich aan het muziekonderwijs en samenhangende sociale activiteiten. Ze was op landelijk niveau actief in de padvinderij en bij landelijke bijeenkomsten van padvindsters trad ze op als dirigent. Ook werkte ze mee aan de derde en vierde druk van de Padvindsters liederenbundel (1946 en 1952). In 1954 verhuisde ze met haar echtgenoot naar Culemborg, waar ze werkte bij de plaatselijke ziekenhuisomroep. Na ‘een lang, smartelijke ziekbed’, aldus de rouwadvertentie, stierf Iet Sillevis-Stants op 3 februari 1968 in de ouderdom van 65 jaar. Ze werd gecremeerd.

Reputatie

Bij de dood van Iets Stants verscheen er in de NRC een necrologie, geschreven door ‘onze muziekmedewerker te Utrecht’. Hij stelt dat haar naam ‘sedert vele jaren nergens meer [wordt] vermeld’ (NRC, 9-2-1968), en inderdaad besteedde verder geen enkel medium aandacht aan haar overlijden. Geen van de composities van Iets Stants is uitgegeven. Toch wordt haar werk nog wel gespeeld. In 1984 speelde Hoketus haar Pastorale op een marathonconcert Nederlandse muziek in Rotterdam, in 1991 werd haar tweede strijkkwartet uitgevoerd in Muziekcentrum Vredenburg en in 2003 speelde het Euterpe Kwartet met medewerking van pianist Jelger Blanken kamermuziek op een aan Stants gewijde avond in Culemborg. Volgens de musicologe Christien Bolt zijn het tweede strijkkwartet, de Pastorale en het pianotrio haar beste werken.

Archivalia

  • Nederlands Muziek Instituut, Den Haag: HGM 122, Archief Iet Stants [122 muziekmanuscripten].
  • Atria, Amsterdam: dagboek en brieven.

Werk

Voor een overzicht, zie Bolt, 195-197.

Publicatie

[met Rita Bungenberg de Jong], Padvindsters liederenbundel (1946 en 1952).

Literatuur

Christien Bolt, ‘Iet Stants’, in: Helen Metzelaar e.a. red., Zes vrouwelijke componisten (Zutphen 1991) 165-197 en 241-242.

Illustratie

[in bestelling]

Auteur: redactie (met dank aan Christien Bolt)

laatst gewijzigd: 20/09/2016