Gelder, Hendrika van (1870-1943)

 
English | Nederlands

GELDER, Hendrika van (geb. Amsterdam 7-5-1870 – gest. Sobibor, Polen 7-5-1943), schilderes, tekenares. Dochter van Abraham Michael Emanuel van Gelder (1837-1909), handelaar in goud en zilver, en Reintje Simons (1841-1933). Hendrika van Gelder bleef ongehuwd.

Hendrika, roepnaam Riekie, was het zesde kind in een welgesteld joods gezin met twaalf kinderen. Haar vader was handelaar in goud en zilver. Tot 1908 woonde de familie Van Gelder op de Oudezijds Voorburgwal, daarna in de Nicolaas Maesstraat. Over Riekies jeugd is niet veel bekend. Mogelijk gaat zij schuil achter een van de dames H. van Gelder’ uit Amsterdam die in respectievelijk 1890 en 1893 slaagden voor het akte-examen Nuttige Handwerken (Het Vaderland, 8-3-1890; Het Nieuws van den Dag, 2-3-1893).

Hendrika’s belangstelling voor de kunsten kwam mogelijk van de kant van haar moeder, die stamde uit de gegoede Haagse burgerklasse. In het behoudende joodse milieu waarin zij zelf opgroeide, werd een carrière in de kunst beslist niet aangemoedigd. Dit kan de reden zijn dat haar carrière pas laat op gang kwam. Niettemin kreeg Hendrika op enig moment les van schilderes Henriëtte Asscher, die haar de grondbeginselen van het schildersvak bijbracht. Wanneer precies is onzeker.

Late start

Aan een ‘officiële kunstopleiding’ begon Hendrika van Gelder pas toen ze al tegen de dertig liep. Ze ging naar de Dagteeken- en Kunstambachtsschool voor Meisjes, waar ze les kreeg van onder anderen Jo Stumpff. In november 1900 slaagde ze voor de lo-akte tekenen. Niets wijst erop dat ze ooit zelf les is gaan geven. Ze volgde aan dezelfde instelling nog een jaar boetseerles bij de beeldhouwer Marinus Hack, maar plastisch werk van haar hand is niet bekend. Na het afronden van deze opleiding ging ze verder met schilderlessen bij de schilder Eduard Frankfort, vermoedelijk op instigatie van August Allebé, de directeur van de Rijksacademie – hij had bij haar genoeg talent aanwezig geacht ‘om verdere studie te riskeeren’ (Gompers 1925, 123). In het vragenformulier van kunsthandelaar Van Harpen, dat Van Gelder in 1924 zou invullen, noemt zij Frankfort haar ‘eigenlijke leermeester’, onder wiens leiding zij ‘eerst later’ haar ‘liefde voor de kunst ernstig mocht opvatten’. Anderhalf jaar schilderde ze onder zijn leiding.

Na in 1904 haar leerperiode bij Frankfort te hebben afgesloten werd Van Gelder lid van kunstenaarsgenootschap St. Lucas. In 1908, zij was toen 38, deed ze voor het eerst mee aan een groepstentoonstelling van dit genootschap. In 1909 werd ze lid van Arti et Amicitiae en in 1915 sloot ze zich aan bij De Onafhankelijken. Tussen 1909 en 1940 exposeerde Hendrika van Gelder vrijwel jaarlijks met deze verenigingen. Ook nam ze deel aan tentoonstellingen van vrouwelijke kunstenaars, zoals De vrouw 1813-1913, en exposeerde ze in de Haagse Pulchri Studio en bij de Larense Kunsthandel Nico van Harpen. In 1914 stond Van Gelder werk af ten bate van het Nationaal Steun-comité 1914 en in 1918 schonk zij een schilderij aan een verloting ten bate van het Joodsch Nationaal Fonds om land in Palestina te kunnen kopen.

Genres en stijl

Hendrika van Gelder had een voorkeur voor de portretkunst – bekend zijn portretten van haar moeder en van familieleden van moederszijde – maar zij schilderde ook landschappen, bloemen en stillevens. Hoewel haar portretten vaak te zien waren op tentoonstellingen, bood ze deze daar niet te koop aan – vermoedelijk waren ze in opdracht geschilderd. Van Gelder schilderde met olieverf en aquarel en tekende met pen, kleurpotlood en pastelkrijt in een realistische stijl en met een losse vlotte toets. Zelf noemde ze haar stijl ‘impressionistisch’ (Vragenformulier Van Harpen). In de jaren twintig en dertig maakte ze enkele kunstreizen naar Zuid-Frankrijk en Italië, waarbij ze zich toelegde op het aquarelleren en tekenen van landschappen en stadsgezichten. Voorbeelden van dit werk zijn thans alleen bekend in zwart-wit reproducties: een gezicht op de Italiaanse badplaats Nervi en een aquarel van de kust bij het Franse Menton.

Van Gelder werkte graag naar de natuur, maar voelde zich ook aangetrokken tot ‘decoratieve uitingen in kleur en lijn van persoonsaanvoelingen’ (Vragenformulier Van Harpen). Werk in deze trant, in 1925 door Gompers omschreven als ‘expressionistische schilderstukjes vol kleurrijke verrassingen’, exposeerde ze bij instellingen voor ‘spirituele’ kunst zoals die van Karel Schmidt en Margaretha Verwey en de Vereeniging voor Psychisch Onderzoek en Toegepast Magnetisme in de Helmersstraat. Van deze ‘trancekunst’ is tot nu toe niets teruggevonden.

Als enige ongetrouwde dochter bleef Hendrika van Gelder met haar moeder in het ouderlijk huis wonen. Mogelijk had zij daar ook haar atelier. In 1925 bezocht de journalist en dichter Joseph Gompers haar voor het joodse tijdschrift De Vrijdagavond. Hij beschrijft de sfeer op haar atelier als typisch joods: in de gang hangen portretten van negentiende-eeuwse Palestijnse rabbijnen, en in het atelier zelf hebben een menora en een joods gebedenboek een prominente plaats. In 1934, een jaar na de dood van haar moeder, betrok Van Gelder een atelierwoning in het nieuwgebouwde kunstenaarscomplex aan de Zomerdijkstraat in Amsterdam. Zo kwam zij pas op haar 64ste terecht in een omgeving van vakgenoten – samen hielden ze er aan het eind van dat jaar een openingstentoonstelling.

Oorlog

In 1940 vermeldde Hendrika van Gelder op een vragenformulier van kunsthandel Mak van Waay dat zij sinds dat jaar ‘als Jodin’ geen lid meer was van de kunstenaarsverenigingen waar zij ooit bij hoorde. Twee jaar later zond zij het stilleven Symbolen van het Joodsche Geloof in voor de verkooptentoonstelling van de Van Leer Stichting, georganiseerd tot steun van joodse kunstenaars die door de bezetter waren uitgesloten van het kunstbedrijf. Het stuk werd door de Stichting aangekocht voor de Nederlands Israëlitische Hoofdsynagoge. Mogelijk maakte Van Gelder naar dit model een tweede schilderij, in opdracht van Isaac Busnach, de pachter van het joods café in de Hollandsche Schouwburg. Dit schilderij bleef tot 1994 in diens familie en is nu in bezit van Joods Historisch Museum.

Hendrika van Gelder werd in 1943 opgepakt in de Zomerdijkstraat. Ze werd op transport gesteld naar Sobibor, waar zij op haar 73ste verjaardag (7 mei 1943) werd vermoord. Al haar in het atelier aanwezige werk is verdwenen – waarschijnlijk werd het in beslag genomen en geroofd.

Waardering en persoon

Een zelfportret van Hendrika van Gelder in pastel uit begin jaren twintig, slechts bekend door een reproductie in zwart-wit, toont een zelfbewuste vrouw met een scherpe humoristische blik. Gompers noemt haar een ‘alleszins intellectuele vrouw’ en rekende haar tot ‘de meest bekende’ joodse schilders en grafici (Gompers 1925 en 1940). De kritieken waren doorgaans positief. Sfeervol, sterk en warm, zijn woorden die nogal eens werden gebruikt om haar werk te typeren.

Haar werk geeft blijk van een verfijnd kleurgevoel. Zelf was Van Gelder bescheiden over haar kunnen. Bij een van haar inzendingen schreef zij in de catalogus: ‘Over mijn eigen werk slechts dat, dat ik bij elk werk dat ik van mij af moest zetten, ontevreden ben, toch in ontroering nieuw werk begin.’ (De Onafhankelijken 1937, 67). Zoals veel kunstenaars uit die tijd had ze een zekere hang naar esoterische spiritualiteit.

Na de oorlog leken leven en werk van Hendrika van Gelder vrijwel uitgewist. Voor de herdenkingstentoonstelling van vermoorde joodse kunstenaars in 1995 kon men geen enkel werk van haar vinden. Sindsdien zijn echter achttien oorspronkelijke werken en zes werken in reproductie teruggevonden. Zeven schilderijen, waaronder het portret van haar moeder, ‘overleefden’ de oorlog bij een broer van Hendrika van Gelder, die al voor de oorlog naar Amerika was geëmigreerd.

 

Naslagwerken

Jacobs (2000); Saur; Scheen; Van Hall.

Archieven

  • Amsterdam, Archief Stichting Vrienden van de schilder Martin Monnickendam.
  • Amsterdam, NIOD, toegangnr. 181a, Van Leer-Stichting, inv.nr. 1: Notulen van enkele bestuursvergaderingen (…) 1942-1943, 7 (verslag m.b.t. Steunactie Beeldende Kunstenaars).
  • Amsterdam, Stadsarchief: Bevolkingsregister, Gezinskaarten A.M.E. van Gelder, H. van Gelder; Archiefkaart Hendrika van Gelder.
  • Den Haag, RKD: Archief firma S.J. Mak van Waay (Vragenlijst voor kunstenaars, augustus 1940 ingevuld door Hendrika van Gelder); PDO (vragenlijst van kunsthandelaar Nico van Harpen, Laren, 1924 ingevuld door Hendrika van Gelder).

Werk

Werk van Hendrika van Gelder bevindt zich in het Joods Historisch Museum, Amsterdam, Teylersmuseum, Haarlem en in privécollecties (zie ook Collectie Beelddocumentatie van het RKD, Den Haag). Zie ook de catalogus op de website van de auteur (geraadpleegd 8-4-2021).

Catalogi

  • Catalogi groepsexposities kunstenaars verenigingen St. Lucas, Arti et Amicitiae en De Onafhankelijken tussen 1909 en 1940.
  • De Vrouw 1813-1913. Afdeeling Beeldende Kunsten. Tentoonstellingscatalogus Meerhuizen, Amsteldijk (Amsterdam 1913), nr. 58 en nr. 228.
  • Catalogus van de nationale tentoonstelling van kunstwerken, onder bescherming van H.M. de Koningin, met daaraan verbonden verloting ten bate van het Koninklijk Nationaal Steun-comité 1914 ([Leiden 1915]), nr. 476
  • De onafhankelijken. Tentoonstellingscatalogus Stedelijk Museum, 25-9/17-10-1937 (Amsterdam 1937) 67.

Literatuur (selectie)

  • Joseph Gompers, ‘Hendrika van Gelder, Joodsch schilderes’, De Vrijdagavond. Joodsch weekblad 2 (1925), nr. 34, 122-125.
  • ‘Tentoonstelling Atelierwoningen’, Algemeen Handelsblad, 2-12-1934.
  • J.G. [Joseph Gompers], ‘Jozef Israëls en Dr. J. Mendes da Costa - De twee voornaamste Joodsche beeldende kunstenaars der laatste vijf en zeventig jaar’, Nieuw Israëlietisch weekblad, 24-5-1940, 2.
  • ‘Werk van Joodsche schilders, de Van Leer Stichting doet aankopen’, Het Joodsch Weekblad, 1-4-1942, 5.
  • Engelman, J.,Schilders en beeldhouwers van dezen tijd exposeren in het Rijksmuseum – Een droeve lijst in de Nachtwachtzaal’, De Tijd, 10-10-1945.
  • ‘In Memoriam – tentoonstelling van werken van gedurende de jl. wereld oorlog omgekomen kunstenaarsleden der Maatschappij van Arti & Amicitiae, in Amsterdam 11 januari-11 februari 1947’, Die Constghesellen. Maandblad voor de Nederlandse Beeldende Kunst 2(1947), nr. 1, 25.
  • E.C. Simons, Familiegeschiedenis (Wassenaar 1983) [ongep.] 3.
  • Lien Heyting, De wereld in een dorp – Schilders, schrijvers en wereldverbeteraars in Laren en Blaricum (Amsterdam 1994) 164-170.
  • Jan van Adrichem, e.a., Rebel mijn hart. Kunstenaars 1940-1945 (Zwolle 1995) 191.
  • Francoise Ledeboer, ‘Slachtoffers van Nazi’s spreken’, Provinciale Zeeuwse Courant, 7-4-1995.
  • Claartje Wesseling, Kunstenaars van de Kultuurkamer. Geschiedenis en herinnering (Amsterdam 2014) [dissertatie Universiteit van Amsterdam] 100, 241, 356, 382.
  • Hetty Berg, David Duindam en Frank van Vree, Site of Deportation, Site of Memory. The Amsterdam Hollandsche Schouwburg and the Holocaust (Amsterdam 2018) 102.

Websites

Illustraties

  • Zelfportret, begin jaren twintig, verblijfplaats onbekend (afb. Gompers 1925).
  • Stilleven met joodse voorwerpen, 1942, Amsterdam, Joods Historisch Museum (foto museum).

 

Auteur: Renée Simons

 

laatst gewijzigd: 08/04/2021